Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AF3887

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-02-2003
Datum publicatie
05-02-2003
Zaaknummer
21-001223-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 21-001223-02

Uitspraak dd.: 3 februari 2003

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te Almelo van 25 april 2002 in de strafzaak tegen

DE STICHTING [Onderwijsinstelling],

gevestigd te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 januari 2003 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het telastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 9 maart 2000 tot en met 11 oktober 2000, in de gemeente [E.], als werkgever niet een deugdelijke registratie terzake van de arbeids- en rusttijden van de in haar onderneming werkzame werknemers heeft gevoerd, welke het toezicht op de naleving van de Arbeidstijdenwet en de daarop berustende bepalingen mogelijk maakte, immers was er in de periode van 9 maart 2OOO tot en met 11 oktober 2000, geen deugdelijke registratie bijgehouden en gevoerd, terzake van de arbeids- en rusttijden van die werknemers in de periode van 9 maart 2000 tot en met 11 oktober 2000.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 4.3, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd, zoals nader is verwoord in zijn pleitnota, dat er sprake is van het ontbreken van de materiƫle wederrechtelijkheid, nu verdachte niet heeft gehandeld in strijd met de bedoelingen van de wetgever.

Het hof verwerpt dit verweer. Niet gezegd kan worden dat de onrechtmatigheid abusievelijk door de wetgever niet als bestanddeel is geformuleerd noch dat verdachte door het niet bijhouden of voeren van een deugdelijke registratie het doel heeft gediend dat de wetgever voor ogen heeft gestaan bij de vaststelling van art. 4:3 Arbeidstijdenwet. Het hof heeft hierbij mede gelet op de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte ter terechtzitting inhoudende dat verdachte de arbeids- en rusttijden voor een deel, namelijk maximaal 2 uur per dag voor een leerkracht met een volledige baan, niet registreerde.

Er kan ook niet worden gezegd dat de maatschappelijke opvattingen omtrent de wettelijke eis die in dit geding aan de orde is zodanig zijn uitgekristalliseerd dat de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde handelen geacht moet worden te ontbreken.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu verdachte niet anders heeft kunnen handelen en er sprake is van afwezigheid van alle schuld.

Nu de vertegenwoordiger van verdachte ter terechtzitting heeft aangegeven dat de leerkrachten niet is gevraagd om hun uren die werden gebruikt voor de voorbereiding van de lessen en het nakijken van huiswerk te registreren, omdat dit een inbreuk op hun privacy en het aanzetten tot het geven van valse informatie geacht werd, is niet aannemelijk geworden dat verdachte alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd om te voorkomen dat in strijd met de overtreden voorschriften zou worden gehandeld.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Nu uit de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte aannemelijk is geworden dat verdachte zich inmiddels de nodige inspanningen heeft getroost om de onderhavige kwestie zo goed mogelijk te regelen, waarbij er inmiddels sprake is van een goede samenwerking tussen het [Onderwijsinstelling] en de Arbeidsinspectie, bepaalt het hof dat er geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9a en 51 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 4.3 van de Arbeidstijdenwet, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het telastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Bepaalt dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Aldus gewezen door

mr Verheugt, voorzitter,

mrs Van Houten en Lensing, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr Collombon, griffier,

en op 3 februari 2003 ter openbare terechtzitting uitgesproken.