Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AF6332

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-03-2003
Datum publicatie
26-03-2003
Zaaknummer
02/379
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 maart 2003

eerste civiele kamer

rolnummer 2002/379 KG

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

1 mr X.,

2 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

van mr X. en

3 de maatschap van mr X. en partner,

wonende, respectievelijk gevestigd te woonplaats respectievelijk vestigingsplaats,

appellanten,

procureur: mr Y.,

tegen:

de naamloze vennootschap Orion Capital N.V.,

gevestigd te Tilburg,

geïntimeerde,

procureur: mr N.L.J.M. Rijssenbeek.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van 4 april 2002 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank te Arnhem in kort geding tussen appellanten (hierna ook te noemen, tezamen: appellanten en afzonderlijk: de vennootschap en de maatschap) als gedaagden en geïntimeerde (hierna ook te noemen: Orion) als eiseres heeft gewezen. Van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Appellanten hebben bij exploot van 1 mei 2002 aangezegd van dat vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Orion voor dit hof. Daarbij hebben zij aangekondigd te zullen concluderen dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zo nodig onder aanvulling en wijziging van de gronden, Orion alsnog in haar vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans haar die zal ontzeggen dan wel die zal afwijzen, met veroordeling van Orion in de kosten van beide instanties.

2.2 Bij memorie van grieven hebben appellanten vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, Orion haar vordering alsnog zal ontzeggen dan wel deze als ongegrond zal afwijzen, althans enige beslissing zal nemen die het hof geraden voorkomt en in goede justitie meent te moeten en/of te kunnen vaststellen, met veroordeling van Orion in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft Orion de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, van appellanten in de kosten van het geding.

2.4 Ter zitting van 17 februari 2002 hebben partijen de zaak doen bepleiten, appellanten door mr X. zelf, advocaat te …, en Orion door mr H. Carels, advocaat te Rotterdam. Beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

2.5 Vervolgens is arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis onder de vaststaande feiten sub 1 tot en met 11 een aantal feiten vastgesteld. Aangezien daartegen als zodanig geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

Daaraan wordt toegevoegd dat het transport van Hotel […] inmiddels heeft plaatsgevonden en dat dit, ter uitvoering van het vonnis, is geschied vrij van de hypotheek van de vennootschap.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Naar de voorzieningenrechter heeft vastgesteld, diende Hotel […] contractueel uiterlijk op 5 april 2002 vrij van hypotheek aan de koper te worden geleverd. De vennootschap, houder van een (tweede) hypotheek, was slechts bereid om haar hypotheek door de halen tegen betaling van de declaraties ad pro resto f 78.653,56. Orion daarentegen bestreed dat de hypotheek tot zekerheid mocht strekken van die declaraties. Daaruit vloeide het spoedeisend belang van Orion bij haar vordering voort. Daaraan doet niet af dat het transport, zoals appellanten aanvoeren, eerst heeft plaatsgevonden “een groot aantal weken” na 5 april 2002.

4.2 Dat Orion op 5 maart 2002 (wegens schending van artikel 28, lid 1 van de Gedragsregels 1992 van de Nederlandse Orde van Advocaten) bij de deken een klacht tegen mr X. had ingediend, ontnam aan Orion niet de mogelijkheid om zich ter effectuering van een hypotheekvrij transport tot de burgerlijke rechter (in kort geding) te wenden aangezien een gedrag in strijd met wettelijk tuchtrecht daarnaast, mits aan de vereisten daarvoor is voldaan, ook een onrechtmatige daad naar burgerlijk recht kan opleveren, welke een spoedeisende voorziening kan vergen. De samenloop met de klachtprocedure stond daaraan niet in de weg. Het wettelijk tuchtrecht voor beroepsbeoefenaren strekt in het algemeen belang tot bevordering van een goede wijze van beroepsuitoefening en (als zodanig) niet tot bescherming van privaatrechtelijke aanspraken. Voor de door appellanten beoogde niet-ontvankelijkverklaring van Orion in haar vordering bestaat geen grond.

Anders dan appellanten verdedigen is, zoals hierna zal blijken, de onderhavige materie evenmin te ingewikkeld voor de gevorderde maatregel.

4.3 Van de verschuldigdheid van de declaraties zal veronderstellenderwijs worden uitgegaan.

4.4 De van mr X. afkomstige declaraties tot voldoening van honorarium en kantoorkosten zijn uitgeschreven op briefpapier van de maatschap. Zij bevatten geen enkele aanwijzing dat zij geen betrekking hebben op werkzaamheden buiten de uitoefening van de advocatuur. Naar Orion onweersproken heeft aangevoerd, hebben de aandeelhouders van Orion, onder wie mr X., blijkens de notulen van haar algemene vergadering van aandeelhouders van 28 april 2001 besloten dat mr X. voortaan slechts op de maandagen voor Orion zou werken en dat hij Orion voor de normale professionele werkzaamheden moest belasten. Naar voorts uit de notulen van de vergadering van 16 juli 2001 (gehecht aan de pleitnotities zijdens Orion in eerste aanleg) blijkt, is toen besloten dat partners/directie, onder wie mr X., geen vergoeding zouden ontvangen voor (uit dien hoofde) voor Orion te verrichten werkzaamheden. Daarom mocht Orion er voorshands redelijkerwijs van uitgaan dat de declaraties strekten tot vergoeding van werkzaamheden van mr X. in de uitoefening van de advocatuur.

4.5 Artikel 28, lid 1 van de Gedragsregels 1992 luidt als volgt:

"Het is de advocaat niet geoorloofd voor de betaling van zijn declaratie andere zekerheid te aanvaarden dan een voorschot in geld, behoudens bijzondere gevallen en dan slechts na overleg met de deken.".

