Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AF7703

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-03-2003
Datum publicatie
06-05-2003
Zaaknummer
01/02798
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2004, 76
FutD 2003-0916
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste enkelvoudige belastingkamer

nummer 01/02798 (inkomstenbelasting)

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren [P]

aangevallen beslissing : uitspraken op bezwaar tegen aanslagen

betreft : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 tot en met 1999

nummers : […H.66, H.76, H.86 en H.96] en

mondelinge behandeling : op 11 maart 2003 te Arnhem

waarbij verschenen : belanghebbende en [de Inspecteur]

gronden:

1. Belanghebbende, geboren in 1924, woont in Nederland. Op 18 december 1995 is hij in [Q] (U.S.A.) in het huwelijk getreden met mevrouw [Y], die de Nederlandse nationaliteit bezit en haar woon- en verblijfplaats heeft in [R] (U.S.A.). Ondanks het tussen partijen gesloten huwelijk is mevrouw [Y] in de U.S.A., en belanghebbende in Nederland blijven wonen. Mevrouw [Y] is op 3 maart 1999 overleden.

2. In zijn aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekering 1996 tot en met 1999 heeft belanghebbende de aan mevrouw [Y] in die jaren overgemaakte bedragen ter voorziening in haar levensonderhoud in de U.S.A., als alimentatie opgevoerd. De betaling en de hoogte van de bedragen zijn door de Inspecteur niet betwist. Voorts is niet in geschil dat die bedragen hebben gestrekt tot voorziening in het levensonderhoud van de echtgenote noch dat belanghebbende verplicht was zijn echtgenote het nodige te verschaffen.

3. De Inspecteur heeft de door belanghebbende in zijn aangiften als persoonlijke verplichtingen opgevoerde bedragen evenwel gecorrigeerd omdat de keuze om gescheiden te blijven leven naar zijn mening werd ingegeven door persoonlijke motieven, in welk geval niet kan worden gesproken van een duurzame ontwrichting van het huwelijk of de intentie om het huwelijk te beëindigen.

4. Belanghebbende heeft bij brief van 5 augustus 2001, ingekomen ter inspectie op 28 augustus 2001, bezwaar ingediend tegen de hem opgelegde aanslagen 1996 tot en met 1999, waarvan de termijnen voor het indienen van 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - in afwachting van de legalisatie van zijn huwelijk in Nederland - inmiddels waren verstreken.

5. Ter zitting heeft de Inspecteur - in afwijking van het eerder in zijn uitspraak op bezwaar en het in zijn verweerschrift ingenomen standpunt - medegedeeld dat hij belanghebbende alsnog ontvankelijk acht in zijn bezwaar tegen de aanslag 1999 met dagtekening 13 juli 2001. Hof zal de Inspecteur hierin volgen nu het bezwaarschrift tegen die aanslag per post is verzonden en vóór de afloop van de in artikel 6:9, tweede lid, Awb bedoelde termijn, die in het onderhavige geval eindigde op 31 augustus 2001 ter inspectie is ontvangen en voorts niet is gebleken dat de brief na 24 augustus 2001 ter post is bezorgd (§ 6.1.3. van het Voorschrift Awb).

6. Het in artikel 30, eerste lid, letter c, in verbinding met artikel 45, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB) voor de aftrek van alimentatie gestelde vereiste dat degene aan wie deze uitkeringen worden verstrekt niet tot het huishouden van de schuldenaar behoort (duurzaam gescheiden van hem leeft) dient volgens vaste jurisprudentie (sinds het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 1960, BNB 1960/80) aldus te worden verstaan dat van duurzaam gescheiden eerst worden gesproken op het tijdstip waarop de toestand is ingetreden dat beide echtgenoten ieder hun eigen leven leiden als waren zij niet gehuwd, terwijl die situatie door hen beiden, althans één van hen, als bestendig is bedoeld. Wanneer echtgenoten ondanks de verbreking van de samenwoning elkaar regelmatig zijn blijven ontmoeten en enige malen een voorstel tot hereniging is gedaan is naar het oordeel van de Hoge Raad niet de toestand ingetreden van duurzaam gescheiden leven in de zin van de wet. In zijn arrest van 26 juni 1963, BNB 1963/251 heeft de Hoge Raad voorts - kort weergegeven - beslist dat aan de toestand van duurzaam gescheiden leven van echtgenoten die nimmer hebben samengeleefd, eerst een einde komt indien en doordat man en vrouw metterdaad blijk geven als echtgenoten te willen gaan samenleven. Van pogingen tot hervatting van de samenleving kan in die situatie niet worden gesproken.

