Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AF3849

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-01-2003
Datum publicatie
05-02-2003
Zaaknummer
00/02014
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2003/813
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ARNHEM

derde meervoudige belastingkamer

nummer 00/02014 (verontreinigingsheffing)

UITSPRAAK

op het beroep van het College van dijkgraaf en heemraden van het Waterschap [X] te [Z] (hierna: belanghebbende)tegen de uitspraak van het Hoofd van het bureau verontreinigingsheffing rijkswateren (hierna: de Ambtenaar), betreffende na te noemen aanslag.

1. Aanslagen en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1994 twee aanslagen in de Verontreinigingsheffing rijkswateren opgelegd. De eerste aanslag, met aanslagnummer [01] en dagtekening 31 oktober 1996, beloopt een bedrag van € 2.967.410, berekend naar een vervuilingswaarde van 67.635,0 (hierna: de primitieve aanslag). De tweede aanslag, met aanslagnummer [02] en dagtekening 14 november 1997, beloopt een bedrag van € 151.660, berekend naar een vervuilingswaarde van 6475 (hierna: de tweede aanslag).

1.2. De tweede aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, gedagtekend 28 november 1997, bij de bestreden uitspraak van 31 oktober 2000 door de Ambtenaar, verminderd tot een bedrag van € 61.834, berekend naar een vervuilingswaarde van 2640.

2. Geding voor het Hof

2.1. Belanghebbende is van bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Ambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 14 november 2002, gehouden te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord [belanghebbendes gemachtigde, alsmede de Ambtenaar]. Belanghebbende en de Ambtenaar hebben ter zitting elk een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De inhoud van de pleitnota's moet als hier ingelast worden beschouwd. Door de Ambtenaar is ter zitting voorts nog - zonder bezwaar van belanghebbende - een tekening overgelegd.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan afschriften reeds aan partijen zijn gezonden.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Op basis van de lozingsvergunning van Rijkswaterstaat van 4 maart 1985 met kenmerk RFR 1742 (hierna: vergunning) loost belanghebbende biologisch gezuiverd afvalwater uit de rioolwaterzuiveringsinstallatie te [Z] (hierna: [het zuiveringsinstallatie]) en overstortend rioolwater uit het nabij [het zuiveringsinstallatie]) gelegen bergbezinkbassin, afkomstig uit het gemengde rioolstelsel van de gemeente [Z] (hierna: rioolwateroverstort), via de centrale afvoerleiding op rijkswateren. Op de centrale afvoerleiding van [het zuiveringsinstallatie] die uitmondt in de [rivier a], komen derhalve twee gescheiden afvalwaterstromen samen: (1) het effluent van [het zuiveringsinstallatie] en (2) de rioolwateroverstort).

Belanghebbende is beheerder van zowel [het zuiveringsinstallatie] als het bergbezinkbassin. Het bergbezinkbassin is in de eerste plaats bestemd voor het opvangen van piekaanvoeren uit het rioolstelsel van de gemeente [Z]. Vanuit dit bassin bestaat de mogelijkheid om niet biologisch gezuiverd rioolwater separaat te lozen.

3.2. Het effluent betreft rioolwater dat [het zuiveringsinstallatie] heeft doorlopen en volledig biologisch is gezuiverd. Voordat het effluent op de afvoerleiding wordt geloosd, wordt de vervuilingswaarde hiervan middels een vaste meet- en bemonsteringsopstelling bepaald.

De rioolwateroverstort vanuit het bergbezinkbassin betreft rioolwater dat uitsluitend is voorbezonken en overigens geen andere dan een mechanische zuiveringsbehandeling heeft ondergaan. De vervuilingwaarde hiervan wordt separaat vastgesteld. De lozing op de [river a] vindt plaats bij grote aanvoer vanuit het rioleringsstelsel van de gemeente [Z], onder andere veroorzaakt door hevige regenval. Vanwege capaciteitsproblemen wordt dit rioolwater niet naar [het zuiveringsinstallatie] geleid en derhalve niet biologisch behandeld en dientengevolge niet volledig gezuiverd.

3.3. De Ambtenaar heeft op 26 januari 1995 een aangiftebiljet voor de Verontreinigingsheffing rijkswateren 1994 aan belanghebbende uitgereikt. Belanghebbende heeft dit biljet ingevuld en ondertekend op 17 maart 1995 aan de Ambtenaar teruggezonden. De Ambtenaar heeft het biljet op 22 maart 1995 ontvangen.

