Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AF6026

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-02-2003
Datum publicatie
20-03-2003
Zaaknummer
00-02275
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 574
FutD 2003-0584

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Derde meervoudige belastingkamer

nummer 00/02275 (inkomstenbelasting)

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (Canada), (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid belastingdienst/Ondernemingen [P], op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. De aanslag is, in afwijking van de door belanghebbende ingediende aangifte, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 964.092.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Nadat het Hof partijen had uitgenodigd voor de mondelinge behandeling zijn door hen nog nadere stukken ingediend, van welke stukken de wederpartij afschriften heeft ontvangen. Deze stukken zijn tot de gedingstukken gerekend.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 26 november 2002 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord [belanghebbendes gemachtigde, vergezeld door taxateur A, alsmede de Inspecteur, vergezeld door taxateur B].

1.6. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft de Inspecteur bij zijn pleitnota een aantal bijlagen overgelegd.

1.7. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een kopie aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende dreef samen met [zijn broer] (hierna tezamen te noemen: belanghebbenden) in maatschapsverband een landbouwbedrijf, gelegen aan de [a-weg 1 te Q]. In 1996 hebben zij deze onderneming gestaakt.

2.2. In april 1996 heeft belanghebbende met [C BV], welke vennootschap zich bezighoudt met kleiwinning ten behoeve van de baksteenindustrie, een overeenkomst gesloten waarin onder meer het volgende staat vermeld:

' (…)

1. [C BV] mag op de percelen van [X], ca 24.50.00 ha. onderzoek doen naar de kwaliteit van de klei. De eventueel hierdoor ontstane schade wordt door [C BV] aan [X], vergoed.

2. Indien de kleikwaliteit en hoeveelheid beantwoord aan de verwachting van [C BV] dan koopt [C BV] het landbouwbedrijf van [X], een en ander zoals beschreven in "Berekening verkoopwaarden maatschap [X]," voor de prijs van f. 2.880.000,-- (…).

3. Uiterlijk 2 maanden na dagtekening van deze overeenkomst zal [C BV] het besluit hebben genomen om wel of niet voor het in lid 2 genoemde bedrag te kopen. Indien [C BV] besluit te kopen dan zal zo spoedig mogelijk overleg tussen partijen plaatsvinden.

4. Indien tot koop wordt besloten krijgt [X], van [C BV] het recht op basis van éénjarige pacht gedurende nog 2 jaar het bedrijf te pachten tegen een redelijke marktconforme pachtvergoeding.

5. Tevens kan [X], 25.00.00 ha in de [b-waard] op basis van éénjarige pacht, pachten van [C BV], eveneens voor een periode van 2 jaar.

6. Indien binnen 2 jaar na dagtekening ontgrondingswerkzaamheden kunnen plaatsvinden op de in deze overeenkomst genoemde percelen, dan zal [X], hieraan medewerking verlenen en [C BV] zal dan de in gebruikgenomen percelen compenseren.

(…)'

2.3. Vervolgens hebben [C BV] en belanghebbenden, alsmede hun echtgenoten een koopovereenkomst ondertekend, welke overeenkomst volgens de hierna te noemen akte van levering is aangegaan op 19 december 1996. In deze overeenkomst is onder meer het navolgende opgenomen:

' (…)

die verklaart van verkoper te hebben gekocht:

de boerderij met opstallen, erf, tuin, bouw- en weiland aan de [a-weg 1 te Q] (…)

KOOPPRIJS

De totale koopprijs van het verkochte bedraagt:

twee miljoen achthonderdtachtigduizend gulden

(f. 2.880.000,00), te weten:

- f. 1.959.000 (… voor de cultuurgronden inclusief na te melden mest- en bietenquotum;)

- (…)

feitelijke levering, staat van het verkochte

Artikel 5

1. (…)

5. Koper is voornemens het registergoed te gebruiken voor ontginning van grondstoffen en na hercultivering weer aanwenden voor agrarische gebruik.