De vennootschap heeft van Orion voor de betaling van de declaraties onder andere op Hotel […] hypotheek verkregen. Gesteld noch gebleken is dat het hier een bijzonder geval betrof. Naar tussen partijen vaststaat, heeft mr X. terzake evenmin tevoren overleg met de deken gevoerd.

4.6 De ratio van deze tuchtrechtelijke regel is dat zekerheidstelling, anders dan in geld, bij het aangaan, het stellen en de afwikkeling van de zekerheid gemakkelijk kan leiden tot meningsverschillen en conflicten over de waarde daarvan, terwijl ook het aanbod tot, het stellen van en het handhaven van andere zekerheid dan in geld veelal zal geschieden op grond van liquiditeitsproblemen van de cliënt. Dit alles kan leiden tot een te grote afhankelijkheid van de cliënt ten opzichte van zijn advocaat en kan op hun verhouding een ongewenste neerslag hebben.

Een en ander geldt evenzeer nadat de opdracht is voltooid of beëindigd en de declaratie is verzonden. Immers, zolang de declaratie niet is betaald, bestaat er nog steeds een rechtsbetrekking tussen de advocaat en de cliënt. In overeenstemming hiermee bepaalt artikel 27, lid 7 van de Gedragsregels 1992 dat de advocaat ter zake van nog niet in rechte vastgestelde vorderingen op zijn cliënt geen conservatoire maatregelen treft en niet het faillissement aanvraagt, dan na overleg met de deken.

4.7 De gedragsregel van artikel 28, lid 1 strekt aldus eveneens tot bescherming van de cliënt. Naar het voorlopig oordeel van het hof is de overtreding van deze regel jegens de cliënt, in dit geval Orion, onrechtmatig. De beschermingsfunctie van deze bepaling verzet zich er in beginsel tegen dat (contractuele) toestemming van de cliënt het onrechtmatige karakter aan (de aanvaarding en de handhaving van) deze zekerheidstelling zou kunnen ontnemen.

Anders dan appellanten betogen, werd aan Orion wel nadeel berokkend. In de eerste plaats bracht de vestiging van de hypotheek al kosten met zich mee. Voorts dwong de handhaving van de hypotheek Orion om vóór het transport de declaraties te voldoen, terwijl Orion (tenminste eerder) in liquiditeitsproblemen verkeerde.

Bij pleidooi in hoger beroep hebben appellanten nog aangevoerd dat mr X. voor de betaling van de declaraties op het allerlaatste moment met een liquiditeitstekort bij Orion werd geconfronteerd en toen uitsluitend nog de zekerheid in de vorm van hypotheek kon aanvaarden. Dit vormt echter geen rechtvaardigingsgrond voor het onrechtmatig handelen maar een onderstreping van de schending van voormelde gedragsregel en haar strekking.

4.8 Appellanten hebben getuigenbewijs aangeboden. Daarvoor biedt het kort geding in het algemeen geen ruimte. Voor een uitzondering is geen grond aangevoerd of gebleken.

4.9 De voorzieningenrechter heeft de onrechtmatige handhaving van het hypotheekrecht terecht met een veroordeling tot doorhaling beëindigd.

4.10 Nu mr X. en de vennootschap terecht in het ongelijk zijn gesteld, heeft de voorzieningenrechter hen op goede gronden in de proceskosten veroordeeld.

4.11 De voorzieningenrechter heeft Orion in de proceskosten van de maatschap veroordeeld en deze op nihil gesteld. Tegen deze nihilstelling voert de maatschap op goede gronden aan dat de advocaat en procureur mr Y. in de eerste aanleg ook namens de maatschap verweer heeft gevoerd. Dat mr Y. aan het advocatenkantoor van de maatschap was verbonden, neemt niet weg dat ook de maatschap proceskosten in de vorm van, naar moet worden aangenomen, een evenredige bijdrage in het salaris en de verschotten van mr Y. heeft moeten dragen. Derhalve worden de proceskosten van de maatschap in eerste aanleg begroot op eenderde gedeelte van de proceskosten van appellanten.

5 De slotsom

5.1 Met uitzondering van een deel van grief V faalt het hoger beroep, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd, behoudens ten aanzien van de proceskosten van de maatschap in eerste aanleg.

5.2 Als de in het ongelijk gestelde partijen zullen mr X. en de vennootschap in de - nagenoeg - volledig aan hen toe te rekenen kosten van het hoger beroep van Orion worden veroordeeld.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal Orion in de kosten van het hoger beroep van de maatschap worden veroordeeld. Nu het standpunt van de maatschap in hoger beroep betrekkelijk weinig kosten kan hebben teweeggebracht, wordt deze laatste proceskostenveroordeling beperkt zoals hieronder vermeld.

6 De beslissing

Het hof, rechtdoende in kort geding in hoger beroep:

op het hoger beroep van mr X. en de vennootschap:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Arnhem van 4 april 2002 voor zover in dit hoger beroep aan de orde;

veroordeelt Mr X. en de vennootschap in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Orion begroot op € 2.313,-- wegens salaris van de procureur en op € 230,-- wegens verschotten;

op het hoger beroep van de maatschap:

vernietigt dat vonnis met betrekking tot de nihilstelling van de proceskostenveroordeling en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

begroot het aandeel van de maatschap in de proceskosten in eerste aanleg op € 234,45 wegens salaris van de procureur en € 86,06 wegens verschotten;

bekrachtigt dat vonnis voor het overige;

veroordeelt de Orion in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de maatschap begroot op € 771,-- wegens salaris van de procureur en op € 76,67 wegens verschotten;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs Houtman, Steeg en Van Wijland-Kalkman en in tegen-woordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2003.