Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AF7721

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-03-2003
Datum publicatie
06-05-2003
Zaaknummer
01-01799
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/32.19 met annotatie van Redactie
FutD 2003-0918
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Achtste enkelvoudige belastingkamer

nummer 01/01799 (inkomstenbelasting)

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. In afwijking van de aangifte heeft de Inspecteur voor het jaar 1999 met aanslagnummer […H96] een aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 66.495.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de Inspecteur een conclusie van dupliek. Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende nog een nader stuk ingediend dat op 16 december 2002 ter griffie van het Hof is ontvangen.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad te Arnhem op 7 januari 2003. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, zijn echtgenote en zijn gemachtigde alsmede de Inspecteur.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. In 1999 heeft de echtgenote van belanghebbende, mevrouw [Y], in het Academisch Ziekenhuis te [Q] (hierna: het ziekenhuis) een dubbelzijdige longtransplantatie ondergaan, in verband waarmee zij in 1999 een drietal malen in het ziekenhuis was opgenomen en wel van 1 januari tot 25 januari, van 27 mei tot 8 juni en van 21 september tot 13 oktober.

2.2. In het tot de stukken van het geding behorende draaiboek 'patientenvoorlichting longtransplantatie' (hierna: het draaiboek) van het ziekenhuis wordt met betrekking tot de rol van de familie in hoofdstuk 5 opgemerkt:

'Een belangrijke rol in het transplantatieproces speelt de familie van de patient. We vinden het dan ook noodzakelijk dat de patient minstens één ondersteunende persoon tot zijn/haar beschikking heeft tijdens de verschillende fasen van het transplantatieproces'.

En in hoofdstuk 11.2:

'De operatie kan zes tot tien uur duren, soms zelfs langer. Dit is voor uw familie een lange en spannende periode en wij adviseren dan ook dat het beter is dat iemand deze tijd niet alleen doorbrengt'.

2.3. Tot de stukken van het geding behoort een brief van 9 december 2002 van [A], internist en lid van het longtransplantatieteam van het ziekenhuis waarin deze de dubbelzijdige longtransplantatie bij belanghebbendes echtgenote bevestigt. In deze brief merkt hij voorts op:

'Een longtransplantatie is medisch gezien een risicovolle behandeling. De opname is voor zowel de patiënt als de familie een spannende en emotioneel belastende periode. Daarbij is de reisafstand naar het ziekenhuis vaak zo groot, dat het wenselijk is dat de familie in de buurt van het ziekenhuis verblijft. Het [Academisch Ziekenhuis te Q] was tot 2001 het enige ziekenhuis in Nederland waar deze behandeling uitgevoerd werd'.

2.4. In de drie genoemde perioden van ziekenhuisopname van zijn echtgenote verbleef belanghebbende in een door het ziekenhuis ter beschikking gestelde kamer. In de eerste periode verbleven ook belanghebbendes drie (volwassen) kinderen in een door het ziekenhuis ter beschikking gestelde kamer. Het ziekenhuis heeft aan belanghebbende voor het gebruik van deze kamers (gedurende de eerste opnameperiode een één- en een tweepersoons kamer; daarna een éénpersoons kamer) in totaal ƒ 2.550 in rekening gebracht, welke kosten door belanghebbende zijn betaald.

2.5. In zijn aangifte inkomstenbelasting 1999 heeft belanghebbende om aftrek van buitengewone lasten ter zake van ziekte als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 1964 (tekst 1999; hierna: de Wet) verzocht, tot welke lasten hij mede rekent de hiervoor onder 2.4 genoemde kosten voor het gebruik van de kamers tot een bedrag van ƒ 2.550 alsmede een bedrag van ƒ 580 ter zake van extra kosten van verteer gedurende de desbetreffende verblijfperioden in het ziekenhuis, totaal derhalve een bedrag van ƒ 3.130 (hierna: de verblijfkosten).

2.6. Bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting 1999 heeft de Inspecteur de verblijfkosten niet aangemerkt als ziektekosten in de zin van de Wet.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de verblijfkosten zijn aan te merken als buitengewone lasten ter zake van ziekte als bedoeld in artikel 46 van de Wet, zoals belanghebbende bepleit en de Inspecteur bestrijdt.

3.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de onderhavige kosten als kosten voor genees- en heelkundige hulp kunnen worden aangemerkt.

3.3. De Inspecteur is van mening dat sprake is van reiskosten voor ziekenbezoek. Gelet op de wettelijke omschrijving en de geschiedenis van de totstandkoming van de desbetreffende bepaling kunnen verblijfkosten daartoe niet worden gerekend.

3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen partijen hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting dat aan deze uitspraak is gehecht.