(…)

doorverkoop

Artikel 17

1. Ingeval de koper het verkochte heeft doorverkocht, en hij zulks wenst, zal de verkoper meewerken aan de akte waarbij de eigendom rechtstreeks aan de uiteindelijke koper wordt geleverd (via A-B-C akte).

(…)

bijzondere bepalingen

Artikel 18

1. (…)

2. Betaling koopsom

De koopsom zal, in afwijking van het in artikel 3 lid 2 bepaalde doch wel op de in artikel 3 omschreven wijze - door koper aan verkoper alsvolgt worden voldaan:

a. bij ondertekening van deze overeenkomst een bedrag van (…) (f. 2.530.000,00) (…)

b. op de datum waarop verkoper het verkochte leeg en ontruimd ter beschikking van koper stelt een bedrag van (…) (f. 350.000,00);

de in dit lid bedoelde ter beschikkingstelling (aflevering) dient door verkoper plaats te vinden uiterlijk op 1 november 1998;

(…)'.

2.4. Op 1 mei 1997 heeft [C BV] de onroerende zaken aan de [a-weg 1 te Q] doorverkocht aan koper] voor een prijs van ƒ 1.500.000. [Koper] heeft deze onroerende zaken gekocht voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

2.5. Op 6 april 1998 is de akte van levering gepasseerd waarbij belanghebbenden (in deze akte genoemd: verkoper) de onroerende zaken rechtstreeks aan [koper] (in deze akte genoemd: koper) leveren. In deze akte is, voor zover hier van belang, het navolgende vermeld:

' (…)

TICHELRECHTEN

Door verkoper worden ten aanzien van het verkochte, ten behoeve van [C BV], namens wie de comparant sub 2 aanvaardt, voorbehouden alle tichelrechten en de eigendom van de te winnen delfstoffen, terzake waarvan [C BV] ontgrondingsvergunningen heeft verkregen danwel zal verkrijgen.

Koper verplicht zich nu en in de toekomst mee te werken aan het verkrijgen van- danwel geen bezwaar te maken tegen de door [C BV] aan te vragen ontgrindingsvergunningen. (…)

ERFDIENSTBAARHEID VAN WEG

[C BV] en koper verklaarden bij deze te vestigen en aan te nemen ten laste van het verkochte en ten behoeve van die percelen waarvoor [C BV] ontgrondingsvergunningen heeft verkregen, de erfdienstbaarheid van weg, (…)

De weg zal worden aangelegd en onderhouden door [C BV] en kan worden gebruikt voor de uitoefening van de bedrijfsdoeleinden van [C BV] (…)

De erfdienstbaarheid van weg eindigt zodra [C BV] deze uitweg niet meer behoeft voor de uitoefening van zijn bedrijfsdoeleinden (…)'.

2.6. Belanghebbende heeft voor het jaar 1996 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van (na toevoeging aan de FOR van ƒ 45.207) ƒ 739.717. In deze aangifte heeft hij ter zake van de aan [C] verkochte onroerende zaken voor een bedrag van ƒ 836.306 een beroep gedaan op de landbouwvrijstelling.

2.7. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur het belastbare inkomen verhoogd met ƒ 224.375, te weten:

- een bedrag van ƒ 218.000 aan bestemmingswijzigingswinst van de cultuurgrond; en

- een bedrag van ƒ 6.375 aan bestemmingswijzigingswinst van de ondergrond van de bedrijfsgebouwen.

De laatstgenoemde bijtelling is door belanghebbende geaccepteerd.

2.8. De Inspecteur is bij het bepalen van de hoogte van de bestemmingswijzigingswinst voor de cultuurgrond uitgegaan van een waarde in het economische verkeer (hierna ook: WEV) van ƒ 1.911.000. Dit is de koopprijs die [C] voor deze grond heeft betaald, exclusief het mest- en bietenquotum. Hierop heeft hij de waarde in het economische verkeer bij voortgezette agrarische bestemming (hierna ook: WEVAB), welke door hem is vastgesteld op ƒ 1.472.668, afgerond tot op ƒ 1.475.000, in mindering gebracht. De bestemmingswijzigingswinst is door de Inspecteur derhalve berekend op ƒ 436.000 (in plaats van op ƒ 438.332). In deze winst is belanghebbende voor de helft, oftewel ƒ 218.000, gerechtigd.

