Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AF8395

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-05-2003
Datum publicatie
12-05-2003
Zaaknummer
21-002277-02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALM:2002:AE6814
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 415, geldigheid: 2003-05-12
Wetboek van Strafvordering 352, geldigheid: 2003-05-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 381
NTM/NJCM-bull. 2003, p. 877

Uitspraak

Parketnummer: 21-002277-02

Uitspraak dd. : 12 mei 2003

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Almelo van 22 augustus 2002 in de strafzaak tegen

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Lelystad te Lelystad.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 24 januari 2003, 10 februari 2003, 11 maart 2003, 13 maart 2003, 18 maart 2003, 24 maart 2003, 27 maart 2003, 31 maart 2003, 1 april 2003, 2 april 2003, 3 april 2003, 15 april 2003, 23 april 2003 en 29 april 2003 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, kort weergegeven, strekkende tot oplegging van een gevangenisstraf van 15 jaar, na voorlezing aan het hof overgelegd ter zitting van dit hof van 15 april 2003, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De ontvankelijkheid van de officier van justitie is door de verdediging bestreden omdat een in een andere zaak in juni 2000 onder verdachte in beslag genomen voorwerp, te weten een rood sportbroekje, in de onderhavige zaak aan onderzoek onderworpen is zonder inachtneming van de wettelijke regels. Daarbij gaat de verdediging uit van de toepasselijkheid van artikel 56 Wetboek van Strafvordering, zulks ten onrechte omdat die bepaling niet gaat over onderzoek van de kleding, maar om onderzoek van de verdachte aan de kleding en aldus uitsluitend om kleding welke de verdachte op dat ogenblik draagt. In de onderhavige zaak gaat het om onderzoek van een in beslag genomen voorwerp, zijnde een kledingstuk.

Het hof ziet niet in waarom de inbeslagneming in juni 2000 onrechtmatig zou zijn geweest en er zijn ook geen gronden aangevoerd om aan die rechtmatigheid te twijfelen. Vervolgens is op 31 oktober 2000 het nog onder de politie berustende broekje intern overgedragen aan opsporingsambtenaren die belast waren met het onderzoek naar de vuurwerkramp en is het met het oog op de vuurwerkramp onderzocht. Het hof is van oordeel dat deze overdracht beschouwd moet worden als een nieuwe inbeslagneming voor een nieuw doel en dat er dezelfde eisen voor hebben te gelden als voor een nieuwe inbeslagneming. Nu het ging om verdenking ter zake van een misdrijf als bedoeld in artikel 67 eerste lid Wetboek van Strafvordering, was iedere opsporingsambtenaar daartoe bevoegd. Dat de verdenking zich toen nog niet tegen de eigenaar van het voorwerp richtte (er was toen nog geen redelijk vermoeden van schuld tegen verdachte), doet aan die bevoegdheid niet af. Deze grond voor niet-ontvankelijkheid acht het hof daarom ondeugdelijk.

Door de verdediging is voorts de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ingeroepen omdat het opsporingsmiddel van stelselmatige inwinning van informatie door de inzet van een undercoveragent in het huis van bewaring waar verdachte gedetineerd was, is toegepast op een wijze die de grenzen van het toelaatbare overschreed. Daarbij voert de verdediging aan dat de inzet in een detentiesituatie de wetgever niet voor ogen kan hebben gestaan en beroept zij zich onder andere, maar in het bijzonder op het arrest van het Europese hof voor de rechten van de mens van 5 november 2002 in de zaak Allan tegen het Verenigd Koninkrijk.

Het betoog dat de in artikel 126j Wetboek van Strafvordering geregelde stelselmatige informatie-inwinning in een detentiesituatie niet geoorloofd zou zijn, vindt op geen enkele wijze steun in de wet of de wetsgeschiedenis en moet daarom worden verworpen.

Met betrekking tot het Allan-arrest overweegt het hof in de eerste plaats, dat de onderhavige zaak in zoverre niet met die van de zaak Allan overeenstemt, dat verdachte, anders dan Allan, niet verkoos gebruik te maken van zijn recht om te zwijgen; hij heeft zowel vóór als na de inzet van de undercoveragent in verhoren bij de politie verklaringen afgelegd. Het hof beseft, dat in zoverre wel een overeenkomst bestaat tussen de zaak van verdachte en die van Allan, dat de overheid wel gebruik heeft gemaakt van een opsporingsmethodiek die mogelijk ertoe kon leiden, dat verdachte voor de bewijsvoering relevante verklaringen zou afleggen die hij niet zou willen afleggen in een regulier verhoor door de rechter-commissaris of door opsporingsambtenaren.

