Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AF8393

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-05-2003
Datum publicatie
12-05-2003
Zaaknummer
21-001571-02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALM:2002:AE0935
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BD5013
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BW9301
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 21-001571-02

Uitspraak dd. : 12 mei 2003

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Almelo van 2 april 2002 in de strafzaak tegen

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 24 januari 2003, 10 februari 2003, 11 maart 2003, 13 maart 2003, 17 maart 2003, 18 maart 2003, 24 maart 2003, 27 maart 2003, 2 april 2003, 9 april 2003, 15 april 2003, 23 april 2003 en 29 april 2003 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, kort weergegeven, strekkende tot de oplegging van een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, na voorlezing aan het hof overgelegd ter zitting van dit hof van 15 april 2003, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Verzoek tot aanhouding van de behandeling en contra-expertise van het classificatieonderzoek

Ter terechtzitting van 15 april 2003 heeft de verdediging het verzoek tot contra-expertise van de classificatietesten herhaald omdat de testen buiten de verdediging om en ondeugdelijk zouden zijn uitgevoerd.

Voorts is door de verdediging gesteld dat er voldoende vergelijkbaar vuurwerk aanwezig of verkrijgbaar is, zodat het houden van een contra-expertise mogelijk is en de aangevoerde gronden de eerdere beslissing van het hof tot afwijzing niet kunnen dragen.

Verzocht is de behandeling van de strafzaak aan te houden teneinde de contra-expertise mogelijk te maken.

De klacht van de verdediging dat ten onrechte van de onmogelijkheid van contra-expertise wordt uitgegaan, mist feitelijke grondslag nu 's hofs afwijzing van dat verzoek in het tussenarrest van 7 februari 2003 niet gegrond is op onmogelijkheid van contra-expertise.

Het hof heeft in het tussenarrest van 7 februari 2003 al vastgesteld dat de opvatting van de verdediging, dat zij in de gelegenheid had moeten worden gesteld om de testen in Oldenbroek en bij Berlijn bij te wonen geen steun vindt in het recht, terwijl hetgeen daartoe nu wordt aangevoerd geen aanleiding geeft om op die beslissing terug te komen.

In voormeld tussenarrest heeft het hof geoordeeld, dat het onderzochte materiaal een deugdelijk representatief beeld geeft van het op 13 mei 2000 bij SE Fireworks aanwezige vuurwerk.

Daaraan doen de stellingen die zijdens de Staat in een civiel geding over de aansprakelijkheid voor de gevolgen van de ramp naar voren zijn gebracht, niet af.

Ook de verschillen tussen de rapporten van TNO Prins Maurits Laboratorium en van het Bundesanstalt für Materialforschung und -prüfung acht het hof in de rapportage voldoende toegelicht, en het hof heeft deze derhalve reeds in zijn oordeel betrokken.

Samenvattend is het hof van oordeel dat de bezwaren die de verdediging ter terechtzitting van 15 april 2003 tegen de classificatietesten heeft aangevoerd, reeds grotendeels door het hof in de beslissing van 7 februari 2003 tot afwijzing van dit verzoek zijn betrokken. Nu ook overigens niet kan worden aangenomen dat, gelet op de wijze waarop het classificatieonderzoek en de rapportage hieromtrent heeft plaatsgevonden, op het recht van verdachte op een eerlijke procesvoering, als bedoeld in artikel 6 EVRM, inbreuk is gemaakt, wijst het hof het verzoek tot contra-expertise af.

Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat de testrapporten niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, indien de verdediging het recht op contra-expertise wordt ontzegd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de noodzaak van een contra-expertise betreffende het classificatieonderzoek, is het hof van oordeel dat de resultaten van het classificatieonderzoek voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis, waarvan beroep, zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

De telastelegging

Aan verdachte is -na wijzigingen van de telastelegging ter terechtzitting- telastegelegd:

1.

dat de vennootschap onder firma SE Fireworks op of omstreeks 13 mei 2000 en/of omstreeks de periode van 27 april 1998 tot en met 12 mei 2000, in de gemeente Enschede, terwijl aan de besloten vennootschap SE Fireworks door en/of namens Burgemeester en Wethouders van de gemeente Enschede bij besluit van 22 april 1997, kenmerk H 6886, en/of aan voornoemde vennootschap onder firma bij besluit van 19 juli 1999, kenmerk Wm 1723, (een) vergunning(en) krachtens de Wet milieubeheer was/waren verleend tot het in die gemeente in en/of op en/of nabij het perceel Tollensstraat 50, oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 3 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlagen I en/of III van voornoemd besluit, (in genoemde inrichting) zich, al dan niet opzettelijk, heeft gedragen in strijd met een of meer voorschrift(en) verbonden aan voormelde vergunning(en), immers heeft meergenoemde vennootschap onder firma

- in strijd met voorschrift 13.1.2 vuurwerk aanwezig gehad in de als "H" aangemerkte (opslag)loods/ruimte, zijnde/althans elders dan in een/de voor de opslag van vuurwerk bestemde bewaarplaats(en); en/of

- in strijd met voorschrift 13.1.2 vuurwerk aanwezig gehad in de als "C2" aangemerkte werk-, ompak- en montageruimte, zijnde/althans elders dan in een/de voor de opslag van vuurwerk bestemde bewaarplaats(en); en/of

- in strijd met voorschrift 13.2.1 een of meer (vuurwerk)bewaarplaats(en) niet voorzien en/of voorzien gehouden van (een) toegangsdeur(en) die zelfsluitend was/waren; en/of

- in strijd met voorschrift 13.2.1 een of meer vuurwerkbewaarplaats(en), te weten een/de zogenoemde MAVO-box(en), niet voorzien en/of voorzien gehouden van (een) toegangsdeur(en) die zelfsluitend was/waren en/of die een brandwerendheid van ten minste 30 minuten bezat(en); en/of

- in strijd met voorschrift 13.2.1 een of meer van de aldaar geplaatste zeecontainers niet voorzien en/of voorzien gehouden van (een) toegangsdeur(en) die zelfsluitend was/waren en/of die een brandwerendheid van ten minste 30 minuten bezat(en); en/of

- in strijd met voorschrift 13.3.5 meermalen, althans eenmaal, (telkens) niet, zodra de werkzaamheden in de als "C2" aangemerkte werk-, ompak- en montageruimte waren beëindigd, het restant van het vuurwerk en/of het omgepakte vuurwerk weer naar een/de bewaarplaats(en) teruggebracht of doen terugbrengen; en/of

- in strijd met de/het voorschrift(en) 13.2.10 en/of 2.1.1 en/of 3.2.9 in een/de bewaarplaats(en) en/of in een/de (zogenaamde) MAVO-box(en) en/of in een/de zeecontainer(s) meer vuurwerk en/of vuurwerk van een zwaardere klasse opgeslagen,

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, tot de/het vorenomschreven (strafbaar/strafbare) feit(en) opdracht heeft gegeven en/althans (de) feitelijke leiding heeft gegeven aan de vorenomschreven verboden gedraging(en);

(artikel 18.18 Wet milieubeheer in verband met artikel 51, lid 2 Wetboek van Strafrecht);

2.

dat de vennootschap onder firma SE Fireworks op of omstreeks 13 mei 2000 en/of in of omstreeks de periode van 27 april 1998 tot en met 12 mei 2000, in de gemeente Enschede, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in en/of op en/of nabij perceel Tollensstraat 50 gelegen inrichting waar ontplofbare stoffen, preparaten of producten worden vervaardigd, bewerkt, verwerkt, verpakt en/of herverpakt, opgeslagen en/of overgeslagen, zijnde/althans een inrichting genoemd in categorie 3 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende bijlage I, heeft veranderd en/of de werking daarvan heeft veranderd,

immers heeft genoemde vennootschap onder firma zonder vergunning het aantal vuurwerkplaatsen uitgebreid met twee, althans een of meer, zeecontainer(s), te weten een/de zeecontainer(s) aangemerkt als E15 en/of E16, althans is/zijn door meergenoemde vennootschap onder firma twee, althans een of meer, zeecontainer(s), te weten een/de zeecontainer(s) aangemerkt als E15 en/of E16, (bij)geplaatst op het (bedrijfs)terrein van haar inrichting aan de Tollensstraat te Enschede,