2.9. Voor de berekening van de bestemmingswijzigingswinst heeft de Inspecteur de brief van 9 juni 1997 (bijlage 2 bij het verweerschrift) van taxateur [B] tot uitgangspunt genomen. In deze brief is onder meer het navolgende vermeld:

' (…)

Uitgaande van ca. 1.5 ha ondergrond en erf gebouwen bedraagt de oppervlakte van de cultuurgronden 23.56.27 ha. De betaalde prijs is f1.911.000,-, = ca. f 8,11 p.m2. Dit is geen agrarische waarde meer en neem aan een vergoeding voor de klei bevat.

De wevab kan gesteld worden op f1.475.000,- (ca. f 6,25 p.m2).

(…)'.

2.10. Een nadere onderbouwing van deze waarde is opgenomen in de uitspraak op bezwaar van 10 november 2000 waarin onder meer het volgende staat vermeld:

' De door [C BV] betaalde WEV-prijs voor de cultuurgrond van circa f 8,11 per m2 was voor de Belastingdienst aanleiding om de rijkstaxateur, de heer [B], een onderzoek naar de WEVAB-waarde en de hoogte van de eventueel gerealiseerde bestemmingswijzigingswinst van de verkochte grond te laten instellen. Hij heeft in zijn onderzoek van juni 1997 de volgende transacties van agrariërs betrokken:

Datum (…) Grootte Prijs per m2 Omschrijving

12-05-1995 (…) 1.78.84 ha f 5,60 Nabij de [a-weg]

03-04-1996 (…) 2.23.70 ha f 6,30 Langs [c-wetering]

04-04-1997 (…) 1.88.30 ha f 3,50 [d-waard]

03-04-1996 (…) 2.33.02 ha f 3,79 [rivier-e te S]

22-05-1997 (…) 0.94.90 ha f 6,00 [f-waard]

14-06-1995 (…) 0.60.75 ha f 5,97 [a-weg]

01-05-1997 (…) 0.62.30 ha f 4,00 [a-weg]

29-04-1996 (…) 8.01.80 ha f 5,90 [g-dijk]

en [h-weg]

(…)

Deze transacties kunnen nog aangevuld worden met de volgende verkopen van cultuurgrond aan Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL):

1. Datum: medio 1996 (minnelijke taxatie d.d. februari 1997), ligging: aan en nabij de [c-dijk te R] (…) grootte 3.69.40 ha, WEVAB-prijs f 5.14 per m2 (WEV f 6,17) (…) grootte 6.98.60 ha, WEVAB-prijs f 4,51 per m2 (WEV f 5,44) en overige percelen ter grootte van 4.77.75 ha voor een WEVAB-prijs van f 6,28 per m2 (WEV f 7,63).

2. Datum: 28 mei 1998, ligging aan en nabij de [c-weg te T]. In totaal 33.27.90 ha cultuurgrond voor een WEV-prijs van f 6,14 per m2.

(…)'.

2.11. Ook belanghebbende is uitgegaan van een waarde in het economische verkeer voor de cultuurgrond van ƒ 1.911.000. Voor de WEVAB van de cultuurgrond, alsmede voor de oppervlakte daarvan, heeft belanghebbende zich aangesloten bij het gestelde in het taxatierapport van [december 2000 opgemaakt door taxateurs D en A] (bijlage 2 bij de motivering van het beroepschrift), waarin onder meer het navolgende is vermeld:

'TAXATIERAPPORT

(…)

inzake de waardering van onroerende zaken, uitsluitend cultuurgrond (…) in verband met de staking van de melkveehouderij, per peildatum verkoop, zijnde 19 april 1996 met een juridische levering van 6 april 1998.

(…)

In de vergelijkbare grondverkopen van de heer [B] ontbreekt de transactie van [E te R] met BBL per 15 november 1996. Dit is mijns inziens het enige perceel van redelijke omvang, zijnde 9.99.50 ha, in de directe nabijheid van onderhavige te taxeren gronden, met een gelijkwaardige kwaliteit.