Voorts stelt het hof vast, dat in de zaak Allan de toegepaste methodiek niet in het Engelse procesrecht voorzien was. In de onderhavige zaak echter is de inzet van de undercoveragent geschied op basis van een expliciet in ons Wetboek van Strafvordering geschapen opsporingsmiddel, namelijk de stelselmatige inwinning van informatie, geregeld in art. 126j Wetboek van Strafvordering.

Het hof is van oordeel, dat niet zonder meer ontoelaatbaar is het inzetten van een undercoveragent teneinde de mogelijkheid te scheppen om met een verdachte contact te leggen en mogelijk van die verdachte zaken te horen te krijgen die voor de bewijsvoering in de zaak van die verdachte van belang zouden kunnen zijn. Wel is het hof van oordeel, dat zorgvuldig behoort te worden afgewogen, of mededelingen, gedaan door de verdachte aan de undercoveragent, niet tot stand zijn gekomen in contacten die feitelijk zozeer het karakter van een (heimelijk) verhoor dragen, dat het gebruik van die mededelingen als bewijsmiddel in strijd zou zijn met het door artikel 6 van het EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces. Daarbij heeft het hof acht te slaan op de wijze waarop de contacten tussen de undercoveragent en de verdachte zijn verlopen, en wel in het bijzonder op de vraag, of de undercoveragent op ongepaste wijze heeft getracht de verdachte uit te horen, of op onbehoorlijke wijze misbruik heeft gemaakt van een tussen hem en de verdachte gegroeid vertrouwen.

Het hof heeft in het verhoor van de undercoveragent vastgesteld, dat deze systematisch het initiatief in het totstandkomen van het contact tussen hem en verdachte heeft gelaten aan verdachte; hij heeft meermalen contacten afgehouden en grotendeels passief het contact laten groeien. Van systematisch uithoren is geen sprake geweest en evenmin van aandringen op beantwoording van bepaalde vragen inzake de oorzaken van de catastrofale brand in Enschede. Het hof acht van belang, dat verdachte ook met andere gedetineerden [getuige 1 en getuige 2] heeft gesproken over de tegen hem gerezen verdenking en ook aan deze medegedetineerden vertrouwelijke mededelingen daarover heeft gedaan. Alles overziende is het hof van oordeel, dat de tussen de undercoveragent en verdachte gevoerde gesprekken in wezen gewone gesprekken zijn geweest zoals die normaliter tussen gedetineerden plegen plaats te vinden. Dat de undercoveragent zich in die gesprekken ook wel in vragende vorm heeft uitgelaten, is daarmee niet in strijd.

De verdediging heeft verder nog ter ondersteuning van de stelling dat de wijze waarop dit opsporingsmiddel toegepast is de perken te buiten ging, aangevoerd dat de undercoveragent een intelligent man en een daartoe opgeleide en gekwalificeerde professional was en dat verdachte geen partij voor hem was. Van het strafproces wordt geëist dat het een "fair trial" is, maar dat betekent niet dat de door de verdediging bepleite "sportiviteitseisen" gelden. Het beginsel van "equality of arms" brengt niet met zich dat aan een verdachte die tegen de tegen hem ingezette opsporingsmiddelen niet opgewassen is, een soort van voorsprong dient te worden gegeven.

Het hof acht dan ook geen grond aanwezig om de undercoveroperatie als onrechtmatig aan te merken, laat staan om de ontvankelijkheid van de officier van justitie als daardoor aangetast te beschouwen.

Tenslotte heeft de verdediging aan de hand van een groot aantal grieven van zeer verschillende aard ten aanzien van de wijze waarop in het voorbereidend onderzoek te werk is gegaan, zoals nader is verwoord in de pleitnota, de stelling verdedigd dat opgespoord is op een wijze die strijdig is te oordelen met de beginselen van een behoorlijk strafprocesrecht. Voor een deel van die grieven geldt dat ze zich niet baseren op bepaalde rechtsregels en dat het hof ze niet anders duiden kan dan als bezwaren wegens "onsportiviteit". Daarmee berusten ze op een uitgangspunt dat het hof, zoals hiervoor al is overwogen, onjuist acht.

