Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AF4081

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-02-2003
Datum publicatie
07-02-2003
Zaaknummer
21-001571-02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALM:2002:AE0935
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BD5013
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 21-001571-02

Uitspraak dd.: 7 februari 2003

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

economische kamer

Tussenarrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Almelo van 2 april 2002 in de strafzaak tegen

[R. J. B.]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie en de verdachte hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 januari 2003 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van hetgeen door de advocaat-generaal en door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het onderzoek is niet volledig geweest en zal daarom worden hervat. Het hof acht het noodzakelijk zich een ruimtelijke indruk te vormen van de omvang van het door de ramp getroffen gebied. Het hof zal derhalve de terechtzitting tijdelijk verplaatsen.

Verzoek tot het horen van getuigen en deskundigen

De verdediging heeft verzocht verschillende getuigen te horen die mogelijk zouden kunnen verklaren over het ontstaan van de brand die uiteindelijk heeft geleid tot de ramp in Enschede op 13 mei 2000. Zo het horen van deze getuigen niet van belang zou zijn voor het vaststellen van de feiten, dan zouden de verklaringen van deze getuigen in ieder geval van belang kunnen zijn voor de bepaling van de hoogte van de straf, aldus de verdediging.

Het is op zich juist dat de ramp aanleiding heeft gegeven tot het onderzoek naar alle telastegelegde feiten. Onder de aan verdachte telastegelegde feiten is er slechts één waarbij de ramp in de telastelegging een rol speelt en dat is feit 4 van de telastelegging. Voor het overige gaat de telastelegging over diverse vergrijpen tegen de milieuwetgeving, in het bijzonder het niet in acht nemen van veiligheidsvoorschriften, die zijn telastegelegd zonder dat daarbij enig verband met de ramp wordt gelegd.

Dat verband komt wel aan de orde in feit 4. Daar wordt verdachte, kort weergegeven, telastegelegd dat het aan de wijze van bedrijfsvoering en daarmee aan de medeschuld van SE Fireworks te wijten is dat een brand, toen die eenmaal was ontstaan, zich zo heeft kunnen ontwikkelen en/of uitbreiden dat een of meer explosies en/of branden zijn ontstaan met fatale gevolgen. Verdachte wordt voor de wijze van bedrijfsvoering als opdrachtgever of feitelijk leidinggever verantwoordelijk gesteld. Het op enige wijze ontstaan van de eerste brand (en dat impliceert noodzakelijkerwijze ook enige verbreiding daarvan) wordt aan SE Fireworks en verdachte niet verweten. Het hof kan voorshands dan ook niet inzien hoe het belang van de verdediging, ook op het punt van straftoemeting, kan zijn gediend met meer duidelijkheid over die aan hem niet verweten voorgeschiedenis. Dat zal hierna leiden tot afwijzing van een aantal verzoeken tot het horen van getuigen.

In zijn brief van 17 januari 2003 verzoekt de raadsman de getuigen [A. de V.], [J. P.], [A. de J.], [E.M. de J.], [B.J. S.], [R. Bi.], en [R. B.] te horen. Uit de toelichting op deze verzoeken blijkt dat de raadsman deze getuigen alleen wenst te horen over het ontstaan van de brand. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof het verzoek tot het horen van voormelde getuigen afwijzen, nu redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad.

Het hof zal het verzoek tot het horen van de getuigen [P. de V.], [W. P.], [ D. van de W.], [G.J. W.], [J.H. P.] en [C.E.A de R. van Z.] toewijzen.

De beslissing op het verzoek tot het horen van de getuigen [K. P.], [M. K.] en [J. H. ] zal het hof aanhouden tot na het horen van de getuige [ D. van de W.]. Voorts acht het hof het horen van de getuigen [H. K.] en [H. C.] noodzakelijk.