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, tot de/het vorenomschreven (strafbaar/strafbare) feit(en) opdracht heeft gegeven en/althans (de) feitelijke leiding heeft gegeven aan de vorenomschreven verboden gedraging(en);

(artikel 8.1, lid 1 onder b Wet milieubeheer in verband met artikel 51, lid 2 Wetboek van Strafrecht;

3.

dat de vennootschap onder firma SE Fireworks op of omstreeks 13 mei 2000 en/of in of omstreeks de periode van 27 april 1998 tot en met 12 mei 200, in de gemeente Enschede, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk beroepshalve (een) stof(fen) en/of prepara(a)t(en), te weten vuurwerk en/of (andere) ontplofbare stoffen, preparaten en/of producten, heeft vervaardigd, aan een ander ter beschikking gesteld en/of in Nederland heeft ingevoerd en/of toegepast, -terwijl genoemde vennootschap onder firma wist, althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door haar handeling(en) met die stof(fen) en/of die prepara(a)t(en) gevaren konden optreden voor mens of milieu- en daarbij niet aan haar verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd, teneinde die/dat geva(a)r(en) zoveel mogelijk te beperken, immers heeft genoemde vennootschap onder firma:

- vuurwerk (van de klasse 1.1 G en 1.2 G, althans vuurwerk van een zwaardere klasse dan 1.4 G) opgeslagen (gehad) in (een) bewaarplaats(en), te weten in (een) zeecontainer(s) en/of in een (zogenaamde) MAVO-box(en), die daarvoor ongeschikt was/waren; en/of

- vuurwerk opgeslagen (gehad) in de als "C2" aangemerkte werk-, ompak- en montageruimte; en/of

- vuurwerk opgeslagen (gehad) in een of meer ruimte(s) zonder dat deze was/waren voorzien van een adequate sprinkler-, althans brandblusinstallatie,

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, tot de/het vorenomschreven (strafbaar/strafbare) feit(en) opdracht heeft gegeven en/althans (de) feitelijke leiding heeft gegeven aan de vorenomschreven verboden gedraging(en);

(artikel 2 Wet milieugevaarlijke stoffen in verband met artikel 51, lid 2 Wetboek van Strafrecht);

4.

dat de vennootschap onder firma SE Fireworks op of omstreeks 13 mei 2000 en/of in of omstreeks de periode van 27 april 1998 tot en met 12 mei 2000, in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of nalatig in of nabij haar (vuurwerk)bedrijf, dat was gelegen aan de Tollensstraat en derhalve in of in de (onmiddellijke) nabijheid van een woonwijk,

- vuurwerk heeft opgeslagen, althans aanwezig heeft gehad in de als "C2" aangemerkte werk-, ompak- en montageruimte en/of in de als "H" aangemerkte (opslag)loods/ruimte, zijnde/althans elders dan in een/de voor de opslag van vuurwerk bestemde en/of geschikte bewaarplaats(en) en/of

- onverpakt vuurwerk al dan niet in combinatie met verpakt vuurwerk heeft opgeslagen, althans aanwezig gehouden en/of

- dat bedrijf gevoerd terwijl onvoldoende maatregelen waren genomen ter voorkoming van brand en/of ontploffing(en) en/of het kunnen uitbreiden van brand, immers

* was/waren een of meer deur(en) van een of meer vuurwerkopslagplaats(en) (de zogenoemde Mavo-boxen en/of (zee)container(s) niet zelfsluitend en/of was/waren een of meer van deze deur(en) onvoldoende brandwerend en/of

* werd vuurwerk opgeslagen en/of opgeslagen gehouden in een of meer zeecontainers, welke niet, althans onvoldoende brandwerend was/waren, en/of

* was in verschillende ruimtes waar vuurwerk lag opgeslagen geen, althans geen goed functionerende sprinkler-, althans brandblusinstallatie aangebracht, althans aanwezig, en/of

- vuurwerk, althans materiaal, opgeslagen en/of opgeslagen gehouden dat massa-explosief was,

tengevolge waarvan het aan de (mede-)schuld van voornoemde vennootschap onder firma en/of de schuld van haar mededader(s) te wijten is geweest dat, (toen op 13 mei 2000 op enige wijze brand was ontstaan in of nabij de werkbunker C2 van het bedrijf, althans op of in de onmiddellijke nabijheid van het bedrijfsterrein van voornoemde vennootschap onder firma) deze/een brand zich zodanig kon ontwikkelen en/of uitbreiden dat een of meer ontploffing(en) en/of branden ontstond(en), welk(e) feit(en) de dood van [20 slachtoffers] ten gevolge heeft/hebben gehad, zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, tot de/het vorenomschreven (strafbaar/strafbare) feit(en) opdracht heeft gegeven en/althans (de) feitelijke leiding heeft gegeven aan de vorenomschreven verboden gedraging(en);

(artikel 158, 3° Wetboek van Strafrecht in verband met artikel 51 lid 2 Wetboek van Strafrecht);

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair terzake dat:

dat de vennootschap onder firma SE Fireworks op of omstreeks 13 mei 2000 en/of in of omstreeks de periode van 27 april 1998 tot en met 12 mei 2000, in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of nalatig in of nabij haar (vuurwerk)bedrijf dat was gelegen aan de Tollensstraat, en derhalve in of in de (onmiddellijke) nabijheid van een woonwijk,

- vuurwerk heeft opgeslagen, althans aanwezig heeft gehad in de als"C2" aangemerkte werk-, ompak- en montageruimte, en/of in de als "H" aangemerkte (opslag)loods/ruimte, zijnde/althans elders dan in een/de voor de opslag van vuurwerk bestemde en/of geschikte bewaarplaats(en), en/of

- onverpakt vuurwerk al dan niet in combinatie met verpakt vuurwerk heeft opgeslagen, althans aanwezig gehouden, en/of

- dat bedrijf gevoerd terwijl onvoldoende maatregelen waren genomen ter voorkoming van brand en/of ontploffing(en) en/of het kunnen uitbreiden van brand, immers

? was/waren een of meerdere deur(en) van een of meer vuurwerkopslagplaats(en) (de zogenoemde Mavo-boxen en/of (zee)containers) niet zelfsluitend en/of was/waren een of meer van deze deur(en) onvoldoende brandwerend en/of

? werd vuurwerk opgeslagen en/of opgeslagen gehouden in een of meer zeecontainers, welke niet, althans onvoldoende brandwerend was/waren, en/of

? was in verschillende ruimtes waar vuurwerk lag opgeslagen geen, althans geen goed functionerende sprinkler-, althans brandblusinstallatie aangebracht, althans aanwezig, en/of

- vuurwerk, althans materiaal, opgeslagen en/of opgeslagen gehouden dat massa-explosief was,

waardoor het aan haar (mede-)schuld te wijten is geweest dat [20 slachtoffers] zodanig letsel hebben bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan zijn overleden,

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, tot de/het vorenomschreven (strafbaar/strafbare) feit(en) opdracht heeft gegeven en/althans (de) feitelijke leiding heeft gegeven aan de vorenomschreven verboden gedraging(en);

(artikel 307 Wetboek van Strafrecht in verband met artikel 51 lid 2 Wetboek van Strafrecht).