(…)

De aankoop van bovengemelde 9.99.50 ha is geschied voor ƒ 7,-- per centiare.

(…)

Onverlet de reeds gedane splitsing in oppervlakten is door ondergetekenden geconstateerd dat de ondergrond/het erf in absoluut te klein is gesteld. Het onderhavige erf is minimaal ca. 1.26.20 ha en niet ca. 0.56.20 ha.

(…)

TAXATIE:

Rekening houdende met het vorenstaande en verder met alle voor de waardebepaling van belang zijnde factoren wordt van de vooromschreven onroerende zaak door ondergetekenden de waarde bij voortgezet agrarisch gebruik als volgt geschat:

(…)

- Vooromschreven cultuurgrond, ca. 23.80.00 ha, afgerond ƒ 1.780.000

(…)'.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

a. valt de winst die belanghebbende heeft behaald met de verkoop van de cultuurgrond onder de landbouwvrijstelling; en zo nee,

b. hoe groot is de winst die wegens de bestemmingswijziging van de cultuurgrond in de heffing moet worden betrokken.

De oppervlakte van de cultuurgrond is niet meer in geschil nu de Inspecteur ter zitting heeft verklaard in te kunnen stemmen met een oppervlakte van 23.80.00 ha waarvan belanghebbende is uitgegaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Daaraan is ter zitting toegevoegd (zakelijk weergegeven):

Namens belanghebbenden:

De heer [F] is destijds bij de transactie betrokken geweest. Hij kan bevestigen dat de overeenkomst zoals die met belanghebbenden gesloten is, afwijkt van de overeenkomsten die [C BV] normaal gesproken aangaat.

Op het moment van aankoop had [C BV] de grond nodig als ruilgrond. Om die reden is een bedrag boven de WEVAB betaald, ook al speelden de tichelrechten nog een rol op de achtergrond. Dit is altijd het geval bij een dergelijke onderneming. De bepaling met betrekking tot het gebruik van tichelrechten wordt door [C BV] standaard in akten opgenomen.

De gemachtigde van belanghebbenden verklaart dat hij niet betrokken is geweest bij de transactie tussen C BV] en [koper]. Waarom [C BV] de gronden voor zo'n laag bedrag aan [koper] heeft verkocht wil [C BV] aan hem niet kenbaar maken.

De grond had de juiste oppervlakte en daarnaast vertrok één van de belanghebbenden naar Canada. [C BV] doet altijd onderzoek omdat bij aanwezigheid van klei in de grond geprofiteerd wordt van twee zaken, namelijk dat de grond kan dienen als ruilgrond én dat deze afgeticheld kan worden.

De gemachtigde gaat voor wat betreft de oppervlakte van de cultuurgrond uit van 23.80.00 ha, zoals ook staat vermeld in het door hem overgelegde taxatierapport. Ook voor het overige sluit hij zich bij dit rapport aan.

Door de taxateur [A]:

Op het moment dat [C BV] de gronden van belanghebbenden kocht was sprake van een verkopersmarkt. [C BV] was blij dat er geschikte ruilgrond gevonden werd. Hij was zelf in die periode ook op zoek naar een bedrijf voor een cliënt en heeft toen ook nog bij belanghebbenden geïnformeerd. Deze cliënt was echter op zoek naar een perceel ter grootte van 40 ha. De prijs per m² bedroeg toen ƒ 7,50. De opdracht die hij van deze cliënt kreeg heeft hij niet bij zich.