Voor een groot deel komen de grieven echter daarop neer dat de opsporingsinstanties te veel en te zwaar geschut zouden hebben ingezet om verdachte tot bekennende verklaringen te bewegen. Het hof is echter van oordeel dat de inspanningen die de opsporingsinstanties zich getroost hebben gericht waren op het verkrijgen van juiste verklaringen. Niets wijst erop dat men slechts op bekennende verklaringen uit was zonder zich erom te bekommeren of daarmee ook de waarheid gevonden zou zijn. Juist is dat wel veel aandrang op verdachte is uitgeoefend. Gelet op het belang van de zaak acht het hof dat echter niet disproportioneel. Nu verdachte zich in het geheel niet op zijn zwijgrecht beriep, beklaagt de verdediging zich er ten onrechte over dat zijn zwijgrecht niet gerespecteerd is. Ook deze grieven kunnen daarom aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie niet in de weg staan.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis, waarvan beroep, zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

De telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat:

hij op of omstreeks 13 mei 2000 te Enschede tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen, opzettelijk (een) brand(en) heeft gesticht en/of opzettelijk een of meer ontploffing(en) teweeg heeft gebracht op/aan/in een bedrijfspand/werkplaats aan de Tollensstraat en/althans op/aan/in (een ) in de nabijheid op van/op een bedrijfsterrein aan de Tollensstraat staand(e) object(en)/container(s), immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat/die bedrijfspand/werkplaats en/althans dat/die object(en)/die container(s) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand/ontploft, in elk geval (een) brand(en) en/althans ontploffing(en) is/zijn ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die/dat bedrijfspand/werkplaats en/of dat/die object(en)/die container(s) en/of diverse in de (onmiddellijke) nabijheid van

die werkplaats staande woning(en) en/of gebouw(en) en/of bedrijfspand(en) en/of de

inventaris van die/dat bedrijfspand(en) en/of woning(en) en/of gebouw(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was, en/of levensgevaar voor een of meer in/nabij die/dat woning(en)/gebouw(en) en/of bedrijfspand(en) en/althans die woonwijk (Mekkelholt) aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen te duchten was en/of welk(e) feit(en) de dood van een of meer perso(o)n(en), te weten [namen van 20 slachtoffers] ten gevolge heeft/hebben gehad.

althans, voor zover voor het vorenstaande geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair, dat

hij op of omstreeks 13 mei 2000 te Enschede, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/althans alleen, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam (een) brand(en) heeft gesticht en/of grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam een of meer ontploffing(en) teweeg heeft gebracht op/aan/in een bedrijfspand/werkplaats aan de Tollensstraat en/althans op/aan/in een in de nabijheid/op een bedrijfsterrein aan de Tollensstraat staand(e) object(en)/container(s), immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan dat/die bedrijfspand/werkplaats en/althans dat/die object(en)/die container(s) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand/ontploft, in elk geval (een) brand(en) en/althans ontploffing(en) is/zijn ontstaan, ten gevolge waarvan het aan zijn en/of zijn mededaders schuld te wijten is geweest, dat/die bedrijfspand/werkplaats en/althans dat/die object(en)/die container(s) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand/ontploft, in elk geval dat er brand en/of een ontploffing is ontstaan, terwijl daardoor gemeen gevaar voor die/dat bedrijfspand/werkplaats en/of dat/die object(en)/die container(s) en/of diverse in de (onmiddellijke) nabijheid van die werkplaats staande woning(en) en/of gebouw(en) en/of bedrijfspand(en) en/of de inventaris van die/dat bedrijfspand(en) en/of woning(en) en/of gebouw(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een of meer in/nabij die/dat woning(en)/gebouw(en) en/of bedrijfspand(en) en/althans die woonwijk (Mekkelholt) aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen ontstond en/of welk(e) feit(en) de dood van een of meer perso(o)n(en), te weten [namen van 20 slachtoffers], ten gevolge heeft/hebben gehad.

Vrijspraak

"In de middag van zaterdag 13 mei 2000 vond bij het vuurwerkbedrijf SE Fireworks aan de Tollensstraat in Enschede een zeer zware vuurwerkontploffing plaats. De vuurwerkramp kostte aan 22 personen het leven, onder wie vier brandweermannen. Ongeveer 950 personen raakten gewond, van wie een aantal ernstig. De ramp veroorzaakte bij velen groot persoonlijk leed. De materiële schade was enorm." Zo vangt de Commissie onderzoek vuurwerkramp haar op 28 februari 2001 uitgebrachte eindrapport aan. Intussen zijn we ruim twee jaar verder en ligt morgen de ramp exact drie jaar achter ons.