7. Uit de stukken van het geding en hetgeen belanghebbende ter zitting heeft verklaard komt naar voren dat belanghebbende sinds zijn huwelijk in Nederland en zijn echtgenote sinds haar huwelijk in de U.S.A. is blijven wonen, dat partijen elkaar weliswaar op hun respectievelijke woonplaatsen hebben bezocht doch dat belanghebbende zijn echtgenote vanaf het voorjaar 1997 niet meer heeft bezocht tengevolge van - naar het Hof begrijpt - met haar ziekte samenhangende fysieke problemen en vervolgens in 1998 ten gevolge van een auto-ongeluk zelf niet in staat was zijn echtgenote in de U.S.A. te bezoeken. Belanghebbende heeft ter zitting in dit verband verklaard dat zijn bezoek aan de U.S.A. nimmer langer heeft geduurd dan 3 maanden (inclusief vakantie) en dat zijn echtgenote tijdens haar bezoek in Nederland zowel bij hem als bij haar dochter, andere familieleden en vrienden verbleef zodat in feite eerder sprake was van logeren dan van een langdurig verblijf.

8. Voorts valt uit de stukken af te leiden dat de echtgenote van belanghebbende om haar moverende redenen er van meet af aan voor heeft gekozen om in de U.S.A. te blijven wonen. Ook toen zij niet meer bij haar zoon kon blijven wonen heeft zij in de U.S.A. immers nog een nieuwe woning betrokken. Dat er dan naderhand - kennelijk op grond van haar ziekte en de daarmee samenhangende medische behandeling - voor haar ook nog andere redenen waren op grond waarvan zij zich niet bij belanghebbende in Nederland wilde of kon vestigen doet daaraan niet af. In ieder geval is op geen enkele wijze komen vast te staan dat de echtgenote is teruggekomen van haar aanvankelijke beslissing om - gescheiden van haar echtgenoot - in de U.S.A. te blijven wonen en dat alleen haar ziekte haar verhinderde aan dat concrete voornemen uitvoering te geven.

9. Evenmin is komen vast te staan dat belanghebbende de mogelijkheid werd geboden zich bij zijn echtgenote in de U.S.A. te voegen. Belanghebbende heeft daarover zelf in zijn brief van 16 december 2001 verklaard

" In mijn geval was er eigenlijk geen sprake van mijn persoonlijke keuze. Ik had geen keuze."

Ter zitting heeft belanghebbende daaraan toegevoegd dat bij zijn echtgenote geen duidelijke intentie aanwezig was om met hem samen te wonen. In ieder geval had zij geen concrete plannen om naar Nederland te komen en evenmin om met hem een (economische) eenheid te vormen.

Als hij naar de U.S.A. reisde had hij een visum nodig dat maar drie maanden geldig was.

10. Uit het hiervóór onder 7 tot en met 9 overwogene leidt het Hof af dat reeds bij het aangaan van huwelijk sprake was van een situatie van duurzaam gescheiden samenleven die door beide echtgenoten, althans door de echtgenote van belanghebbende als bestendig was bedoeld. Aan die toestand van duurzaam gescheiden leven komt ingevolge voornoemd arrest gepubliceerd in BNB 1963/251 eerst een einde komt indien partijen er metterdaad blijk van geven als echtgenoten te willen gaan samenleven.

Het Hof is van oordeel dat daarvan op grond van de stukken en hetgeen daar ter zitting nog is aan toegevoegd geen sprake is geweest. Nu niet op enig moment een toestand is ingetreden van een duurzame samenleving kan de situatie waarin belanghebbende en zijn echtgenote tijdens hun huwelijk verkeerden niet worden gelijkgesteld met de situatie van een duurzame samenleving die op enig moment verbroken is en kunnen de wederzijdse bezoeken van belanghebbende en zijn echtgenote niet worden aangemerkt als pogingen tot hervatting van de samenleving, die de aftrek van alimentatie in de weg zouden staan.

11. De omstandigheid dat belanghebbende voor de toepassing van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 als duurzaam gescheiden van zijn echtgenote moet worden aangemerkt, brengt mee dat het door hem in 1999 aan zijn echtgenote als alimentatie betaalde bedrag van ƒ 21.508 alsnog in aftrek kan worden gebracht en dat de door hem in 1999 betaalde rente waarvoor hem in dat jaar een aftrek als persoonlijke verplichtingen tot een bedrag van ƒ 10.404 moet worden beperkt tot het bedrag van ƒ 5.202 dat geldt voor ongehuwden zodat zijn belastbaar inkomen per saldo met ƒ 16.306 moet worden verminderd. Een en ander brengt mee dat het belastbaar inkomen 1999 van belanghebbende nader moet worden vastgesteld op ƒ 49.161 (ƒ 65.467 - ƒ 16.306).

slotsom:

Het beroep is gedeeltelijk gegrond.

proceskosten:

Belanghebbendes proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proces-kosten bestuursrecht te berekenen op zijn reis- en verblijfkosten, begroot op € 8.

beslissing:

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep betreffende de aanslag voor het jaar 1999

- verklaart belanghebbende alsnog ontvankelijk in zijn bezwaar tegen die aanslag en vermindert die aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 49.161;

- bevestigt de uitspraken waarvan beroep betreffende de aanslagen voor de jaren 1996, 1997 en 1998;

- gelast dat de Staat der Nederlanden aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht van ƒ 60 ( € 27,23)

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 8 en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2003 door mr. M.C.M. de Kroon, lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.N.M. Snoijink als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(W.J.N.M. Snoijink) (M.C.M. de Kroon)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 1 april 2003

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.