Ter toelichting op het door de gemachtigde van belanghebbenden overgelegde rapport verklaart taxateur [A]:

- zijn opdracht bestond eruit 24.50 ha. cultuurgrond te waarderen. Toen hij echter ter plaatse ging taxeren bleek het erf groter te zijn, zodat er minder cultuurgrond overbleef. Vandaar ook dat hij op bladzijde 3 van zijn taxatierapport een correctie heeft toegepast in verband met de grotere omvang/oppervlakte van het erf;

- de taxateur van de belastingdienst betrekt bij de waardebepaling de verkoopprijzen van losse percelen. Dit is onjuist. Naar zijn mening moet de verkoop van de grond door [E] (10 ha voor ƒ 7) als uitgangspunt dienen. Deze grond werd door Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL) aangekocht als ruilgrond;

- hij weerspreekt de stelling van de Inspecteur dat BBL meer betaalde dan de WEVAB. BBL heeft namelijk van de overheid de opdracht meegekregen om de agrarische waarde te betalen;

- een groter perceel heeft naar verhouding een hogere waarde dan een kleiner perceel. Bij het bepalen van de waarde speelt ook de kwaliteit van de grond een rol. Deze is in dit geval hoog.

Het was hem niet bekend dat alle gegadigden voor de grond niet agrariërs waren.

Door de Inspecteur:

Uit de stukken blijkt dat [C BV] de gronden primair heeft aangekocht met het oog op de winning van klei. In de zomer van 1996 is [C BV] hierover met de Provincie gaan praten. [C BV] was ook al feitelijk bezig met de voorbereidingen voor de kleiwinning. Voordat de koopovereenkomst werd gesloten zijn proefboringen gedaan.

De reden waarom [C BV] de gronden voor zo'n laag bedrag aan [koper] heeft verkocht is bij hem niet bekend, aangezien deze transactie viel onder de competentie van een andere Inspecteur. Wel heeft hij begrepen dat het aftichelen van de grond daar niet speelde, maar dat de grond alleen door [C BV] is verworven om te kunnen dienen als slibdepot.

De Inspecteur geeft aan dat hij akkoord kan gaan met een oppervlakte van 23.80.00 ha aan cultuurgrond, zoals belanghebbenden voorstaan.

3.3. Belanghebbende concludeert nader, naar het Hof uit de pleitnotities en de overige stukken begrijpt:

- primair tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 746.092;

- subsidiair tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 759.092, en

- meer subsidiair tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 811.592.

De Inspecteur concludeert daarentegen:

- primair tot bevestiging van de uitspraak waarvan beroep en handhaving van de aanslag;

- subsidiair tot vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 820.465;

- meer subsidiair tot vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 811.592, en

- meer meer subsidiar tot vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 759.092.

4. Beoordeling van het geschil

a. Overwegingen met betrekking tot de landbouwvrijstelling

4.1. Artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) bepaalt: (tekst 1996)

' Tot de winst behoren niet:

a. (…)

b. voordelen uit landbouwbedrijf ter zake van waardeveranderingen van gronden - daaronder begrepen de ondergrond van gebouwen -, behoudens voor zover de waardeverandering in de uitoefening van het bedrijf is ontstaan of verband houdt met de omstandigheid dat de grond voortaan of waarschijnlijk binnenkort buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf zal worden aangewend;'

Onder 'waarschijnlijk' moet worden verstaan 'het bestaan van een redelijke kans' (vergelijk Hoge Raad 27 augustus 1997, nr. 32 480, BNB 1997/372).

4.2. In het derde lid van voormeld artikel is het begrip landbouwbedrijf als volgt gedefinieerd:

'(…) een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van produkten van akkerbouw, van weidegrond of van tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen, bloembollen en paddestoelen - dan wel op het in het kader van de veehouderij fokken, mesten of houden van dieren. (…)'.

4.3. Het Hof is op grond van de hiervoor onder 2.2. tot en met 2.5. weergegeven feiten en hetgeen door partijen ter zitting naar voren is gebracht van oordeel dat er ten tijde van de verkoop aan [C BV] een redelijke kans bestond dat de cultuurgrond binnenkort (binnen 6 jaar) buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf zou worden aangewend, en wel voor de winning van klei.