Belanghebbende heeft in dat aangiftebiljet geen overstort van rioolwater op rijkswateren aangegeven. Voorts heeft belanghebbende bij vraag 5 op dat aangiftebiljet aangegeven, dat hij in 1994 afvalwater heeft geloosd, doch daarbij de mogelijkheid van mechanische zuivering doorgehaald.

3.4. Bij de aanslagregeling 1994 is de Ambtenaar naar zijn vaste beleid uitgegaan van een overstortfrequentie van gemiddeld niet meer dan vijf maal per jaar, kenbaar uit de vergunning. Het feit dat belanghebbende voor [het zuiveringsinstallatie] al werd aangeslagen voor ongeveer 39.000 vervuilingseenheden, heeft de Ambtenaar doen besluiten geen extra aanslag op te leggen voor nog eens drie vervuilingseenheden.

3.5. Bij de aanslagregeling 1996 in mei 1997 heeft de Ambtenaar uit de bij de aangifte 1996 overgeleg-de gegevens betreffende de rioolwateroverstort afgeleid, dat voor het heffingsjaar 1994 de vervuilingswaarde van overgestort rioolwater ten minste op circa 3000 vervuilingseenheden gesteld had dienen te worden. Om deze reden heeft de Ambtenaar belanghebbende op 26 mei 1997 uitgenodigd om daar-van een aanvullende aangifte te doen.

3.6. Omdat belanghebbende geen gevolg heeft gegeven aan deze uitnodiging, heeft de Ambtenaar op 14 november 1997 de tweede aanslag opgelegd.

4. Het geschil, de standpunten en de conclusies van partijen

4.1. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of:

- (1) de Ambtenaar naast de primitieve aanslag voor de rioolwateroverstort over dezelfde periode een tweede aanslag mocht opleggen; en

- (2) zo deze tweede aanslag als een navorderingsaanslag moet worden opgevat, of ten deze sprake was van een nieuw feit.

Deze vragen worden door belanghebbende ontkennend en door de Ambtenaar bevestigend beantwoord.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken, waaronder het opgemaakte proces-verbaal ter zitting.

4.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de tweede aanslag. Ter zitting stelt belanghebbende zich alsnog op het standpunt dat sprake is van een nieuw feit, nu de Ambtenaar bij de aanslagregeling 1994 niet bekend was en ook redelijkerwijs niet bekend had kunnen zijn met het feit dat de rioolwateoverstort substantieel meer bedroeg dan drie inwonerequivalenten.

4.4. De Ambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep en bevestiging van de bestreden uitspraak.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Uit artikel 18 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wet) en artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen blijkt, dat een heffingplichtige gehouden is alle lozingen op rijkswateren, in welke vorm ook, duidelijk, stellig en zonder voorbehoud op het hem uitgereikte aangiftebiljet aan te geven. Belanghebbende heeft, ondanks dat hij wist dat het overstortende rioolwater uitsluitend mechanisch was gezuiverd, in het aangiftebiljet geen overstortend rioolwater op rijkswateren aangegeven. Als antwoord op vraag 5 van het biljet:

'Loosde u gedurende het heffingsjaar 1994 gezuiverd afvalwater?'

heeft belanghebbende 'ja' geantwoord, en de term 'mechanisch' doorgehaald als zijnde niet van toepassing, waarmee belanghebbende heeft aangegeven enkel biologisch gezuiverd afvalwater te hebben geloosd. Als antwoord op vraag 7 van het biljet:

'Is gedurende het heffingsjaar 1994 via een riolenstelsel ongezuiverd afvalwater op rijkswater geloosd? Zo ja, dan dient u de hierna gestelde vragen te beantwoorden.'

heeft belanghebbende 'neen' geantwoord. Ter zitting heeft de Ambtenaar verklaard, dat hij belanghebbende vragen over de rioolwateroverstort zou hebben gesteld wanneer belanghebbende bij vraag 5 de term 'mechanisch' niet zou hebben doorgehaald en vraag 7 in overeenstemming met de werkelijkheid met 'ja' zou hebben beantwoord.