5.

dat hij in of omstreeks de periode van 27 april 1998 tot en met 12 mei 2000, in de gemeente(n) Enschede en/of Hengelo (O), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) al dan niet opzettelijk vuurwerk als bedoeld in het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen, te weten (onder meer) een of meer (zogenaamde) cakedoos/-dozen van 25 shots en/of van 100 shots en/of van 300 shots, een of meer (zogenaamde) Romeinse kaars(en), een of meer vuurpijl(en) en/of een of meer (zogenaamde) ratelband(en) of Chinese rol(len), althans "100.000 klappers", voorhanden heeft gehad en/of heeft afgeleverd aan (onder meer) [10 personen] en/of aan een of meer (andere) particuliere gebruiker(s), terwijl dat vuurwerk niet voldeed aan de bij en/of krachtens het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde eisen;

(artikel 3 Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen);

althans voor zover voor het voorgaande geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair terzake dat:

de vennootschap onder firma SE Fireworks in of omstreeks de periode van 27 april 1998 tot en met 12 mei 2000, in de gemeente(n) Enschede en/of Hengelo (O), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) al dan niet opzettelijk vuurwerk als bedoeld in het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen, te weten (onder meer) een of meer (zogenaamde) cakedoos/-dozen van 25 shots en/of van 100 shots en/of van 300 shots, een of meer (zogenaamde) Romeinse kaars(en), een of meer vuurpijl(en) en/of een of meer (zogenaamde) ratelband(en) of Chinese rol(len), althans "100.000 klappers", voorhanden heeft gehad en/of heeft afgeleverd aan (onder meer) [10 personen] en/of aan een of meer (andere) particuliere gebruiker(s), terwijl dat vuurwerk niet voldeed aan de bij en/of krachtens het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde eisen,

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, tot de/het vorenomschreven (strafbaar/strafbare) feit(en) opdracht heeft gegeven en/althans (de) feitelijke leiding heeft gegeven aan de vorenomschreven verboden gedraging(en);

(artikel 3 Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen in verband met artikel 51, lid 2 Wetboek van Strafrecht);

6.

dat hij in of omstreeks de periode van 27 april 1998 tot en met 12 mei 2000, in de gemeente(n) Enschede en/of Hengelo (O), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) al dan niet opzettelijk een hoeveelheid vuurwerk als bedoeld in het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen, te weten (onder meer) een of meer (zogenaamde) cakedoos/-dozen van 25 shots en/of van 100 shots en/of van 300 shots, een of meer (zogenaamde) Romeinse kaars(en), een of meer vuurpijl(en) en/of een of meer (zogenaamde) ratelband(en) of Chinese rol(len), althans "100.000 klappers", heeft afgeleverd aan (onder meer) [10 personen], zijnde/althans aan een of meer (andere) particuliere gebruiker(s), terwijl dit afleveren (telkens) niet geschiedde op de in artikel 8 van het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen toegestane dagen;

(artikel 8 Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen);

althans voor zover voor het voorgaande geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair terzake dat:

de vennootschap onder firma SE Fireworks in of omstreeks de periode van 27 april 1998 tot en met 12 mei 2000, in de gemeente(n) Enschede en/of Hengelo (O), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) al dan niet opzettelijk een hoeveelheid vuurwerk als bedoeld in het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen, te weten (onder meer) een of meer (zogenaamde) cakedoos/-dozen van 25 shots en/of van 100 shots en/of van 300 shots, een of meer (zogenaamde) Romeinse kaars(en), een of meer vuurpijl(en) en/of een of meer (zogenaamde) ratelband(en) of Chinese rol(len), althans "100.000 klappers", heeft afgeleverd aan (onder meer) [10 personen], zijnde/althans een of meer (andere) particuliere gebruiker(s), terwijl dit afleveren (telkens) niet geschiedde op een van de in artikel 8 van het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen toegestane dagen,

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, tot de/het vorenomschreven (strafbaar/strafbare) feit(en) opdracht heeft gegeven en/althans (de) feitelijke leiding heeft gegeven aan de vorenomschreven verboden gedraging(en);

(artikel 8 Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen in verband met artikel 51, lid 2 Wetboek van Strafrecht);

7.

dat hij in of omstreeks de periode van 27 april 1998 tot en met 12 mei 2000, in de gemeente(n) Enschede en/of Hengelo (O), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) al dan niet opzettelijk een hoeveelheid vuurwerk als bedoeld in het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen, te weten (onder meer) een of meer (zogenaamde) cakedoos/-dozen van 25 shots en/of van 100 shots en/of van 300 shots, een of meer (zogenaamde) Romeinse kaars(en), een of meer vuurpijl(en) en/of een of meer (zogenaamde) ratelband(en) of Chinese rol(len), althans "100.000 klappers", bedrijfsmatig heeft afgeleverd aan (onder meer) [10 personen], zijnde/althans een of meer (andere) particuliere gebruiker(s), anders dan vanuit een/de verkoopruimte van een inrichting waarin, overeenkomstig de regels die bij of krachtens de Wet milieubeheer zijn gesteld, vuurwerk mag worden bewaard en verkocht;

(artikel 9 Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen);

althans voor zover voor het voorgaande geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair terzake dat:

de vennootschap onder firma SE Fireworks in of omstreeks de periode van 27 april 1998 tot en met 12 mei 2000, in de gemeente(n) Enschede en/of Hengelo (O), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) al dan niet opzettelijk een hoeveelheid vuurwerk als bedoeld in het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen, te weten (onder meer) een of meer (zogenaamde) cakedoos/-dozen van 25 shots en/of van 100 shots en/of van 300 shots, een of meer (zogenaamde) Romeinse kaars(en), een of meer vuurpijl(en) en/of een of meer (zogenaamde) ratelband(en) of Chinese rol(len), althans "100.000 klappers", bedrijfsmatig heeft afgeleverd (onder meer) aan [10 personen], zijnde/althans een of meer (andere) particuliere gebruiker(s), anders dan vanuit een/de verkoopruimte van een inrichting waarin, overeenkomstig de regels die bij of krachtens de Wet milieubeheer zijn gesteld, vuurwerk mag worden bewaard en verkocht,

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, tot de/het vorenomschreven (strafbaar/strafbare) feit(en) opdracht heeft gegeven en/althans (de) feitelijke leiding heeft gegeven aan de vorenomschreven verboden gedraging(en);

(artikel 9 Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen in verband met artikel 51, lid 2 Wetboek van Strafrecht);

Daar waar in bovenstaande tenlastelegging wordt verwezen naar C2 en/of E15 en/of E16 en/of H, wordt bedoeld de dienovereenkomstig aangeduide ruimte/opslagplaats op de aan deze tenlastelegging gehechte en daarvan deel uitmakende plattegrond, welke plattegrond hierna in dit arrest is opgenomen.

Indien in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Door de verdediging is gesteld dat bij ontstentenis in de strafzaak van de echte verantwoordelijken (de gemeentelijke en rijksoverheid) de vervolging van de vennoten achterwege had moeten blijven. Voor zover de verdediging heeft bedoeld dat het Openbaar Ministerie om deze reden niet in zijn vervolging kan worden ontvangen overweegt het hof hieromtrent als volgt.

Strafrechtelijke vervolging jegens de Staat voor schuld aan de ramp waarvoor ook aan verdachte schuld verweten wordt, is volgens de heersende opvattingen niet mogelijk. Hetzelfde geldt ten aanzien van de gemeente Enschede, nu de aan de gemeente eventueel te maken verwijten zijn te plaatsen in het verband van de specifieke bestuurstaak waarmede de gemeente is belast.

De enkele omstandigheid dat deze overheden niet kunnen worden vervolgd, leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging tegen de verdachte.