De advocaat-generaal heeft aangekondigd de deskundigen P.C.A.M. de Bruyn, E.G. de Jong en H. Hurenkamp te zullen oproepen. Het hof zal het verzoek tot het horen van de deskundigen F.W.J. Vos en P.J. Peeters, toewijzen. De beslissing op het verzoek tot het horen van de deskundigen I. Helsloot en M.H. Camp zal het hof aanhouden tot na het horen van voormelde deskundigen.

Verzoek tot nader onderzoek transport massa-explosief vuurwerk

Namens verdachte is verzocht een nader onderzoek te laten instellen naar het transport van vuurwerk van Duitsland naar TNO in Rijswijk dat eind juli 2000 in opdracht van het openbaar ministerie heeft plaatsgevonden. Bij dit transport zou bekend zijn geweest dat het mogelijk om massa-explosief vuurwerk ging, maar zou gehandeld zijn alsof de etikettering beslissend was voor de aard van het te vervoeren vuurwerk. Het openbaar ministerie zou bij het vervoer van dit vuurwerk, dat plaats vond na de ramp, hebben gehandeld op dezelfde wijze als verdachte wordt verweten.

Het hof zal dit verzoek afwijzen wegens gebrek aan noodzaak. Immers zelfs indien hetgeen de verdediging ter ondersteuning van het verzoek heeft aangevoerd juist zou zijn, is dit niet van belang met het oog op enige in deze strafzaak te nemen beslissing.

Red Flower in centre of rings

De raadsman brengt in zijn pleitnota voor de zitting van 24 januari 2003 onder de aanhef "wensen tot het verrichten van nader onderzoek", onder II "De aanwezigheid van het vuurwerkartikel Red Flower in centre of rings (RFcr)" een aantal stellingen naar voren. Deze stellingen leiden echter niet tot een zodanig gespecificeerd verzoek tot het laten verrichten van nader onderzoek, dat het hof hieromtrent een beslissing kan nemen.

Contra-expertise classificatie vuurwerk

De verdediging heeft verzocht om een contra-expertise ten aanzien van de classificatie van het vuurwerk. Daartoe is aangevoerd, kort weergeven, dat:

· het onderzoek niet zorgvuldig zou zijn geweest daar:

- de selectie van het vuurwerk niet zorgvuldig zou zijn geweest;

- de tests zouden zijn gericht op onderzoek naar de normering en de veiligheid van het vuurwerk waarbij bij gebrek aan informatie vuurwerk in de hoogste gevarenklasse is ingedeeld en daarmee in strafvorderlijk opzicht ongeschikt zouden zijn;

· er grote verschillen zouden zijn tussen de waarneming van effecten van vuurwerk door TNO Prins Maurits Laboratorium (TNO-PML) en Bundesanstalt für Materialforschung und -prüfung (BAM);

· de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld de testen bij te wonen.

In het kader van deze strafzaak zijn classificatietests verricht door TNO-PML te Oldenbroek en door TNO-PML en het BAM in Horstwalde (Duitsland). Deze tests zijn zo veel mogelijk uitgevoerd volgens de Recommendations on the Transport of Dangerous Goods; Manual of Tests and Criteria. Indien van deze door de Verenigde Naties aanbevolen testmethode is afgeweken, is dit in de rapportage toegelicht. TNO-PML en het BAM zijn in respectievelijk Nederland en Duitsland de door de wetgever aangewezen instanties voor dit type classificatieonderzoek. TNO-PML en het BAM hebben los van elkaar de testresultaten geïnterpreteerd en een classificatie aan de verschillende vuurwerkartikelen toegekend. Daarnaast zijn de vuurwerkartikelen geclassificeerd aan de hand van de door de National Resources Canada; Explosive Regulatory Division (NRC) gehanteerde criteria. De NRC is de instantie die in Canada is aangewezen voor het verrichten van dit type classificatieonderzoek.

De zich in het dossier bevindende rapportage bevat de classificatie van twee onafhankelijke instellingen voor wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast is de classificatie opgenomen die is opgesteld aan de hand van de criteria gehanteerd door een derde onderzoeksinstelling. De uitkomst van classificatie door TNO-PML, het BAM en de classificatie aan de hand van de criteria van het NCR is voor de meeste producten gelijk. Waar de uitkomsten verschillen is dit in zich in het dossier bevindende rapportage toegelicht.

