Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AF6662

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-03-2003
Datum publicatie
01-04-2003
Zaaknummer
02-00641
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2003/632
FutD 2003-0659
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

tiende enkelvoudige belastingkamer

nummer 02/00641 (WOZ)

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

Belanghebbende : [X]

te : [Z]

verweerder : de heffingsambtenaar van de gemeente Rheden (hierna: de Ambtenaar)

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : beschikking waardevaststelling ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004

nummer : [01]

mondelinge behandeling : op 20 februari 2003 te Arnhem

waarbij verschenen : belanghebbende alsmede [de Ambtenaar en taxateur A]

gronden:

1. Belanghebbende is bij de aanvang van het onderhavige tijdvak de eigenaar en gebruiker van het - tot woning dienende - pand [a-weg 1 te Z]. Deze onroerende zaak betreft een omstreeks 1902 gebouwde vrijstaande woning met een inhoud van ongeveer 950 m3 en een perceeloppervlakte van circa 753 m2. Belanghebbende heeft deze woning op 4 oktober 1999 verworven voor een bedrag van € 363.024 (ƒ 800.000).

2. Ingevolge artikel 17, tweede lid, Wet WOZ wordt de waarde van de onderhavige onroerende zaak bepaald op de waarde die aan deze onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij geldt als waardepeildatum 1 januari 1999.

3. De Ambtenaar heeft zich bij het geven van de onderwerpelijke beschikking op het standpunt gesteld dat de hiervóór onder 2 bedoelde waarde van de woning € 326.721 (ƒ 720.000) beloopt. Bij de bestreden uitspraak heeft hij deze waardevaststelling gehandhaafd.

4. Ter staving van deze door hem verdedigde waarde, heeft de Ambtenaar bij het verweerschrift een op 31 oktober 2002 gedagtekend taxatierapport overgelegd, opgemaakt door [A] - taxateur in onroerende zaken -, in welk rapport eveneens wordt geconcludeerd tot een waarde van de onderwerpelijke woning per peildatum van €326.721 (ƒ 720.000).

5. In het licht van de door belanghebbende ter verwerving van de eigendom van de onderhavige woning in 1999 - na de peildatum - betaalde koopprijs van € 363.024 (ƒ 800.000), acht het Hof de Ambtenaar erin geslaagd aannemelijk te maken dat de door hem vastgestelde waarde van deze woning per peildatum 1 januari 1999 op € 326.721 (ƒ 720.000) niet te hoog is. Opgemerkt hierbij zij dat, anders dan belanghebbende betoogt, het Hof geen enkele grond ziet voor de stelling dat de door belanghebbende betaalde koopprijs niet de waarde in het economische verkeer van de woning op dat tijdstip zou vormen. Het beroep van belanghebbende faalt in zoverre.

6. Belanghebbende heeft zich voorts beroepen op het gelijkheidsbeginsel. In dit verband heeft hij gesteld dat de WOZ-waarden van de woningen aan de [a-weg 2, 3 en 4] alsmede van vier andere in zijn buurt gelegen woningen door de Ambtenaar lager zijn vastgesteld dan de waarden in het economische verkeer van die woningen op de peildatum 1 januari 1999. Gelet hierop, dient naar de opvatting van belanghebbende de WOZ-waarde van zijn woning eveneens lager te worden vastgesteld dan de waarde in het economische verkeer.

7. De Ambtenaar heeft erkend dat de WOZ-waarden van de zeven door belanghebbende bedoelde panden lager zijn vastgesteld dan de waarden in het economische verkeer daarvan op de peildatum. Zulks berust volgens de Ambtenaar echter niet op een door hem gevoerd (begunstigend) beleid maar zijn de onjuiste waardevaststellingen van die woningen het gevolg geweest van (incidentele) fouten.

8. Het Hof acht - evenals belanghebbende - de stelling van de Ambtenaar dat de van de Wet WOZ afwijkende - gunstige - behandeling van de zeven door belanghebbende bedoelde panden niet berust op een beleid van de gemeente Rheden aannemelijk.

9. Niet gesteld of aannemelijk geworden is dat de afwijkende - gunstige - behandeling van de eigenaren/bewoners van deze zeven woningen berust op een oogmerk tot begunstiging.

10. Dit betekent dat belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel slechts kan slagen, indien in dezen is voldaan aan de voorwaarden van de zogenoemde meerderheidsregel. Bij toepassing van die regel gaat het erom of in de meerderheid van de met het geval van belanghebbende vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, dient deze - in de meerderheid van de vergelijkbare gevallen door het bestuursorgaan gevolgde - gedragslijn ook in het geval van belanghebbende te worden gevolgd.

11. Belanghebbende heeft gesteld dat in zeven van de acht vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven, zodat naar zijn opvatting is voldaan aan bedoelde meerderheidsregel.

12. De Ambtenaar heeft ter zitting daarentegen het standpunt ingenomen dat de groep van vergelijkbare gevallen wordt gevormd door de 23.000 in de gemeente Rheden gelegen woningen die in het kader van de Wet WOZ moesten worden gewaardeerd.

13. Nu ervan moet worden uitgegaan - het tegendeel is niet gesteld of aannemelijk geworden - dat de fouten als gevolg waarvan de zeven door belanghebbende bedoelde woningen begunstigend zijn behandeld niet zien op bepaalde (gemeenschappelijke) kenmerken van die woningen, moet naar het oordeel van het Hof in het hier aan de orde zijnde geval voor de vaststelling van de groep vergelijkbare gevallen inderdaad worden uitgegaan van alle in de gemeente Rheden gelegen woningen waarvan in het kader van de Wet WOZ de waarde moest worden vastgesteld.

14. De Ambtenaar heeft - door belanghebbende niet of onvoldoende weersproken - gesteld dat in een ruime meerderheid van de 23.000 woningen de WOZ-waarde op juiste wijze, dat wil zeggen overeenkomstig de waarde in het economische verkeer, is vastgesteld. Gelet hierop, is belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat in de meerderheid van met het zijne vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven.

15. Dit betekent dat het door belanghebbende gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. De door de Ambtenaar vastgestelde waarde van belanghebbendes woning behoeft niet te worden verminderd.

16. De omstandigheid dat de Ambtenaar belanghebbende, ondanks diens verzoek daartoe, niet heeft gehoord op het bezwaar, vormt - in belastingzaken - geen grond voor vernietiging van de uitspraak op bezwaar. Wel vormt zulks voor het Hof aanleiding de gemeente Rheden te gelasten het door belanghebbende voor deze beroepsprocedure betaalde griffierecht te vergoeden.

17. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, doet niet af aan de conclusie dat de door de Ambtenaar vastgestelde waarde van de woning niet te hoog is.

slotsom:

Het beroep is ongegrond.

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

beslissing:

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond en gelast de gemeente Rheden aan belanghebbende te vergoeden het door hem gestorte griffierecht van € 29.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2003 te Arnhem door mr. R. den Ouden, raadsheer, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(L.A. Aalbersberg) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 6 maart 2003

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.