In de afgelopen maanden waarin het hof de belangrijkste drie uit de ramp voortvloeiende strafzaken heeft behandeld, is opgevallen hoe zeer nog steeds bij de samenleving ter plaatse, maar ook landelijk behoefte bestaat te weten hoe het allemaal heeft kunnen gebeuren. Het hangt wellicht samen met de omstandigheid dat de ramp zich volstrekt onverwachts voltrok. Natuurlijk komt iedere ramp en ook ieder ongeluk van geringere proporties tot op zekere hoogte onverwachts, maar dat is niet steeds in dezelfde mate het geval. Wie achter dijken woont, weet dat die kunnen doorbreken, wie in een bos woont, weet van het vóórkomen van bosbranden, maar nagenoeg niemand is zich bewust geweest van de mogelijkheid van de explosies van 13 mei 2000. De meeste Enschedeërs wisten niet eens van de aanwezigheid van een vuurwerkbedrijf midden in een woonwijk en, voor zover ze het wisten, hebben ze met slechts een enkele uitzondering daarvan nooit het bijzondere gevaar beseft. Vuurwerk is wel gevaarlijk, het kan afgaan en wie ermee stunt, riskeert een hand of een oog, maar dat vuurwerk ook massaal kan exploderen, was een mogelijkheid die buiten de gangbare voorstellingen lag, niet alleen buiten die van het grote publiek, maar helaas ook te vaak buiten die van autoriteiten en deskundigen.

Wellicht is dat een verklaring van die grote ophelderingsbehoefte. Juist omdat we nooit bedacht hadden dat iets dergelijks kon gebeuren, willen we weten hoe het tóch heeft kunnen gebeuren. Wie heeft de lont in het kruitvat gegooid? Heeft eigenlijk wel iemand een lont in het kruitvat gegooid? Wie heeft dat kruitvat daar neergezet en waarom? Wie heeft fouten gemaakt en welke fouten? En dat is niet alleen om antwoord te krijgen op de vraag hoe herhaling te voorkomen. Want dat is eigenlijk nog relatief eenvoudig: er moeten gewoon geen vuurwerkbedrijven in woonwijken liggen. Maar daar gaat het niet alleen om. We willen weten om te weten.

Er is uitvoerig technisch onderzoek gedaan naar de oorzaak van de ramp. Daarin heeft het Nederlands Forensisch Instituut centraal gestaan, maar via dat instituut en onder zijn supervisie hebben vele andere instellingen en personen hun bijdragen geleverd. En ook hebben sommige deskundigen die zich daartoe spontaan aanboden hun licht over de zaak laten schijnen en ook dat heeft nu en dan tot verhelderende gezichtspunten geleid. Vele scenario's zijn bedacht en als werkhypotheses genomen en er is gezocht naar aanwijzingen voor de juistheid of onjuistheid van die hypotheses. Er is gezocht naar aanwijzingen voor sabotage, (bom)aanslag, brandstichting, naar aanwijzingen voor zelfontbranding, gasexplosie, kortsluiting. Zelfs de mogelijkheid dat een in de zon liggende bril als brandglas gewerkt zou hebben, is onderzocht. De conclusie is steeds dat er geen aanwijzingen zijn, dat er een hogere of lagere graad van waarschijnlijkheid aan kan worden verbonden, maar dat een definitieve verklaring niet gegeven kan worden.

Het lijkt een brevet van onvermogen van de deskundigen, maar dat is het niet. Het is niet zo wonderlijk dat er nauwelijks harde conclusies getrokken konden worden. Het ging niet om een brand, een overstroming of een catastrofale kettingbotsing of om een andere ramp die talloze sporen achterliet, het ging om een verwoestende explosie die een barre woestenij achterliet. Juist het karakter van de ramp heeft met zich gebracht dat er voor deskundigen heel weinig te onderzoeken is achtergebleven. Waar geen steen meer op de andere staat, is het moeilijk de onderste steen boven te krijgen. In hoge mate heeft de ramp door zijn verwoestend effect de sporen van zijn eigen oorzaak vernietigd.