Verweren ten aanzien van de hoeveelheid en classificatie van het vuurwerk

Door en namens verdachte zijn er een aantal verweren gevoerd tegen de vaststelling van de hoeveelheid vuurwerk die op 13 mei 2000 bij SE Fireworks aanwezig was, en de classificatie van dit vuurwerk. Voorts is tijdens het onderzoek ter terechtzitting gesteld dat de zwaarte van de explosies zou zijn veroorzaakt door weggelekt gas of de aanwezigheid van bedrijfsvreemd explosief materiaal.

Het hof ziet geen enkele bruikbare aanwijzing, dat ontsnappend gas of bedrijfsvreemd explosief materiaal zou hebben geleid tot de ramp of zou hebben bijgedragen aan de zwaarte daarvan. Integendeel: het verrichte onderzoek heeft juist uitgewezen, dat de veel te grote voorraad vuurwerk van de gevarenklasse 1.3 en de aanwezigheid van honderden kilo's vuurwerk van de in het geheel niet toegestane klasse 1.1 (massa-explosief materiaal) juist wel een verklaring bieden voor het ontstaan van de ramp en de catastrofale omvang ervan.

Door de verdediging is de vraag opgeworpen, wat de betekenis is van de gevarenklasse waarvan in de aan SE Fireworks verleende vergunning sprake is. De raadsman heeft betoogd, dat in Nederland geïmporteerd vuurwerk vòòr het transport wordt geclassificeerd "door een daartoe in het land van herkomst bevoegde autoriteit of afzender conform de in het Manual of Tests and Criteria beschreven beproevingsmethode". Het hof tekent aan, dat inderdaad wellicht een dergelijke handelwijze voorgeschreven is, maar dat gerede twijfel bestaat, of serieuze en betrouwbare classificatie wel steeds geschiedde door de aan SE Fireworks leverende exporterende bedrijven, dan wel door aangewezen overheidsinstanties.

De raadsman heeft in dit verband betoogd, dat als in de milieuvergunning slechts wordt toegestaan opslag van vuurwerk van de gevarenklasse 1.4G en 1.4S, daarmee niets anders bedoeld wordt dan vuurwerk dat door de daartoe bevoegde producent of de classifica-tie-instantie als 1.4G, dan wel 1.4S is "gelabeld".

Het hof verenigt zich niet met die visie. Het hof is van oordeel, dat, waar aan SE Fireworks was toegestaan de opslag van een bepaalde hoeveelheid vuurwerk van de klasse 1.4, even-tueel te combineren met een beperkte hoeveelheid van de klasse 1.3, daarmee voor SE Fire-works een verbod gold voor het opslaan van vuurwerk, waarvan de feitelijke gevaarlijkheid groter was dan die van de klasse 1.4, respectievelijk 1.3 mocht zijn. Anders gezegd: als behorend tot de gevarenklasse 1.1 wordt in de classificatieregels aangemerkt materiaal dat massa-explosief reageert. Als aan SE Fireworks niet werd toegestaan vuurwerk van de klasse 1.1 op te slaan - en dat was niet toegestaan - , dan vloeit daaruit voort, dat het SE Fireworks niet was toegestaan massa-explosief vuurwerk (zoals in elk geval de grotere titanium shells) in voorraad te hebben; ook niet, als daarop etiketten met de vermelding 1.4G of 1.4S waren aangebracht. Een andere lezing van de milieuvergunning, die mede strekt ter afwering van gevaren voor omwonenden van bedrijven met potentieel gevaarlijke activiteiten acht het hof in strijd met de strekking van de vergunning.

Wel kan de raadsman worden toegegeven, dat onaanvaardbaar zou zijn, indien de houder van een milieuvergunning strafbaar zou zijn als hij schuldeloos vuurwerk, geëtiketteerd als 1.4G of 1.4S, maar feitelijk behorend tot een hogere gevarenklasse zou opslaan. Het hof zal dan ook onderzoeken, of, indien is komen vast te staan, dat bij SE Fireworks feitelijk te zwaar vuurwerk heeft gelegen, daarvan aan de verdachte een verwijt kan worden gemaakt.

In het classificatieonderzoek, gerelateerd in het ambtsedig proces-verbaal van de buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) {verbalisant 1] d.d.13 maart 2001 wordt een resultaat bereikt op basis van de voorlopige voorraadberekening. Slechts op grond van dergelijke berekeningen, uitgevoerd op basis van belangrijke delen van de administratie van SE Fireworks, aangevuld met andere methodieken, kon de hoeveelheid vuurwerk die op 13 mei 2000 was opgeslagen op het terrein van SE Fireworks worden vastgesteld, waarbij van belang is, dat het gewicht van de verschillende producten zoveel mogelijk is bepaald door weging van producten van dezelfde soort, en dat bij verschillen of afrondingen altijd is gekozen voor de uitkomst die het meest gunstig was voor verdachte. Het hof acht deugdelijk de werkwijze waarbij mede in ogenschouw is genomen de inhoud van containers die vanuit China op transport waren gezet, maar nog niet bij SE Fireworks waren aangekomen, alsmede het onderzoek naar vuurwerk dat door SE Fireworks aan derden was geleverd, en naar vuurwerk waarvan kon worden aangenomen, dat het soortgelijk was aan het door SE Fireworks opgeslagen materiaal. Bij verschil in de classificatie door TNO-PML en BAM is er gekozen voor de voor verdachte meest gunstige uitkomst.

Het hof neemt op grond van de hieronder weergegeven bevindingen, en na correctie wegens het meetellen van niet explosief hulpmateriaal, als vaststaand aan, dat zich op 12 mei 2000 op het terrein van SE Fireworks heeft bevonden ca 160 ton vuurwerk. Hiervan was ca 94 ton vuurwerk van de klasse 1.3G, ruim 5 ton van de klasse 1.2 of 1.3G, 10 ton van de klasse 1.1 of 1.3G, en ruim 800 kg titaniumshells van de klasse 1.1G.

Op grond van de vergunning was slechts toegestaan de opslag van 158,5 ton van de minder brand- en explosiegevaarlijke klasse 1.4, dan wel, indien ook vuurwerk van de klasse 1.3 was opgeslagen, van die klasse ten hoogste 2 ton, te combineren met ten hoogste 136,5 ton van de klasse 1.4, zulks terwijl de opslag van de zwaarste gevarenklasse 1.1, zijnde massa-explosief materiaal, en van de gevarenklasse 1.2 in het geheel niet was toegestaan.

Zijdens de verdediging is op grond van een aantal naar haar oordeel noodzakelijke correctiefactoren bepleit, dat op 13 mei 2000 niet (zoals door het Tolteam berekend) ruim 170 ton vuurwerk was opgeslagen, maar slechts 118.882 kilogram. Hierbij zou in totaal 14.665 kilo moeten worden afgetrokken omdat bij de berekening was uitgegaan van verkeerde gewichten van producten. Verder zou in verband met een foutmarge van 10% 15.533 kilo moeten worden afgetrokken en 20.970 kilo omdat volgens de verdediging ten onrechte de verpakking van het vuurwerk is meegeteld in het totale gewicht.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de inhoud van de vergunningsvoorschriften 13.2.10, 2.1.1 en 3.2.9 niet de totale hoeveelheid vuurwerk bepalend is voor de vraag of deze voorschriften zijn overschreden, maar de hoeveelheid die er per klasse aanwezig was en mocht zijn. Zelfs indien er, zoals de verdediging stelt, slechts 118.882 kilo vuurwerk aanwezig zou zijn geweest dan nog staat vast dat er op 13 mei 2000 bij SE Fireworks meer en/of zwaarder vuurwerk dan vergund was opgeslagen. Immers leiden de door de verdediging voorgestelde correcties niet tot een zodanige vermindering van het vuurwerk van de klasse 1.3 dat er niet meer dan de maximaal vergunde hoeveelheid van 2000 kilo aanwezig zou zijn geweest en wordt ook de aanwezigheid van vuurwerk van de klasse 1.1. hierdoor niet weggenomen.

