Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AF6190

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-03-2003
Datum publicatie
24-03-2003
Zaaknummer
21-001081-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-001081-02

Uitspraak dd. : 21 maart 2003

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Zwolle van 5 maart 2002 in de strafzaak tegen

Verdachte,

geboren te op,

wonende te , .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 maart 2003 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat telastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 telastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

(zie voor de inhoud van de bewezenverklaring bijlage III)

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Het medeplegen van:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voor de vaststelling van de strafmaat gaat het hof van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 16 november 2001 reed aangever in zijn bedrijfsauto. Voor hem reed een Volkswagen Golf met daarin drie broers (verdachte, medeverdachte en medeverdachte). Aanleiding voor de hierna te noemen gebeurtenissen zou volgens M zijn geweest dat aangever te dicht achter de Golf zou hebben gereden.

Het hof acht op zich aannemelijk dat het rijgedrag van het latere slachtoffer aanleiding heeft gegeven tot enige irritatie.

Op een gegeven moment moeten de auto's stoppen voor een verkeerslicht. Zij staan naast elkaar. Twee broers stappen uit en lopen naar de auto van aangever. Een van hen zegt: "Rij achter ons aan. Dan rijden we naar een parkeerplaats en maken we je af'. Vervolgens stappen de broers weer in en trekken beide auto's op. Terwijl zij naast elkaar rijden maken de drie bewegingen met een hand langs de keel waarmee gesuggereerd wordt dat een keel wordt doorgesneden.

Daarna gaat de Golf vlak voor de bedrijfsauto rijden waarbij de Golf over de breedte van de weg slingert en er enkele keren onverhoeds wordt geremd.

Bij een volgend verkeerslicht stopt de Golf met daarachter de bedrijfsauto. De drie inzittenden stappen uit en komen op de auto van aangever af. Een van de drie tracht het portier aan de bestuurderszijde te openen. Het zijraam bij de plaats van de bijrijder wordt door één van de daders ingeslagen met een zeer grote schroevendraaier. Ook wordt tegen de bestuurder geroepen dat deze doodgemaakt zal worden. Op een gegeven moment ziet het slachtoffer dat een van de daders uit een binnenzak een zwart vuistvuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp trekt en op hem richt. Nadat het slachtoffer tevergeefs heeft getracht weg te rijden duikt hij eerst weg in zijn auto welke hij vervolgens verlaat. Verdachte rent weg en wordt gedurende enige tijd door een of meer van de daders achtervolgd. Op een gegeven moment ziet het slachtoffer kans zich te verstoppen in de laadruimte van een auto van een glaszettersbedrijf.

Het hof zal een aanmerkelijk hogere straf opleggen dan in eerste aanleg is geschied (een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden) en in hoger beroep is gevorderd. Daartoe geldt het volgende. De bewezenverklaarde feiten zijn voor het slachtoffer buitengewoon bedreigend en schokkend geweest. Het slachtoffer heeft gedurende langere tijd daarvan ernstige gevolgen ondervonden. Hij heeft een andere auto genomen omdat hij bang was dat hij door de daders herkend zou kunnen worden wanneer hij de auto zou blijven gebruiken waarin hij reed op de bewuste dag. Het slachtoffer heeft enige tijd in zijn bedrijf geen zakelijke relatie willen aangaan met (potentiële) klanten met een Marokkaans uiterlijk omdat volgens het slachtoffer de daders een dergelijk uiterlijk hadden.

Tijdens het verhoor van de getuige ter terechtzitting heeft het hof kunnen waarnemen dat de getuige, alhoewel de verdachten hem niet konden zien, een zeer angstige indruk maakte. De ernst van de hierboven beschreven gebeurtenissen staat zodanig niet in verhouding met de gestelde verkeersfout van aangever dat de vraag rijst of de drie verdachten niet eenvoudigweg op zoek zijn gegaan naar een aanleiding om beide feiten te plegen. Dit geldt temeer nu zij direct over een vuurwapen en een als slagwapen te gebruiken schroevendraaier bleken te beschikken.

De bewezenverklaarde feiten zijn niet alleen voor het slachtoffer schokkend geweest maar ook voor de andere weggebruikers die daarmee werden geconfronteerd. Dergelijke feiten dragen bovendien bij aan algemene gevoelens van onveiligheid.

Bij de bepaling van de straf zijn het hof geen matigende omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte gebleken.

Het hof is van oordeel dat aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten onvoldoende recht gedaan wordt met de door de advocaat-generaal gevorderde straf. Het hof is van oordeel dat niet kan worden volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf van kortere duur dan na te melden. Die straf is passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57, 63, 141 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 telastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr Nunnikhoven, voorzitter,

mrs Dee en Verheugt, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr Schellekens, griffier,

en op 21 maart 2003 ter openbare terechtzitting uitgesproken.