4.4. De verklaring van [de directeur] van [C BV], in zijn brief van 21 november 2002 aan [belanghebbendes accountant], dat [C BV] primair op zoek was naar ruilgrond, doet aan het vorenstaande niet af. Ook voor dat geval is naar het oordeel van het Hof aannemelijk dat de mogelijkheid om klei te winnen voor [C BV] een belangrijke reden is geweest om tot aankoop van de percelen, waaronder het perceel cultuurgrond, over te gaan. Pas nadat [C BV] onderzoek had gedaan naar de kleikwaliteit en de hoeveelheid daarvan heeft zij immers besloten om tot aankoop van de percelen over te gaan. Dat daarnaast ook de mogelijkheid om de percelen als ruilgrond te gebruiken een belangrijke rol heeft gespeeld bij de beslissing om tot aankoop over te gaan verandert niets aan de omstandigheid dat [C BV] de grond mede met het oog op de winning van klei heeft aangekocht, welke aanwending valt buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet.

4.5. Ook hetgeen belanghebbende overigens nog naar voren heeft gebracht doet aan het hiervoor onder 4.3. weergegeven niet af.

4.6. Op grond van het vorenstaande is het Hof van oordeel dat de Inspecteur de landbouwvrijstelling terecht niet heeft toegepast.

b. Overwegingen met betrekking tot de bestemmingswijzigingswinst

4.7. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord hoe groot de bestemmingswijzigings-winst is. Tussen partijen is niet in geschil dat deze gesteld moet worden op het verschil tussen de WEV van ƒ 1.911.000 en de WEVAB van de cultuurgrond.

4.8. De Inspecteur is uitgegaan van een WEVAB van ƒ 1.472.668, hetgeen bij een oppervlakte van 23.80.00 ha. neerkomt op een prijs per m² van ƒ 6,19. Hierbij heeft hij een achttal transacties waarbij grond aan agrariërs is verkocht in aanmerking genomen en een tweetal transacties waarbij grond aan het Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL) is verkocht. Deze verkooptransacties geven naar het oordeel van het Hof ondersteuning aan de door de Inspecteur verdedigde waarde.

4.9. Belanghebbende verdedigt een WEVAB van de cultuurgrond van ƒ 1.780.000, oftewel ƒ 7,49 per m².

4.10. Ter onderbouwing van deze waarde wijst belanghebbende op de verkoop op 15 november 1996 van een perceel met een oppervlakte van 9.99.50 ha aan het BBL voor ƒ 7 per m², welke verkoop de Inspecteur niet in aanmerking heeft genomen. Het Hof is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de Inspecteur deze transactie buiten beschouwing heeft gelaten onvoldoende is om te kunnen concluderen dat hij de WEVAB tot een te laag bedrag heeft vastgesteld. De Inspecteur heeft in dat verband immers gesteld, hetgeen door belanghebbende niet is betwist, dat in de prijs van ƒ 7 per m² de voor rekening van de verkoper komende kosten voor het rooien van de fruitbomenopstand is begrepen. Ook heeft belanghebbende voor het overige geen verkooptransacties genoemd die ondersteuning geven aan de door hem verdedigde waarde.

4.11. Voor zover belanghebbende zou willen stellen dat de grondverkopen waarnaar de Inspecteur verwijst niet kunnen dienen als onderbouwing van de door de Inspecteur verdedigde waarde, kan deze stelling niet slagen nu deze niet dan wel onvoldoende is onderbouwd. Ook hetgeen belanghebbende overigens nog naar voren heeft gebracht kan niet leiden tot de conclusie dat de WEVAB door de Inspecteur op een te laag bedrag is vastgesteld.

4.12. Het Hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de Inspecteur de door hem verdedigde WEVAB van de cultuurgrond voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Hetgeen belanghebbende daartegenover heeft gesteld is onvoldoende om te kunnen concluderen tot een hogere WEVAB.

5. Slotsom

Het beroep is ongegrond.

6. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het Hof geen termen aanwezig.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Aldus gedaan te Arnhem op 14 februari 2003 door mr. M.C.M. de Kroon, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. H.E. Koning, raadsheren, in tegenwoordigheid van M.C.G.J. van Well als griffier en op die datum in het openbaar uitgesproken door de voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

(M.C.M. de Kroon)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 14 februari 2003

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.