Deze vèrgaande afwijking van de voorschriften verbonden aan de verleende vergunningen is naar het oordeel van het hof er oorzaak van geweest, dat de op 13 mei 2000 ontstane brand zo catastrofale gevolgen heeft gehad voor de stad Enschede en zijn bewoners. SE Fireworks heeft zeer grote hoeveelheden vuurwerk van niet of slechts zeer beperkt toegestane gevarenklasse in voorraad gehad, waarbij in het bijzonder de aanwezigheid van de hoog-explosieve titaniumshells een belangrijke rol moet hebben gespeeld bij de zware explosies die hebben plaatsgevonden. Dat grondt het hof daarop dat de aanwezigheid van te zwaar vuurwerk de ramp in redelijkheid verklaren kan en dat er geen redelijke grond is om rekening te houden met andere factoren die tot de ramp kunnen hebben bijgedragen in zodanige mate dat deze aan de aanwezigheid van te zwaar vuurwerk niet meer toegerekend zou kunnen worden.

Het hof is van oordeel, dat de vennoten van SE Fireworks niet alleen uit hoofde van hun functie verantwoordelijkheid dragen voor het ontstaan van deze zeer gevaarlijke situatie, maar dat zij ook feitelijk schuld dragen aan de opslag van deze grote hoeveelheid gevaarlijk materiaal. Weliswaar hebben zij aangevoerd, dat zij afgingen en mochten afgaan op de etikettering die door de Chinese producenten werd aangebracht, maar het hof verenigt zich daarmee niet. Gebleken is, dat op de bij SE Fireworks opgeslagen soorten vuurwerk vrijwel zonder uitzondering een etiket van de gevarenklasse 1.4 was aangebracht. Het hof is tot de overtuiging gekomen, dat die etikettering in het geheel geen verband had met de werkelijke gevaarlijkheid van het vuurwerk. Het valt te vrezen, en ook verdachte had daarmee rekening moeten houden, dat de etikettering in belangrijke mate mede werd bepaald door overwegingen van commerciële aard, in die zin, dat transport van als minder gevaarlijk geëtiketteerde soorten veel goedkoper zou zijn, zodat voor een belangrijk lagere prijs kon worden geleverd aan de importeurs dan wanneer op de verpakking kenbaar was, dat de vervoerder te maken had met vuurwerk van de klasse 1.3, 1.2 of 1.1. Verdachte moet hebben begrepen, of in elk geval hebben kunnen begrijpen, dat sommige soorten vuurwerk dan ook van een zwaardere klasse waren dan 1.4. In het bijzonder geldt dat voor de titaniumshells, waarvan bij de classificatietests zeer zware explosieve eigenschappen werden vastgesteld.

Dat geldt temeer voor verdachte, nu hij naar eigen zeggen de beschikking had over de MSDS-lijsten, bevattende de gegevens inzake de samenstelling van het vuurwerk (soort en hoeveelheid kruit) aan de hand waarvan hij zich een beeld kon vormen van de aard van het ingekochte vuurwerk. Het hof acht het uitgesloten, dat verdachte niet bij serieuze kennisname van deze gegevens twijfels heeft gehad aangaande de juistheid van de indeling in gevarenklasse, temeer, nu de etikettering naar gevarenklasse niet (zoals de verdediging stelde) hoefde te geschieden door een Chinese overheidsinstantie, maar ook kon plaatsvinden door de producent zelf. Het hof acht voorts een sterke aanwijzing voor verdachtes schuld in deze gelegen in het feit, dat verdachte ten minste één maal is geconfronteerd met een afwijking in indeling in gevarenklasse tussen de invoice (vermeldend 1.4) en de packing list (vermeldend 1.3); verdachte heeft daarover verklaard, dat dit probleem wel vaker voorkwam. Voor zover al niet aan verdachte duidelijk was, dat de etikettering niet geschiedde op basis van een werkelijke vaststelling van explosie- en brandgevaar maar op basis van commerciële afwegingen, moet dit hem toen toch aan het denken hebben gezet.

Daar komt bij, dat verdachte heeft deelgenomen aan de PTO-cursus, waarover de getuige [getuige 7], als docent verbonden aan deze opleiding, verklaart, dat na afloop de cursist bij het bezigen van vuurwerk het verschil kan zien tussen vuurwerk van de klasse 1.4 G/S en zwaarder vuurwerk.

Op grond van bovenstaande overwegingen is het hof gekomen tot bewezenverklaring van het onder 1, zevende gedachtenstreepje, telastegelegde.

Door de verdediging is gesteld dat verdachte het bedrijf heeft overgenomen waar hij als werknemer werkzaam was en dat hem bij de overname door de vorige eigenaar is medegedeeld dat SE Fireworks aan alle vergunningsvoorschriften voldeed. Hierdoor was verdachte in de veronderstelling dat het bedrijf voldeed aan de vergunningsvoorschriften. In deze opvatting zou verdachte zijn gesterkt doordat er tijdens controles in de periode dat verdachte vennoot van SE Fireworks was slechts op ondergeschikte punten aanmerkingen zijn gemaakt waarna er onmiddellijk verbeteringen zijn aangebracht. Verdachte geeft aan deze vergunningen deels niet te hebben gelezen. Hiermee stelt de verdediging impliciet de vraag aan de orde of bewezen is dat verdachte opzettelijk de voorschriften heeft overtreden die zijn gesteld in de vergunningen verleend krachtens de Wet milieubeheer.

SE Fireworks beschikte over een tweetal vergunningen verleend krachtens de Wet milieubeheer. Vaststaat dat verdachte hiervan op de hoogte was en wist dat in deze vergunningen tal van voorschriften op uiteenlopende gebieden werden gesteld ten aanzien van de bedrijfsvoering en dat deze voorschriften deels betrekking hadden op de veiligheid binnen het bedrijf. Voorts is uit het onderzoek gebleken dat verdachte op de hoogte was van een deel van de geldende voorschriften. Verder heeft verdachte in verband met de uitbreiding van het bedrijf in 1999 een wijziging van de vergunningsvoorschriften aangevraagd.

Nu verdachte, als ondernemer van een vuurwerkbedrijf, wetende dat aan de uitoefening van zijn bedrijf door de overheid tal van (veiligheids)voorschriften zijn gesteld, en hij zich bewust niet volledig op de hoogte heeft gesteld van de inhoud van deze vergunningsvoorschriften, heeft hij zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij één of meerdere van deze vergunningvoorschriften zou overtreden.

Zelfsluitendheid en brandwerendheid

Door de verdediging is primair gesteld dat de eisen ten aanzien van de zelfsluitendheid van de deuren en de brandwerendheid van de zeecontainers geen deel meer uitmaken van de vergunning nu deze vergunningsvoorwaarden niet meer werden gehandhaafd. Dat verweer moet verworpen worden. Het achterwege blijven van handhaving brengt geen verandering in de inhoud van de vergunningsvoorschriften en, hoewel het kan bijdragen tot een geest van nalatigheid, doet het niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van de vergunninghouder zich uit eigen beweging moeite te geven de voorschriften na te leven.