Dat betekent dat, nu aan een verdachte is telastegelegd de brand gesticht te hebben, het voor de hand ligt dat het technisch onderzoek weinig aan de opheldering van dat feit kan bijdragen. Het heeft geen aanwijzingen voor brandstichting opgeleverd en al helemaal geen aanwijzingen voor de identiteit van een eventuele brandstichter. De nadruk komt daarom te liggen op het tactisch opsporingsonderzoek. Het hof heeft zich niet kunnen onttrekken aan de indruk dat ook daar de aard en de grote maatschappelijke impact van de ramp het bereiken van heldere resultaten heeft bemoeilijkt. De in de samenleving bestaande grote ophelderingsbehoefte lijkt te hebben geleid tot een zekere neiging tot legendevorming. Waar een als getuige gehoorde politiefunctionaris heeft verzucht dat zich nog steeds getuigen melden die groene marsmannetjes hebben gezien, is dat wellicht een wat extreme wijze van uitdrukken, maar het is onmiskenbaar waar dat er in het onderzoek vele verklaringen zijn afgelegd die feitelijk niet juist kunnen zijn, maar die kennelijk niet zijn ingegeven door enige vorm van kwade wil of eigenbelang, die kennelijk ook in alle oprechtheid zijn afgelegd, maar die lijken voort te komen uit een zo diepe behoefte om op vragen een antwoord te geven dat de behoefte een juist antwoord te geven daaraan ondergeschikt wordt. Dat noopt tot behoedzaamheid bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van afgelegde verklaringen.

Nog in een ander opzicht lijkt de grote maatschappelijke impact de kwaliteit van de onderzoeksresultaten te hebben beïnvloed, deels in gunstige, maar deels ook in ongunstige zin. De maatschappelijke betekenis van de ramp heeft geleid tot een grote bereidheid in de samenleving om aan het onderzoek medewerking te verlenen. De prioriteit die aan het onderzoek is gegeven, heeft geleid tot een grote bereidheid om onderzoekscapaciteit te investeren. Van zeer veel onderzoekswerkzaamheden heeft men zich door een geringe kans op succes niet laten weerhouden. Er is monnikenwerk verricht. Anderzijds heeft het onderzoek ook een zekere mate van verbetenheid vertoond die de geloofwaardigheid van de onderzoeksresultaten niet steeds ten goede is gekomen. De rechercheurs [rechercheur 1 en rechercheur 2] hebben daarop gewezen en de teamleiding bekritiseerd om wat naar hun mening een zekere tunnelvisie was. Men kan betwijfelen of hun gezichtspunten wel steeds juist waren en of de door hen gewezen weg wellicht niet slechts een andere tunnel was, maar dat zij het gevaar van een te eenzijdige benadering signaleerden, moet hun toch als een verdienste worden aangerekend. In het onderzoek zijn verdachten en getuigen met grote indringendheid en vasthoudendheid gehoord. Er zijn vele getuigen door de rechter-commissaris onder ede gehoord. Als een verklaring werd afgelegd die niet direct in overeenstemming was met andere op dat ogenblik beschikbare onderzoeksbevindingen, is met niet steeds zichtbare terughoudendheid tot aanhouding en vervolging wegens meineed overgegaan. Dat heeft tot een aantal vrijspraken geleid en bij sommige getuigen heeft het geleid tot een ruim assortiment van tegenstrijdige verklaringen waaruit het niet steeds eenvoudig is de meest geloofwaardige te kiezen. Ook dit noopt tot behoedzaamheid bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van afgelegde verklaringen.

De vraag die het hof zich heeft te stellen is of het tactisch onderzoek aanwijzingen voor het telastegelegde heeft opgeleverd en wel van voldoende kracht om als bewijs te kunnen gelden. Er zijn uit het onderzoek inderdaad een aantal aanwijzingen tegen verdachte voortgekomen maar daarvan is een aantal volstrekt onvoldoende van elders bevestigd of zelfs uiteindelijk ondeugdelijk gebleken.

