Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AF6041

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-02-2003
Datum publicatie
20-03-2003
Zaaknummer
01/01172
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 600
FutD 2003-0572
V-N 2004/6.35

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 01/01172 (afvalstoffenbelasting)

U i t s p r a a k

op het beroep van Burgemeester en Wethouders van de gemeente [X] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen [P] (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan haar opgelegde naheffingsaanslag in de afvalstoffenbelasting.

Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Aan belanghebbende is voor het tijdvak 1 januari 1995 tot en met 31 december 1995 een naheffingsaanslag afvalstoffenbelasting opgelegd met dagtekening 20 december 2000 en onder nummer [01] tot een bedrag van ƒ 790.879 en onder toepassing van een heffingsrente ten belope van ƒ 123.080.

1.2. Op het tijdig ingediende bezwaarschrift heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag aan belasting van ƒ 163.023 en onder toepassing van een bedrag aan heffingsrente van ƒ 25.370.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft voorts een conclusie van repliek ingediend en de Inspecteur een conclusie van dupliek. Bedoelde stukken behoren tot de stukken van dit geding.

1.4. Partijen hebben (belanghebbende bij brief van 18 oktober 2002 en de Inspecteur bij conclusie van dupliek) medegedeeld te willen afzien van een mondelinge behandeling.

Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. De gemeente [X] exploiteert met vergunning van laatstelijk de provincie [Q] een vuilstortplaats (hierna: de vuilstortplaats). Tot 1 maart 1995 werd ter plaatse het afval van de gemeenten [X, R en S] gedeponeerd. Vanaf 1 maart 1995 werd het desbetreffende terrein uitsluitend nog gebruikt voor overslag van bedoeld afval ter vervoer naar elders.

2.2. Bij een in januari 2001 bij belanghebbende gehouden boekenonderzoek betreffende de exploitatie van de vuilstortplaats bleek - voor zover thans nog van belang - het volgende.

2.2.1. De tot de boekhouding behorende weeggegevens wijzen uit dat in de maanden januari en februari 1995 in totaal 5583 ton aan aangeleverde stoffen is gewogen, waarvoor belanghebbende geen aangifte afvalstoffenbelasting heeft gedaan. Voornoemd getal kan als volgt worden gespecificeerd:

ton belasting ƒ belasting €

5.3. afdekmateriaal compost 528 15.426 7.000

5.4. zeefafval compost 740 21.597 9.801

5.5. Composteerbaar afval en groen 82 2.404 1.091

5.6. Afdek-funderingsmateriaal 3.568 104.190 47.279

5.7. Zuiveringscompost 611 17.841 8.096

5.8. Veegafval funderingsmateriaal 23 672 305

5.9. Puingranulaat 31 905 411

5.583 163.036 73.982

2.2.2. Het (hiervoor onder 5.6 aangeduide) afdek- funderingsmateriaal van 3568 ton betreft in de maanden januari en februari 1995 aan de vuilstortplaats afgeleverd zand en grond. Belanghebbende heeft voor deze materialen geen prijs betaald.

2.3. Bij uitspraak heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd voor zover betrekking hebbend op voornoemde 5583 ton.

2.4. In beroep bestrijdt belanghebbende blijkbaar uitsluitend dat deel van de naheffingsaanslag dat betrekking heeft op 3568 ton aangeleverd afdek- funderingsmateriaal. De berekening als zodanig van de nageheven belasting is tussen partijen niet in geschil.

3. Geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de hiervoor reeds vermelde 3568 ton aan afdek- funderingsmateriaal door de Inspecteur terecht als afvalstoffen in de zin van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: de Wet) zijn beschouwd, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoord op de respectievelijke gronden welke zij daartoe in de van hen afkomstige stukken hebben aangevoerd.

3.2. Belanghebbende concludeert naar het Hof aanneemt tot vermindering van de naheffingsaanslag met een bedrag van ƒ 104.186 (3568 ton à ƒ 29,20) tot een belastingbedrag van ƒ 58.837 onder overeenkomstige vermindering van heffingsrente, terwijl de Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

4. Overwegende omtrent het geschil

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de vuilstortplaats een inrichting is als bedoeld in artikel 12, lid 1, aanhef en onderdeel e, van de Wet en dat de gemeente [X] houder is van deze inrichting.