Bewijsoverweging betreffende feit 4

Van de onder punt 4. aan de vennootschap verweten gedragingen is het hof door de inhoud van de bewijsmiddelen voldoende overtuigd. Het hof is van oordeel dat die gedragingen hebben veroorzaakt dat, toen een brand op het bedrijfsterrein was ontstaan, deze zich zodanig kon ontwikkelen en uitbreiden dat ontploffingen en branden ontstonden met de dood van de in de telastelegging genoemde personen als gevolg. Over het verloop van de brand is veel onzekerheid blijven bestaan en er kan dan ook niet gezegd worden dat alle in de telastelegging genoemde gedragingen elk voor zich de ramp veroorzaakt hebben. Voor in elk geval de laatste van de genoemde gedragingen geldt dat echter wel: dat de aanwezigheid van massa-explosief vuurwerk tot de omvang van de ramp geleid heeft, beschouwt het hof als vaststaand. Grond daarvoor is dat, zoals hiervoor ook al is overwogen, dat de aanwezigheid van te zwaar en deels naar zijn aard massa-explosief vuurwerk de ramp in redelijkheid verklaren kan en dat er geen redelijke grond is om rekening te houden met andere factoren die tot de ramp kunnen hebben bijgedragen in zodanige mate dat deze aan de aanwezigheid van te zwaar vuurwerk niet meer toegerekend zou kunnen worden.

De vraag of SE Fireworks en haar vennoten, waaronder verdachte, daaraan schuld dragen in een voor de veroordeling wegens misdrijf vereiste mate, beantwoordt het hof bevestigend. Het moge waar zijn dat juist de overtreding die bij uitstek tot de omvang van de ramp heeft bijgedragen, niet opzettelijk begaan is, de vennootschap en verdachte droegen daaraan wel schuld. Het hof is van oordeel dat het verdachte uit dien hoofde te maken verwijt zwaar moet wegen. Dat er te zwaar en massa-explosief vuurwerk opgeslagen was, wist verdachte weliswaar niet, maar slechts omdat hij er niet bij heeft stilgestaan en dat had hij uiteraard wel moeten doen. Hij was dagelijks professioneel met vuurwerk bezig en hij beschikte over de deskundigheid om de daaraan verbonden gevaren adequaat in te schatten. Hij had als ondernemer ook de verantwoordelijkheid en de verplichting over die deskundigheid te beschikken en die aan te wenden, niet slechts voor de voortgang van zijn bedrijf, maar ook voor de bescherming van allen die daardoor bedreigd konden worden.

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat voor 13 mei 2000 niemand in Nederland zich bewust is geweest van de gevaren en dat is, op zijn minst in hoofdlijnen, juist. Maar de onachtzaamheid en onzorgvuldigheid van anderen pleiten verdachte niet vrij. Dat geldt bijvoorbeeld voor andere ondernemers die mogelijk soortgelijke fouten hebben gemaakt maar in wier bedrijven, in zekere zin toevallig, geen ongelukken zijn gebeurd. Het geldt ook, maar niet in dezelfde mate, voor overheden en overheidsdienaren die weliswaar in voldoende mate, maar niet op voldoende zorgvuldige wijze toezicht op de naleving van de vergunningsvoorschriften hebben gehouden. Niet in dezelfde mate omdat de wetenschap dat er controle op hun onderneming werd uitgeoefend, maar waarschuwingen, althans ernstige waarschuwingen uitbleven, bij SE Fireworks en haar vennoten de gedachte kon doen postvatten dat het met de veiligheid in de onderneming goed gesteld was. Zij hadden zich niet in slaap mogen laten sussen, maar dat zij dat toch deden is niet oninvoelbaar. Het hof is echter van oordeel dat dit weliswaar in de straftoemeting in aanmerking genomen moet worden, maar dat niettemin van aanmerkelijke schuld bij SE Fireworks en haar vennoten sprake is. Dat vloeit voort uit hun eigen en zelfstandige verantwoordelijkheid voor de onderneming die zij dreven en waarvan zij beter dan wie ook de bijzondere en gevaarlijke aard hadden moeten onderkennen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat telastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 primair, 5 primair, 6 primair en 7 primair telastegelegde heeft begaan, met dien verstande:

1.

dat de vennootschap onder firma SE Fireworks op 13 mei 2000 en in de periode van 27 april 1998 tot en met 12 mei 2000, in de gemeente Enschede, terwijl aan de besloten vennootschap SE Fireworks door en/of namens Burgemeester en Wethouders van de gemeente Enschede bij besluit van 22 april 1997, kenmerk H 6886, en aan voornoemde vennootschap onder firma bij besluit van 19 juli 1999, kenmerk Wm 1723, vergunningen krachtens de Wet milieubeheer waren verleend tot het in die gemeente op het perceel Tollensstraat 50, oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 3 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in genoemde inrichting, zich heeft gedragen in strijd met voorschriften verbonden aan voormelde vergunningen, immers heeft meergenoemde vennootschap onder firma

- opzettelijk in strijd met voorschrift 13.1.2 vuurwerk aanwezig gehad in de als "H" aangemerkte ruimte, zijnde elders dan in een voor de opslag van vuurwerk bestemde bewaarplaats; en

- opzettelijk in strijd met voorschrift 13.1.2 vuurwerk aanwezig gehad in de als "C2" aangemerkte werk-, ompak- en montageruimte, zijnde elders dan in een voor de opslag van vuurwerk bestemde bewaarplaats; en

- opzettelijk in strijd met voorschrift 13.2.1 vuurwerkbewaarplaatsen niet voorzien en voorzien gehouden van (een) toegangsdeur(en) die zelfsluitend was/waren; en

- opzettelijk in strijd met voorschrift 13.2.1 vuurwerkbewaarplaats(en), te weten de zogenoemde MAVO-boxen, niet voorzien en voorzien gehouden van (een) toegangsdeur(en) die zelfsluitend was/waren en die een brandwerendheid van ten minste 30 minuten bezat(en); en

- opzettelijk in strijd met voorschrift 13.2.1 een of meer van de aldaar geplaatste zeecontainers niet voorzien en voorzien gehouden van (een) toegangsdeur(en) die zelfsluitend was/waren en die een brandwerendheid van ten minste 30 minuten bezat(en); en

- opzettelijk in strijd met voorschrift 13.3.5 meermalen, telkens niet zodra de werkzaamheden in de als "C2" aangemerkte werk-, ompak- en montageruimte waren beëindigd, het restant van het vuurwerk en/of het omgepakte vuurwerk weer naar een/de bewaarplaats(en) teruggebracht of doen terugbrengen; en

- niet opzettelijk in strijd met de voorschriften 13.2.10 en 2.1.1 en 3.2.9 in een/de bewaarplaats(en) en in een/de (zogenaamde) MAVO-box(en) en in een/de zeecontainer(s) meer vuurwerk en/of vuurwerk van een zwaardere klasse opgeslagen,

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, tot de vorenomschreven strafbare feiten opdracht heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de vorenomschreven verboden gedragingen;

2.

dat de vennootschap onder firma SE Fireworks op 13 mei 2000 en in de periode van 27 april 1998 tot en met 12 mei 2000, in de gemeente Enschede, opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een op het perceel Tollensstraat 50 gelegen inrichting waar ontplofbare stoffen, preparaten of producten worden vervaardigd, bewerkt, verwerkt, verpakt en/of herverpakt, opgeslagen en/of overgeslagen, zijnde een inrichting genoemd in categorie 3 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende bijlage I, heeft veranderd immers heeft genoemde vennootschap onder firma zonder vergunning het aantal vuurwerkbewaarplaatsen uitgebreid met twee zeecontainers, te weten zeecontainers aangemerkt als E15 en E16, zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander tot het vorenomschreven strafbaar feit opdracht heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de vorenomschreven verboden gedraging;

3.

dat de vennootschap onder firma SE Fireworks in de periode van 27 april 1998 tot en met 12 mei 2000, in de gemeente Enschede, opzettelijk beroepshalve producten heeft vervaardigd, aan een ander ter beschikking gesteld en in Nederland heeft ingevoerd en toegepast, -terwijl genoemde vennootschap onder firma wist, dat door haar handelingen met die producten gevaren konden optreden voor mens of milieu- en daarbij niet aan haar verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd, teneinde die gevaren zoveel mogelijk te beperken, immers heeft genoemde vennootschap onder firma:

- vuurwerk van een zwaardere klasse dan 1.4 G opgeslagen gehad in bewaarplaatsen, te weten in zeecontainers en in (zogenaamde) MAVO-boxen, die daarvoor ongeschikt waren; en

- vuurwerk opgeslagen gehad in de als "C2" aangemerkte werk-, ompak- en montageruimte; en

- vuurwerk opgeslagen gehad in ruimtes zonder dat deze waren voorzien van een adequate brandblusinstallatie,

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander tot het vorenomschreven strafbaar feit opdracht heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de vorenomschreven verboden gedraging.