De eerste aanwijzing waardoor verdachte als zodanig in beeld begon te komen en die door de advocaat-generaal dan ook als eerste in zijn requisitoir is aangegeven, is de op 20 oktober 2000 (dus pas ruim vijf maanden na de ramp) afgelegde verklaring van de getuige [getuige 3]. Deze verklaarde de indruk te hebben dat verdachte op de een of andere manier met de brandstichting te maken had. Dat had verdachte hem weliswaar niet verteld, maar verdachte zou hem wel hebben verteld van de penoze te hebben gehoord dat het om brandstichting ging, dat de brand door middel van een chemische stof gesticht was en "dat het toch goed verdiende". Het was slechts een heel lichte aanwijzing (die terecht door de politie niet werd beschouwd als grond voor een "redelijk vermoeden van schuld") maar er zou toch uit afgeleid kunnen worden dat verdachte meer van een brandstichting afwist, indien tenminste ergens in het onderzoek een serieuze aanwijzing zou opduiken dat "de penoze" bij de brand betrokken was, dat er met "een chemische stof" was gewerkt of dat de brand voor geld gesticht was. Een dergelijke aanwijzing dook echter niet op en daarmee verloor de verklaring van deze getuige in feite iedere overtuigende kracht. Ze is door de rechtbank dan ook niet voor het bewijs gebruikt.

Uit het bedrijfsprocessensysteem van de politie Twente bleek dat een mobiele telefoon met een bepaald nummer ("de ramp-gsm") waarmee op 13 mei 2000 te omstreeks 15.08 uur uit het rampgebied gebeld was naar de alarmcentrale 112, nog in februari 2000 bij verdachte in gebruik was geweest. Dat wees erop dat verdachte rond de tijd van de ramp in het rampgebied aanwezig was geweest. Op zichzelf viel dat niet als een belastend gegeven te beschouwen: er waren rond die tijd helaas heel veel mensen in het rampgebied. Verdachte echter maakte zich verdacht door zijn aanwezigheid ter plaatse te ontkennen en te beweren dat hij zich er niet van bewust was de desbetreffende telefoon ooit te hebben gehad en dat hij over die telefoon geen enkele informatie kon geven. In dat laatste volhardde hij toen na zijn aanhouding in zijn woning de originele verpakking werd aangetroffen waarin die telefoon ooit moest zijn aangeschaft. Aldus werd de "ramp-gsm" een belangrijke aanwijzing tegen verdachte totdat in een later stadium nader onderzoek hoogstwaarschijnlijk maakte dat verdachtes bewering juist was en dat hij op 13 mei 2000 inderdaad niet meer over de "ramp-gsm" beschikt had. Daarmee bleek ook deze aanwijzing tegen verdachte achteraf ondeugdelijk.

Voorts kreeg de politie in maart 2001 de beschikking over een verklaring van de getuige [getuige 4] die voor verdachte belastend leek. Deze getuige verklaarde over een uitlating die verdachte in de oudejaarsnacht 1999-2000 in de binnenstad van Enschede gedaan zou hebben en die achteraf kon worden opgevat als een aankondiging door verdachte van de hem thans verweten brandstichting. Voorts maakte deze getuige melding van een aantal feiten en omstandigheden die verdachte als een pathologische brandstichter neerzetten. Nader onderzoek wees echter uit dat verdachte de bewuste oudejaarsnacht niet in Enschede, maar in Almelo had doorgebracht en het beeld van een pathologische brandstichter zoals door [getuige 4] geschetst, vond in verdachtes strafrechtelijk verleden en ook overigens geen noemenswaardige bevestiging. Deze getuige is later wegens meineed veroordeeld en aan zijn verklaringen valt in ieder geval geen overtuigende kracht meer toe te kennen.

Nadat verdachte als gevolg van de verklaring van [getuige 3] in beeld was gekomen, bleek dat hij in juni 2000 wegens een poging zijn eigen auto in brand te steken was aangehouden. Daarbij had hij een rode sportbroek gedragen (die hij volgens getuigen ook op 13 mei 2000 gedragen had) en dat werd in verband gebracht met een verklaring van een getuige [getuige 5] die kort voor de ramp een man met een paniekerige blik in de ogen uit de Tollensstraat had zien komen rennen. Deze man had een rode sportbroek gedragen. Bij confrontatie verklaarde deze getuige echter zonder aarzeling dat verdachte niet de man was die zij gezien had.