4.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 13, lid 1, aanhef en onderdeel a alsmede lid 2 wordt onder de naam afvalstoffenbelasting een belasting geheven ter zake van de afgifte ter definitieve verwijdering van afvalstoffen aan een inrichting en worden de aan een inrichting afgegeven afvalstoffen geacht alle te zijn afgegeven ter definitieve verwijdering.

4.3. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 14 en 16, aanhef en onderdeel a van de Wet wordt de belasting geheven van de houder van de inrichting en wordt zij verschuldigd op het tijdstip waarop de afvalstoffen ter definitieve verwijdering worden afgegeven.

4.4. Voorts moet ingevolge het bepaalde in artikel 12, lid 1, aanhef en onderdeel a der Wet zoals deze bepaling gedurende het naheffingstijdvak luidt onder afvalstoffen worden begrepen huis-houdelijke afvalstoffen, bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen in de zin van de Wet Milieubeheer. Blijkens artikel 1.1, lid 1, van deze Wet wordt onder afvalstoffen verstaan alle stoffen, preparaten of andere producten waarvan de houder zich - met het oog op de verwijdering daarvan - ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

4.5. Belanghebbende neemt kennelijk het standpunt in dat de Inspecteur heeft nageheven over (een deel van) de 6500 m³ schone grond die de Stichting [A] in het naheffingstijdvak met het oog op de afdekking van de vuilstortplaats haar tegen betaling heeft geleverd en dat, waar het hier schone grond betreft, geen sprake is van afvalstoffen en derhalve in zoverre ten onrechte is nageheven.

4.6. De Inspecteur bevestigt zijnerzijds dat de desbetreffende levering niet bestreken wordt door de Wet. Zijn stelling echter dat de onderhavige 3568 ton geen onderdeel van die levering uitmaken, maar een afzonderlijk te beschouwen afgifte van afvalstoffen betreft als bedoeld in artikel 13, lid 1 en lid 2 voornoemd, maakt hij alleszins aannemelijk.

Hij voert immers onweersproken aan dat belanghebbende voor deze "levering" geen prijs heeft betaald zodat deze niet de levering betreft door belanghebbende in 4.5 genoemd en verwijst daarbij naar de ter zake door belanghebbende zelf gegeven schriftelijke toelichting op de administratieve verwerking van de onderhavige afgiften.

4.7. In hetgeen belanghebbende voorts ter zake van de onderhavige afgifte van in totaal 3568 ton heeft vermeld, volgt niet, noch is zulks langs andere weg aannemelijk geworden, dat deze afgifte niet als een belaste afgifte van afvalstoffen beschouwd moet worden. Het Hof heeft hierbij gelet op het arrest van de Hoge Raad van 10 augustus 2001, nr. 34 501, (BNB 2002/206) waar de Hoge Raad onder meer heeft overwogen:

"3.3.4. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 juni 2000 in de gevoegde zaken C-418/97 en C-419/97, gepubliceerd in AB 2000, 311, blijkt, voorzover hier van belang, dat bij de uitleg van het begrip afvalstof voor de kaderrichtlijn afvalstoffen de toekomstige bestemming van een voorwerp of een stof niet van invloed is op het karakter van afvalstof van die stof (par. 64), dat het begrip afvalstof niet zo beperkt moet worden opgevat dat daaronder niet vallen stoffen en voorwerpen die op milieuhygiënisch verantwoorde wijze en zonder ingrijpende bewerking nuttig kunnen worden toegepast als brandstof (par. 65), en dat maatschappelijke opvattingen niet ter zake dienend zijn, doch wel een aanwijzing kunnen zijn dat sprake is van een afvalstof (par. 71)."

5. Belanghebbendes beroep is derhalve ongegrond.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak, waarvan beroep.

Aldus gedaan te Arnhem op 20 februari 2003 door mr. N.E. Haas, vice-president, voorzitter, mr. drs. F.J.P.M. Haas en mr. drs. Van Amsterdam, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. Delnooz-Engels als griffier.

(J.H.M. Delnooz-Engels) (N.E. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 20 februari 2003

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.