4.

dat de vennootschap onder firma SE Fireworks op 13 mei 2000 in de gemeente Enschede, aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig in haar vuurwerkbedrijf, dat was gelegen aan de Tollensstraat in de onmiddellijke nabijheid van een woonwijk,

- vuurwerk aanwezig heeft gehad in de als "C2" aangemerkte werk-, ompak- en montageruimte en in de als "H" aangemerkte ruimte, zijnde elders dan in voor de opslag van vuurwerk bestemde en geschikte bewaarplaatsen; en

- onverpakt vuurwerk al dan niet in combinatie met verpakt vuurwerk heeft aanwezig gehouden; en

- dat bedrijf gevoerd terwijl onvoldoende maatregelen waren genomen ter voorkoming van brand en/of ontploffingen en/of het kunnen uitbreiden van brand, immers:

* waren deuren van vuurwerkopslagplaatsen de zogenoemde Mavo-boxen en (zee)containers niet zelfsluitend; en waren deze deuren onvoldoende brandwerend en

* werd vuurwerk opgeslagen gehouden in zeecontainers, welke onvoldoende brandwerend waren, en;

* was in verschillende ruimtes waar vuurwerk lag opgeslagen geen, goed functionerende sprinkler-, althans brandblusinstallatie aanwezig, en

- vuurwerk opgeslagen en/of opgeslagen gehouden dat massa-explosief was,

tengevolge waarvan het aan de schuld van voornoemde vennootschap onder firma te wijten is geweest dat, toen op 13 mei 2000 op enige wijze brand was ontstaan op het bedrijfsterrein van voornoemde vennootschap onder firma deze brand zich zodanig kon ontwikkelen en/of uitbreiden dat ontploffingen en branden ontstonden, welke feiten de dood van [20 slachtoffers] ten gevolge hebben gehad, zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander tot de vorenomschreven strafbare feiten opdracht heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de vorenomschreven verboden gedragingen;

5.

dat hij in de periode van 27 april 1998 tot en met 12 mei 2000, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk vuurwerk als bedoeld in het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen, te weten onder meer zogenaamde cakedozen van 25 shots en van 100 shots en van 300 shots, zogenaamde Romeinse kaarsen, vuurpijlen en zogenaamde ratelbanden of Chinese rollen, althans "100.000 klappers", heeft afgeleverd aan [8 personen], terwijl dat vuurwerk niet voldeed aan de bij of krachtens het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde eisen;

6.

dat hij in de periode van 27 april 1998 tot en met 12 mei 2000, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk een hoeveelheid vuurwerk als bedoeld in het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen, te weten onder meer zogenaamde cakedozen van 25 shots en van 100 shots en van 300 shots, zogenaamde Romeinse kaarsen, vuurpijlen en zogenaamde ratelbanden of Chinese rollen, althans "100.000 klappers", heeft afgeleverd aan [8 personen], zijnde particuliere gebruikers, terwijl dit afleveren telkens niet geschiedde op de in artikel 8 van het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen toegestane dagen;

7.

dat hij in de periode van 27 april 1998 tot en met 12 mei 2000, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk een hoeveelheid vuurwerk als bedoeld in het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen, te weten onder meer zogenaamde cakedozen van 25 shots en van 100 shots en van 300 shots, zogenaamde Romeinse kaarsen, vuurpijlen en zogenaamde ratelbanden of Chinese rollen, althans "100.000 klappers", bedrijfsmatig heeft afgeleverd aan [8 personen], zijnde particuliere gebruikers, anders dan vanuit een verkoopruimte van een inrichting waarin, overeenkomstig de regels die bij of krachtens de Wet milieubeheer zijn gesteld, vuurwerk mag worden bewaard en verkocht;

Daar waar in bovenstaande bewezenverklaring wordt verwezen naar C2 en/of E15 en/of E16 en/of H, wordt bedoeld de dienovereenkomstig aangeduide ruimte/opslagplaats op de aan de telastelegging gehechte en daarvan deel uitmakende plattegrond, welke plattegrond na de telastelegging in dit arrest is opgenomen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarstelling van de feiten 5, 6 en 7

Het hof overweegt te dien aanzien ambtshalve als volgt. Nu het met betrekking tot het professioneel vuurwerk, zoals voorkomend in hetgeen onder 5, 6, en 7 is telastegelegd, vuurwerk betreft dat door SE Fireworks is bestemd tot aflevering aan particulieren, is de strafbaarstelling overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest d.d. 6 februari 2001 (NJ 2001, 498) heeft overwogen gedurende de gehele telastegelegde periode aanwezig geweest.

Afstemming Wet milieubeheer en Woningwet

De verdediging heeft betoogd dat door het ontbreken van een bouwvergunning de vergunningsvoorschriften ten aanzien van de zeecontainers in gevolge het bepaalde in artikel 20.8 Wet milieubeheer niet in werking zijn getreden.

Het verweer komt in feite hierop neer dat wie van een verleende milieuvergunning gebruik maakt voordat deze in werking is getreden, niet gehouden zou zijn de daaraan verbonden voorschriften na te leven. Daarmee verenigt het hof zich niet. In een dergelijk geval is in het algemeen gesproken die vergunning wellicht nog niet in werking getreden, maar is zij wel verleend en wie van een verleende milieuvergunning, hoewel nog niet in werking getreden, gebruik maakt, zal - mede gelet op de verbodsbepaling als vervat in artikel 18.18 Wm - ook de daaraan verbonden voorschriften tegen zich moeten laten gelden. Maar, al ware het anders, het hof is in de onderhavige zaak in elk geval van oordeel dat de onderhavige milieuvergunning wel degelijk in werking was getreden. Weliswaar was voor de voorgenomen wijzigingen een bouwvergunning nodig, maar niemand is zich daarvan bewust geweest; integendeel: uit een aantekening op de vergunningaanvraag blijkt, dat de gemeente zich expliciet op het standpunt heeft gesteld, dat een bouwvergunning niet vereist was, een standpunt dat overeenstemde met verdachtes opvatting in deze. De bouwvergunning is dan ook nooit aangevraagd en de overheid heeft daar uiteraard ook nooit op aangedrongen. Een redelijke toepassing van de wet brengt dan met zich dat de verleende milieuvergunning van kracht is geworden en ook feitelijk vigeerde ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Het hof leest de bepaling van artikel 20.8 Wm aldus dat de daar geregelde uitgestelde inwerkingtreding van de milieuvergunning slechts van toepassing is in de gevallen waarin is onderkend dat de voorgenomen verandering in de zin van de Wet milieubeheer tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet. Nu noch SE Fireworks bij de aanvraag noch het College van Burgemeester en Wethouders bij het in behandeling nemen van de aanvraag beseft hebben dat ook een bouwvergunning gevraagd had moeten worden, doet zich niet een geval voor als bedoeld in artikel 8.5 tweede lid Wm.