Het vuurwerk dat is gebruikt bij de tests is grotendeels gekocht van afnemers van SE Fireworks dan wel afkomstig uit de in beslaggenomen containers met vuurwerk die na de ramp nog onderweg waren naar SE Fireworks. Voor zover er vuurwerk is aangekocht van Duitse bedrijven is de overeenkomst van dit vuurwerk met het vuurwerk dat lag opgeslagen bij SE Fireworks door middel van chemisch onderzoek vastgesteld. Derhalve is de onderbouwing van dit deel van het verzoek feitelijk onjuist.

Voorts vindt de opvatting van de verdediging dat zij in de gelegenheid had moeten worden gesteld voormeld wetenschappelijk onderzoek bij te wonen geen steun in het recht.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de wijze waarop het classificatieonderzoek heeft plaatsgevonden en gelet op de rapportage hieromtrent, op het recht van verdachte op een eerlijke procesvoering, als bedoeld in artikel 6 EVRM, geen inbreuk is gemaakt. Het hof zal het verzoek afwijzen.

BESLISSING

Het hof:

Bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat op 10 februari 2003 te 11.00 uur, waarbij de terechtzitting tijdelijk zal worden verplaatst naar Enschede, waar onder begeleiding van (een) ter zake deskundige(n) van de politie het rampgebied zal worden bezocht teneinde daarvan een ruimtelijke indruk te krijgen.

Verzoekt de advocaat-generaal de noodzakelijke voorbereidingen voor voormelde schouw te treffen, waaronder het markeren van het voormalige terrein van SE Fireworks.

Bepaalt dat na voormelde schouw het onderzoek ter terechtzitting in het Paleis van Justitie te Arnhem zal worden hervat ter terechtzitting van 11 maart 2003 te 09.30 uur en beveelt de oproeping van de verdachte, tegen dit tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van verdachte.

Wijst af het verzoek tot het horen van de getuigen [A. de V.], [J. P.], [A. de J.], [E.M. de J.], [B.J. S.], [R. Bi.], en [R. B.].

Houdt de beslissing op het verzoek tot het horen van de getuigen [K. P.], [M. K.] en [J. H. ] aan.

Houdt de beslissing op het verzoek tot het horen van de deskundigen I. Helsloot en M.H. Camp aan.

Beveelt de oproeping van de deskundige F.W.J. Vos, Mengelskamp 38, Schottheide, Kranenburg, Duitsland tegen de terechtzitting van 11 maart 2003 te 10.30 uur.

Bepaalt dat:

· de deskundigen P.C.A.M. de Bruyn, werkzaam bij het NFI en E.G. de Jong, werkzaam bij TNO worden opgeroepen tegen de terechtzitting van 11 maart 2003 te 10.30 uur;

· de deskundige H. Hurenkamp, werkzaam bij VROM/MBT wordt opgeroepen tegen terechtzitting van 13 maart 2003 te 09.30 uur.

Beveelt de oproeping van:

· de getuigen [G.J. W.] en de deskundige P.J. Peeters tegen de terechtzitting van 13 maart 2003 te 09.30 uur;

· de getuigen [J.H. P.] en [C.E.A de R. van Z.], werkzaam als rechercheur bij de Politieregio Twente, tegen de terechtzitting van 17 maart 2003 te 09.30 uur;

· de getuigen [P. de V.], [W. P.], [ D. van de W.], [H. K.] en [H. C.] tegen de terechtzitting van 18 maart 2003 te 09.30 uur.

Het hof wijst af de overige gedane verzoeken tot het doen uitvoeren van onderzoekshandelingen.

Aldus gewezen door

mr Mannoury, voorzitter,

mrs Denie en Koksma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mrs Collombon en Van Laethem, griffiers,

en op 7 februari 2003 ter openbare terechtzitting uitgesproken.