Al deze aanwijzingen, aanvankelijk meer of minder sterk, bleken uiteindelijk niet of niet noemenswaardig in de richting van verdachtes schuld te wijzen. Op zichzelf wijzen ze ook niet op zijn onschuld, maar het hof acht ze het vermelden waard omdat ze een illustratie zijn van de hiervoor betoogde noodzaak om met andere aanwijzingen die niet duidelijk ontzenuwd zijn, toch met bijzondere behoedzaamheid om te gaan. Dergelijke andere aanwijzingen die in de loop van het onderzoek overeind zijn gebleven, zijn er wel. Een bijzondere plaats wordt daarbij ingenomen door de rode sportbroek die aan een technisch onderzoek is onderworpen en waarop een grote hoeveelheid vuurwerkresten is aangetroffen die er sterk op wijzen dat verdachte op korte afstand is geweest van ongecontroleerd verbrandend of ontploffend vuurwerk. Er is over deze sportbroek veel te doen geweest. Volgens de eerder genoemde interne critici van het rechercheteam is er ongepaste gekheid mee uitgehaald, door anderen wordt dat met klem bestreden. Belangrijk voor deze zaak acht het hof dat niet: zelfs als er met de broek grappen zijn uitgehaald, zijn de sporen op de broek daardoor toch niet veroorzaakt. Het technisch onderzoek wijst uit dat dergelijke sporen niet kunnen ontstaan door op reguliere wijze afgestoken vuurwerk zodat aan verdachtes bewering dat die sporen zijn ontstaan bij een vuurwerkshow op Kreta, geen geloof kan worden gehecht. Op zichzelf geldt voor de hieruit te trekken conclusie, namelijk dat verdachte tijdens de explosies of de daaraan voorafgaande brand op of zeer nabij het rampterrein geweest moet zijn, hetzelfde wat hiervoor over de "ramp-gsm" gezegd is: die conclusie is nauwelijks belastend omdat er ten tijde van de ramp zeer veel mensen in de onmiddellijke nabijheid waren waarvan velen als gevolg van de ramp omgekomen zijn, maar gelukkig ook velen het vege lijf hebben weten te redden. Daaronder te zijn geweest, levert op zichzelf nog geen verdenking, laat staan bewijs voor brandstichting op. Ook hier geldt echter dat verdachte wel verdenking op zich geladen heeft door zijn aanwezigheid in het rampgebied met klem te ontkennen.

Daarbij heeft hij aangevoerd dat hij ten tijde van de ramp elders verbleef, namelijk bij de recreatieplas "Het Rutbeek", en heeft hij zich beroepen op tal van getuigen die hem daar gezien zouden moeten hebben. Dat alibi bleek tegen nader onderzoek niet bestand te zijn. Sommige van de genoemde getuigen verklaren op 13 mei 2000 niet op het Rutbeek te zijn geweest, anderen zijn daar wel geweest en hebben verdachte er ook wel ontmoet maar pas ongeveer ten tijde van de grote explosies in de Tollensstraat en aldus op een zodanig tijdstip dat het verdachte als brandstichter niet uitsluit. Nu is de ondeugdelijkheid van het alibi, met andere woorden het feit dat verdachte de brand gesticht zou kunnen hebben, geen gewichtige aanwijzing dat hij de brand ook inderdaad gesticht heeft. Maar wel is de conclusie gerechtvaardigd dat verdachte op dit belangrijke punt opzettelijk onwaarheid sprak.

Daar komt nog bij dat volgens verschillende getuigen verdachte hun gevraagd heeft zijn alibi te bevestigen. Dat zou hij volgens de enige twee getuigen die hem op 13 mei 2000 op het Rutbeek gezien hebben, [getuige 6] en [getuige 7], zelfs reeds op die dag gedaan hebben en daarbij zou hij ook gezegd hebben een brandje te hebben gesticht. Wel dient daarbij te worden bedacht dat juist deze twee getuigen het vuur zeer na aan de schenen is gelegd. Beiden zijn door de rechter-commissaris onder ede gehoord, beiden zijn vervolgens wegens meineed aangehouden en ingesloten, vervolgd en uiteindelijk vrijgesproken en beiden hebben in de loop van het onderzoek zeer verschillende verklaringen afgelegd. Beiden zijn ook in hoger beroep als getuigen ter terechtzitting gehoord en hebben daar verklaringen afgelegd die verdachtes alibi niet bevestigen, maar slechts één van hen, de getuige [getuige 6], handhaaft dat verdachte hem op die middag heeft gevraagd een alibi te bevestigen. Overigens herinnert deze getuige zich niet of het woord "alibi" daarbij gevallen is, herinnert hij zich ook niet meer het verhaal over het gestichte brandje en benadrukt hij dat zijn geheugen niet al te best is. Het wordt uit deze getuigenverklaringen bepaald niet helder hoe laat precies verdachte die bewuste dag op het Rutbeek aankwam en wat hij toen exact gezegd heeft.