Slotsom is dat dit verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op

ten aanzien van het onder 1, onder gedachtestreepje 1, 2, 3, 4, 5 en 6 bewezenverklaarde:

Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte, als medepleger, opdracht tot het feit heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 1, onder gedachtestreepje 7 bewezenverklaarde:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte, als medepleger, opdracht tot het feit heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte, als medepleger, opdracht tot het feit heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

ten aanzien van het onder 3, onder gedachtestreepje 1, 2 en 3 bewezenverklaarde:

Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2 Wet milieugevaarlijke stoffen, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte, als medepleger, opdracht tot het feit heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 4 primair bewezenverklaarde:

Aan de schuld van de rechtspersoon te wijten zijn van brand en ontploffing, terwijl het feit iemands dood ten gevolge heeft, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte, als medepleger, opdracht tot het feit heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 5 primair, 6 primair en 7 primair bewezenverklaarde:

telkens

Medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Bij de beslissing over de strafoplegging moet rekening worden gehouden enerzijds met de ernst van de gemaakte fouten doch anderzijds ook met de ernst van de gevolgen.

Er zijn, voor een belangrijk deel opzettelijk, veiligheidsvoorschriften overtreden. Voorzover het de inhoud van de voorschriften betreft, had het opzet voor een belangrijk deel de vorm van voorwaardelijk opzet: werkelijk bewust was verdachte zich de inhoud van de voorschriften nauwelijks en, hoezeer dat ook verwijtbaar is, met dat ontbreken van boos opzet zal toch in de strafoplegging rekening gehouden moeten worden. De overtreding die tot de omvang van de ramp het meest heeft bijgedragen, namelijk dat er op het terrein van SE Fireworks te veel en te zwaar vuurwerk was opgeslagen, was weliswaar hoogst verwijtbaar, maar de opzettelijkheid ervan is niet aangetoond. Bovendien hebben behalve verdachtes schuld vele andere, slechts ten dele bekende, factoren tot de ramp bijgedragen. Een deel van die factoren is toevallig geweest, andere factoren zijn aan bekende of onbekende andere personen en/of instanties toe te schrijven. Die anderen zijn met uitzondering van verdachtes mededader ongestraft gebleven, maar daarom zijn zij niet minder medeschuldig. Dit alles levert omstandigheden op die een zekere matigheid in de strafoplegging rechtvaardigen.

Aan de andere kant is in het Nederlandse strafrecht algemeen aanvaard dat ook de ernst van de gevolgen in de strafoplegging moet doorwerken. Die gevolgen zijn catastrofaal geweest. De ramp heeft, zoals telastegelegd, 20 mensenlevens geëist, er zijn ongeveer 950 gewonden gevallen, er is een volledige stadswijk van de aardbodem weggevaagd. Het hof acht onaanvaardbaar dat deze gevolgen anders dan in een substantiële vrijheidsstraf uitdrukking zouden moeten vinden. Een dergelijke straf naast de grote persoonlijke en maatschappelijke gevolgen die verdachte en zijn gezin van de ramp al hebben ondervonden, is bij het ontbreken van boos opzet of kwade wil wrang. Tegen de achtergrond echter van de onmetelijke ellende die vele anderen, aan de ramp geheel onschuldig, daarvan hebben moeten ondervinden, kan die wrangheid maar beperkt gewicht in de schaal leggen. Het hof acht, al het voorgaande in aanmerking genomen, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar de meest passende strafrechtelijke reactie. Er is geen aanleiding daarnaast nog een voorwaardelijke straf of een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, nu de wenselijkheid verdachte van herhaling te weerhouden, evident onrealistisch is. Met oplegging van een afzonderlijke straf voor de mede bewezenverklaarde overtredingen is geen redelijk doel gediend zodat het hof te dien aanzien zal volstaan met schuldigverklaring zonder oplegging van straf.

De advocaat-generaal heeft verbeurdverklaring gevorderd van een onder verdachte in beslag genomen geldbedrag. Het hof acht die verbeurdverklaring rechtens toelaatbaar maar zal haar niet uitspreken omdat het de voorkeur moet hebben dat dat geld voor betalingen aan slachtoffers beschikbaar blijft.

Bij afnemers in beslag genomen vuurwerk is deels voor classificatietests gebruikt. Wat over is dient aan het verkeer onttrokken te worden nu geen duidelijkheid bestaat over de gevarenklasse waartoe het behoort, zodat het ongecontroleerd bezit van dit vuurwerk in strijd is met het algemeen belang. Voorts zijn enkele containers vuurwerk in beslag genomen die ten tijde van de ramp naar SE Fireworks onderweg waren. Ook voor dit vuurwerk geldt dat het aan het verkeer dient te worden onttrokken omdat het onderzoek duidelijk heeft aangetoond dat de op dit vuurwerk aangebrachte gevarenklasse-aanduiding hoogst onbetrouwbaar is en het ongecontroleerd bezit van het vuurwerk met het algemeen belang in strijd is.

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ingesteld. In deze vordering is zij ter terechtzitting van 18 maart 2002 door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Volgens artikel 51b, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering kan een benadeelde partij zich vóór de aanvang van de terechtzitting voegen in het strafproces door middel van inzending aan de officier van justitie van een daartoe door de minister van justitie vastgesteld formulier. In artikel 51b, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat de benadeelde partij zich tevens, tot aan het requisitoir van de officier van justitie, ter terechtzitting in het strafproces kan voegen.

De rechtbank te Almelo heeft op 8 augustus 2000 de behandeling van de strafzaak tegen verdachte aangevangen. Namens de benadeelde partij heeft diens gemachtigde een formulier als bedoeld in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering ingediend. Dit formulier, gedateerd 15 oktober 2001, is op 17 oktober 2001 op het parket van de officier van justitie te Almelo ontvangen. De officier van justitie heeft op 11 maart 2002 zijn requisitoir gehouden.

De benadeelde partij, bijgestaan door een advocaat, heeft zich niet overeenkomstig de wet in eerste aanleg gevoegd, nu zij eerst na de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting een formulier als bedoeld in artikel 51b eerste lid van het Wetboek van Strafvordering heeft ingestuurd aan de officier van justitie en zij geen gebruik heeft gemaakt van de toen nog bestaande gelegenheid zich ter terechtzitting in het strafproces te voegen.

De rechtbank heeft de benadeelde partij derhalve terecht in haar vordering niet ontvangen en het hof dient evenzo te beslissen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9a, 36b, 36d, 51, 57, 62 en 158 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 8.1 en 18.18 van de Wet milieubeheer, de artikelen 2 en 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, de artikelen 3, 8 en 9 van het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen (oud) en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 primair, 5 primair, 6 primair en 7 primair telastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

ten aanzien van het onder 1, onder gedachtestreepje 1, 2, 3, 4, 5 en 6, onder 2, onder 3, onder 4 primair, onder 5 primair, onder 6 primair en onder 7 primair bewezenverklaarde:

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

ten aanzien van het onder 1, onder gedachtestreepje 7 bewezenverklaarde:

Bepaalt dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

de voorlopige hechtenis

Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

de in beslag genomen voorwerpen

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

vier containers met vuurwerk.

Gelast de teruggave aan verdachte, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

de onder hem inbeslaggenomen administratie.

Gelast de teruggave aan [de accountant], nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

de onder de [accountant] inbeslaggenomen administratie.

Gelast de teruggave aan Gemeente Enschede, Langestraat 24 te Enschede van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

de onder de gemeente Enschede inbeslaggenomen administratie.

de aan [de benadeelde partij] toegebrachte schade

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de op de vordering gevallen kosten.

Aldus gewezen door

mr Mannoury, voorzitter,

mrs Denie en Koksma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mrs Van Laethem en Collombon, griffiers,

en op 12 mei 2003 ter openbare terechtzitting uitgesproken.