5.2. Belanghebbende verdedigt dat hij niet gehouden was de rioolwateroverstort in het aangiftebiljet 1994 aan te geven, reeds omdat het aangiftebiljet 1994, in tegenstelling tot het aangiftebiljet 1996, geen specifieke vraag bevatte of gedurende het heffingsjaar via riooloverstorten uit gemengde rioolstelsels overstortwater op rijkswateren is geloosd. Dit verzuim, het ontbreken van die vraag op het biljet, kan naar zijn mening niet door middel van een uitnodiging tot het doen van een aanvullende aangifte gecorrigeerd. Gehoor geven aan het verzoek van de Ambtenaar zou volgens belanghebbende feitelijk een verzoek inhouden tot het opleggen van een navorderingsaanslag, alsmede de erkenning inhouden dat onvolledig aangifte is gedaan. Belanghebbende acht het verzoek van de Ambtenaar om een aanvullende aangifte te doen daarom misleidend en onbehoorlijk.

5.3. Door de wijze waarop belanghebbende de vragen 5 en 7 van het aangiftebiljet heeft beantwoord, kan niet worden volgehouden, dat hij duidelijk, stellig en zonder voorbehoud aangifte heeft gedaan. Belanghebbende heeft niet mogen volstaan met het niet-invullen en derhalve niet-aangeven van de hoeveelheid rioolwater die in 1994 via de rioolwateroverstort op de [a-rivier] werd geloosd, omdat de Wet hem voorschrijft alle lozingen op rijkswateren in de aangifte op te nemen. De omstandigheid, dat het aangiftebiljet 1994 niet voorziet in een vraag naar deze hoeveelheid, en het aangiftebiljet 1996 wel, doet daaraan niet af.

5.4. Het staat de Ambtenaar, behoudens zijn bevoegdheid tot navordering, niet vrij om ter zake van eenzelfde belastbaar feit aan een heffingplichtige over hetzelfde tijdvak een tweede (primitieve) aanslag op te leggen. De Wet voorziet niet in duidelijk te onderscheiden verschillende heffingsgrondslagen. De tweede aanslag is daarom ten onrechte opgelegd, tenzij deze kan worden aangemerkt als een navorderingsaanslag.

5.5. Voor het opleggen van een navorderingsaanslag is vereist dat komt vast te staan dat de Ambtenaar ten tijde van de primaire aanslagregeling niet bekend was of redelijkerwijs niet bekend had kunnen zijn met de informatie op basis waarvan hij de primitieve aanslag voornemens is te corrigeren, dan wel sprake is van kwade trouw bij de belastingplichtige.

5.6. De Ambtenaar heeft gemotiveerd gesteld dat hij eerst in mei 1997 kennis heeft kunnen nemen van informatie betreffende de rioolwateroverstort waaruit blijkt dat voor het heffingsjaar 1994 de vervuilingswaarde van het overstortende rioolwater op ten minste circa 3000 vervuilingseenheden gesteld had dienen te worden.

5.7. Hoewel belanghebbende dit standpunt van de Ambtenaar aanvankelijk heeft bestreden, heeft hij ter zitting alsnog toegegeven, dat de Ambtenaar, zoals deze stelt, inderdaad eerst in mei 1997 kennis heeft kunnen nemen van informatie waaruit blijkt dat de rioolwateroverstort beduidend meer bedroeg dan drie vervuilingseenheden.

5.8. Hoewel de Ambtenaar naar de letter een tweede (primitieve) aanslag heeft opgelegd, kan deze - nu voldaan is aan het vereiste van een nieuw feit - naar het oordeel van het Hof slechts zijn opgelegd als navorderingsaanslag, zodat de tweede aanslag met een navorderingsaanslag moet worden gelijkgesteld.

5.9. Het vorenoverwogene leidt het Hof tot de slotsom dat de uitspraak van de Ambtenaar op het bezwaar moet worden gehandhaafd waardoor de tweede aanslag, die ten deze wordt gelijkgesteld met een navorderingsaanslag, in stand kan blijven.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld op 7 januari 2003 door mr. J.B.H. Röben, voorzitter, vice-president, mr. M.C.M. de Kroon, mr. W.M.G. Visser, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G.J. van Well als griffier.

De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

(J.B.H. Röben)

aangetekend aan partijen verzonden: 7 januari 2003

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.