Belastend zijn ook de verklaringen van medegedetineerden van verdachte, inhoudende dat verdachte zich tegenover hen heeft uitgelaten op een manier die wees op zijn betrokkenheid bij het ontstaan van de ramp, althans die zijn betrokkenheid daarbij suggereerde. Volgens de medegedetineerden [getuige 1] en [getuige 2], als getuigen ter terechtzitting in hoger beroep gehoord, heeft verdachte hun echter niet met zoveel woorden gezegd dat hij de brand gesticht had (wat [getuige 1] overigens eerder bij politie en rechter-commissaris wel verklaard had). Verdachte zou slechts wat geheimzinnige opmerkingen gemaakt waaruit deze getuigen (die wisten waarvoor verdachte vast zat) afleidden dat hij wel schuldig zou zijn. Volgens de undercoveragent, bekend onder de codenaam A 1046, die als gedetineerde werd ingesloten, in het huis van bewaring contact met verdachte heeft gehad en daarover ook als getuige ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, heeft verdachte het stichten van de brand wel met zoveel woorden erkend. Hierbij verdient echter aantekening dat deze getuige van verdachte met zekerheid begrepen heeft dat deze ook toegaf op 13 mei 2000 in het bezit van de "ramp-gsm" te zijn geweest, hoewel inmiddels nagenoeg vaststaat (en destijds ook reeds bekend was, zij het niet aan A 1046) dat verdachte toen niet meer over die "ramp-gsm" beschikte. Bovendien verdient opmerking dat verdachte tegenover A 1046 in details getreden is over een soort van huisje of een soort van kantoortje met een elektrisch kacheltje en verlengsnoeren en over de aanwezigheid van een inbraakalarm, maar geen brandalarm. Voor al deze details komt geen herkenbare externe bevestiging uit de stukken naar voren en ze kunnen daarom niet als herkenbare daderwetenschap gezien worden.

Een en ander overziende, komt het hof tot de slotsom dat al wat min of meer serieus in de richting van verdachtes schuld wijst, uit zijn eigen mond komt, niet in de vorm van een reguliere welbewust tegenover politie of justitie afgelegde bekentenis, maar in de vorm van betrekkelijk vormeloze uitlatingen. Deze uitlatingen zijn volgens degenen die ze hebben aangehoord vaak van een zekere vaagheid en onsamenhangendheid en ze zijn soms met grote onzekerheid en na lang tijdsverloop overgeleverd. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat verdachte iemand is wiens reacties vaak wonderlijk zijn en niet in overeenstemming met de manier waarop mensen doorgaans met elkaar communiceren. Hij drukt zich niet altijd uit op een voor de toehoorder direct inzichtelijke manier. Getuigen beschrijven hem als "een mafketel", iemand "die niet helemaal spoort", iemand met een rijke fantasie en met veel sterke verhalen waar niet al te veel geloof aan moet worden gehecht, hetzij over vrouwen, hetzij over door hem gepleegde ernstige delicten (wat niet strookt met zijn strafrechtelijke verleden). Het Pieter Baancentrum beschrijft hem als een verstandelijk en sociaal-emotioneel beperkte man met een persoonlijkheid met schizotypische trekken waarvoor kenmerkend zijn zijn 'vreemde' spraak, het vage irreële denken en een gebrekkige sociale aansluiting. Het hof acht beide beschrijvingen in hoge mate met elkaar in overeenstemming.

De vage, inconsistente en voor een belangrijk deel met grote onzekerheid overgeleverde uitlatingen van deze verdachte missen voldoende overtuigende kracht. Het hof heeft niet door wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het hem telaste gelegde heeft begaan zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het telastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

De voorlopige hechtenis

Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

De in beslag genomen voorwerpen

Gelast de teruggave aan verdachte, van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de voorwerpen zoals vermeld op de door de advocaat-generaal overgelegde lijst van het thans nog resterend beslag (zie voor de inhoud bijlage I).

Aldus gewezen door

mr Mannoury, voorzitter,

mrs Denie en Koksma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mrs Van Laethem en Collombon, griffiers,

en op 12 mei 2003 ter openbare terechtzitting uitgesproken.