Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AF4574

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-01-2003
Datum publicatie
18-02-2003
Zaaknummer
99-03618
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/29.6 met annotatie van Redactie
V-N 2003/12.3.1
FutD 2003-0374
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

tweede meervoudige belastingkamer

nummer 99/03618 (inkomstenbelasting)

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem voor het jaar 1995 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. De aanslag, genummerd [01.H56] en gedagtekend 31 augustus 1999, is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 0.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak van 16 november 1999 de aanslag gehandhaafd.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift met bijlagen is ter griffie ontvangen op 15 december 1999.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren voorts het verweerschrift en de daarin genoemde bijlagen, alsmede de conclusies van re- en dupliek met de daarin genoemde bijlagen.

2.3. Op 31 oktober 2001 is een mondelinge behandeling gehouden door de tweede enkelvoudige belastingkamer. Daarbij zijn verschenen [belanghebbendes gemachtigde, vergezeld door belanghebbende en diens vader, alsmede de Inspecteur].

2.4. Aan het slot van de zitting heeft de tweede enkelvoudige belastingkamer het onderzoek ter zitting geschorst, partijen verzocht nadere inlichtingen te verstrekken en aangekondigd dat de zaak na afronding van de inlichtingenprocedure ter verdere behandeling zal worden verwezen naar de meervoudige belastingkamer van het Hof.

2.5. Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming gegeven zonder nadere mondelinge behandeling van de zaak uitspraak te doen. Het Hof heeft het onderzoek vervolgens op de voet van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.

3. De vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet weersproken, de volgende feiten vast.

3.1. Belanghebbende, geboren op 26 maart 1976, was in het onderhavige jaar ongehuwd en had geen relatie.

3.2. In september 1994 is hij begonnen aan een opleiding tot verkeersvlieger in [Q] (Canada). Eind februari 1997 heeft hij deze opleiding succesvol afgerond.

3.3. Belanghebbende stond tot 7 september 1994 in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven als zijnde woonachtig op het adres van zijn ouders te [Z].

Op 7 september 1994 heeft hij zich laten uitschrijven uit de basisadministratie, naar eigen zeggen omdat dit een vereiste was voor het verkrijgen van het benodigde studentenvisum.

Per 13 maart 1997 stond hij weer ingeschreven op het adres van zijn ouders.

3.4. Met betrekking tot de periode vanaf half september 1994 tot en met februari 1997 is het volgende komen vast te staan:

- Belanghebbende verbleef gedurende de lesperioden in Canada. De perioden dat hij vrij was verbleef hij in Nederland om bij zijn familie en vrienden te zijn. Uit de door belanghebbendes gemachtigde verstrekte inlichtingen, ingekomen bij het Hof op 21 december 2001, blijkt dat belanghebbende in Nederland was van begin juli tot eind augustus 1995, van midden oktober 1995 tot begin maart 1996, en van half december 1996 tot begin januari 1997.

- In Canada beschikte hij bij aanvang van de opleiding over een (kleine) studentenkamer. Deze kamer heeft hij na een van de lesperioden opgezegd bij zijn vertrek naar Nederland. Na terugkeer in Canada heeft hij vervolgens een andere kamer heeft gehuurd.

- Gedurende de opleidingsperioden had belanghebbende zes dagen per week les van 08:00 uur tot ongeveer 22:00 uur.

- Het was belanghebbende niet toegestaan in Canada betaald werk te verrichten.

- Hij beschikte niet over een Canadese bankrekening. Voor zijn uitgaven gebruikte hij een creditcard van zijn vader.

- Belanghebbende bleef post ontvangen op het adres van zijn ouders.

3.5. Met dagtekening 27 mei 1998 heeft belanghebbende met een T-biljet voor het onderhavige jaar aangifte gedaan, leidend tot een belastbaar inkomen van negatief ƒ 38.200. De Inspecteur heeft de aangifte niet gevolgd en de aanslag vastgesteld naar een belastbaar inkomen van ƒ 0.

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld of de Inspecteur het belastbaar inkomen voor het onderhavige jaar terecht heeft vastgesteld op ƒ 0.

4.2. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd hetgeen is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4.3. Daaraan hebben zij ter zitting van 31 oktober 2001 toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4.4. Belanghebbende verzoekt vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot één, berekend naar een belastbaar inkomen van negatief ƒ 38.200.

4.5. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Nu belanghebbende aangifte heeft gedaan naar een negatief (belastbaar) inkomen, had de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag een verliesbeschikking moeten nemen, met vaststelling van het verlies op nihil. De Inspecteur heeft dit ten onrechte nagelaten.

Conform het nadere standpunt van de Inspecteur in deze procedure, zoals verwoord in zijn brief van 26 februari 2002, wordt om proceseconomische redenen ervan uitgegaan dat een dergelijke verliesbeschikking is genomen en worden het desbetreffende bezwaar en het onderhavige beroep aangemerkt als bezwaar en beroep tegen deze bij de aanslag vastgestelde verliesbeschikking.

5.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt de vraag waar iemand woont naar de omstandigheden beoordeeld.

5.3. In het algemeen zal voor een meerderjarige ongehuwde student zonder vaste relatie, die gedurende zijn studie verblijft in de plaats waar hij studeert, moeten worden geoordeeld dat de woonplaats - naar de maatstaf van gemeld artikel 4 - gelijk is aan die verblijfplaats.

5.4. De hiervoor bij de vaststaande feiten weergegeven omstandigheden - in hun onderling verband en samenhang bezien - geven het Hof onvoldoende aanleiding om desalniettemin tot het oordeel te komen dat belanghebbendes banden met [Z] van dien aard waren dat hij geacht moet worden in het onderhavige jaar aldaar te hebben gewoond.

Het Hof heeft daarbij met name in zijn oordeel betrokken dat belanghebbende zich heeft aangemeld voor een buitenlandse opleiding, dat de opleiding, die een periode van bijna 30 maanden in beslag nam, geheel in [Q] (Canada) heeft plaatsgevonden, en dat hij in die periode 22,5 maand daadwerkelijk in [Q] heeft doorgebracht, in een hem ter beschikking staande studentenkamer.

5.5. Dat belanghebbende in de periode van half september 1994 tot begin maart 1997 ook enkele kortere en langere perioden in Nederland op het adres van zijn ouders verbleef, en dat hij bij de aanvang van één van die perioden zijn studentenkamer had opgezegd, is naar het oordeel van het Hof onvoldoende om tot het tegendeel te concluderen. Ook gedurende die perioden lag het duurzame middelpunt van belanghebbendes persoonlijke levensbelangen in [Q], alwaar hij zijn opleiding volgde.

5.6. Gezien het voorgaande was belanghebbende in het onderhavige jaar niet binnenlands belastingplichtig, zodat er geen plaats is voor aftrek van de studiekosten.

Belanghebbende heeft voor het overige niets aangevoerd waaruit zou kunnen volgen dat zijn belastbaar inkomen desondanks tot een negatief bedrag zou moeten worden vastgesteld.

6. Slotsom

Het beroep van belanghebbende is ongegrond.

7. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het hof geen termen aanwezig.

8. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2003 door mr. Lamens, voorzitter, mr. Ettema, raadsheer en mr. drs. Nieuwenhuizen, plaatsvervangend raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. Van der Waerden als griffier.

(A.W.M. van der Waerden) (J. Lamens)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 24 januari 2003

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.