3.5. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 63.365.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet zijn, voor zover hier van belang, buitengewone lasten de op de belastingplichtige drukkende uitgaven ter zake van ziekte van de belastingplichtige en diens niet duurzaam gescheiden van hem levende echtgenoot.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onderdeel a, van dit artikel worden als uitgaven ter zake van ziekte uitsluitend aangemerkt de daarmee verband houdende uitgaven voor genees-, heel- en verloskundige hulp.

In het derde lid, aanhef en onderdeel e, van dit artikel is bepaald wanneer en onder welke voorwaarden uitgaven ter zake van reizen in verband met ziekenbezoek tot de ziektekosten kunnen worden gerekend.

4.2. Met betrekking tot de rol van de familie bij een longtransplantatie spreekt het draaiboek over de noodzaak van de aanwezigheid van ten minste één persoon tijdens de verschillende fasen van het transplantatieproces. In zijn brief van 9 december 2002 gaat ook [A], internist en lid van het longtransplantatieteam van het ziekenhuis, in op het belang van de aanwezigheid van familie bij deze, medisch gezien, risicovolle behandeling en de wenselijkheid dat de familie in de buurt van het ziekenhuis verblijft. Nu tot 2001 het Academisch Ziekenhuis [Q] het enige ziekenhuis in Nederland was waar longtransplantaties plaatsvonden, had de echtgenote van belanghebbende niet de keuze om de transplantatie dichter bij haar woonplaats te laten verrichten waardoor mogelijkerwijze verblijf in het desbetreffende ziekenhuis niet noodzakelijk zou zijn geweest.

4.3. Tot de uitgaven voor geneeskundige hulp als bedoeld in artikel 46, derde lid, onderdeel a, van de Wet behoren de noodzakelijke kosten van een medische behandeling. Gelet op het deskundige oordeel als medicus van [A] voornoemd en gelet op hetgeen in het draaiboek met betrekking tot de familie wordt opgemerkt, acht het Hof voldoende aannemelijk dat de aanwezigheid van belanghebbende gedurende de drie perioden van verblijf in het ziekenhuis zozeer noodzakelijk was dat die aanwezigheid moet worden aangemerkt als voorgeschreven onderdeel van de medische behandeling van de echtgenote.

4.4. Belanghebbende heeft voorts ter zitting het Hof ervan overtuigd dat de levensbedreigende situatie in de eerste periode van opname van de echtgenote zo ernstig was dat ook de aanwezigheid van de drie kinderen noodzakelijk was.

De noodzakelijke aanwezigheid van de kinderen in die eerste periode moet naar het oordeel van het Hof derhalve evenzeer worden aangemerkt als onderdeel van de medische behandeling van de moeder van de kinderen.

4.5. Gelet op het oordeel van het Hof dat de aanwezigheid van belanghebbende gedurende de drie perioden van ziekenhuisopname alsmede de aanwezigheid van de drie kinderen in de eerste periode van ziekenhuisopname noodzakelijk onderdeel vormden van de medische behandeling van de echtgenote van belanghebbende, zijn de kosten van verblijf in het ziekenhuis uitgaven voor geneeskundige hulp als bedoeld in artikel 46, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet mits deze kosten op belanghebbende hebben gedrukt. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende zich gedrongen voelde naast zijn eigen kosten van verblijf ook de kosten van verblijf van zijn kinderen (behoudens de extra kosten van verteer) voor zijn rekening te nemen, en is van oordeel dat belanghebbende zich, gelet op de omstandigheden, daartoe ook gedrongen kon voelen. Belanghebbende heeft verklaard dat het bedrag van ƒ580 voor extra kosten van verteer alleen hemzelf betreft. Naar het oordeel van het Hof vormen de totale verblijfkosten ten bedrage van ƒ 3.130 buitengewone lasten ter zake van ziekte die voor aftrek in aanmerking komen.

4.6. Het gelijk is aan belanghebbende, het beroep is gegrond. Het belastbaar inkomen van belanghebbende moet worden verminderd tot ƒ 63.365.

5. Proceskosten

Belanghebbendes proceskosten zijn, nu van beroepsmatig verleende rechtsbijstand niet is gebleken, in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op € 10 aan reis- en verblijfkosten.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 28.753 (¦ 63.365) en overigens met inachtneming van de elementen die bij het vaststellen daarvan in aanmerking zijn genomen;

- gelast de Staat aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van € 27,23 (¦ 60) te vergoeden;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 10 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan te Arnhem op 25 maart 2003 door mr. Kooijmans, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. Delnooz-Engels als griffier.

(J.H.M. Delnooz-Engels) (J.P.M. Kooijmans)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 25 maart 2003

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroep-schrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b.de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt, is een griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten