Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2003:AF3460

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-01-2003
Datum publicatie
28-01-2003
Zaaknummer
02/073
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 576
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 januari 2003

tweede civiele kamer

rolnummer 2002/073

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de naamloze vennootschap Delta Lloyd Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Zwolle,

appellante,

procureur: mr. J.C.N.B. Kaal,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. F.J. Boom.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van 10 oktober 2001 dat de arrondissementsrechtbank te Zwolle tussen appellante (hierna te noemen: Delta Lloyd) als gedaagde en geïntimeerde (hierna te noemen: [geïntimeerde]) als eiser heeft gewezen. Van genoemd vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Delta Lloyd heeft bij exploot van 7 januari 2002 aangezegd van genoemd vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft Delta Lloyd twee grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden en een aantal nieuwe producties in het geding gebracht, en heeft zij geconcludeerd dat het hof, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen, [geïntimeerde] alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen, althans hem deze zal ontzeggen, en [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van de beide (het hof begrijpt:) instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, heeft hij bewijs aangeboden, en heeft hij geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis, zo nodig met verbetering en/of aanvulling van gronden, zal bevestigen, met veroordeling van Delta Lloyd in de kosten van het hoger beroep, onder bepaling dat Delta Lloyd de nakosten en de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd zal zijn als zij deze kosten niet binnen veertien dagen na het in dezen te wijzen arrest heeft voldaan.

2.4 Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd.

3 De vaststaande feiten

3.1 Op grond van de in zoverre niet bestreden vaststelling van de rechtbank en op grond van hetgeen verder is gesteld en niet of onvoldoende is weersproken dan wel blijkt uit de onbetwiste inhoud van de overgelegde bescheiden, staat in hoger beroep het navolgende vast.

3.2 [geïntimeerde] exploiteert op 53 ha grond een melkveebedrijf met een veebestand van circa 115 melkkoeien en circa 100 stuks jongvee. De gemiddelde jaarlijkse melkproductie per koe bedraagt circa 9.900 kg met 4,24% vet en 3,41% eiwit.

3.3 Tot 1 januari 1999 had [geïntimeerde] zijn rundvee bij N.V. Interpolis verzekerd.

3.4 Op basis van een door [geïntimeerde] ingevuld en ondertekend aanvraagformulier van 4 februari 1999 is tussen [geïntimeerde] en Delta Lloyd een rundveeverzekeringsovereenkomst tot stand gekomen ingaande 1 januari 1999, met een verzekerd bedrag van ƒ 430.000,— en een eigen risico voor [geïntimeerde] van ƒ 12.900,— per gebeurtenis. De toepasselijke verzekeringsvoorwaarden bepalen in artikel 2 (“Omschrijving van de dekking”):

“De verzekering dekt materiële schade aan de veestapel door dood, afvoer, blijvende waardevermindering of verlies als gevolg van ziekte, ongeval, diefstal, verduistering of vermissing, mits hierdoor meer dan een (1) dier wordt getroffen. (...) De oorzaak van de schade dient binnen de looptijd van de verzekering te liggen.”

en in artikel 1 (“Begripsomschrijvingen”):

“Onder ziekte wordt verstaan een proces dat veranderingen teweeg brengt in cellen, weefsels en organen, waardoor het functionele evenwicht van het lichaam wordt verstoord en een reactie tot herstel wordt opgeroepen.

De ziekte moet het gevolg zijn van een (1) en dezelfde oorzaak op hetzelfde tijdstip. Tussen de geconstateerde ziekteverschijnselen bij de getroffen dieren dient een direkt verband te bestaan.”

3.5 [geïntimeerde] heeft ontkennend geantwoord op onder meer de volgende vragen op het aanvraagformulier:

"Hebt u redenen om aan te nemen dat uw veestapel momenteel niet ge-zond is?”

en:

“Zijn er onder uw rundvee de laatste 10 jaar wel eens ziekten of vergiftigingen voorgekomen?"

3.6 [geïntimeerde] heeft op 13 oktober 1999 telefonisch en op 14 oktober 1999 schriftelijk via Visschers Assurantiën B.V. een schademelding aan Delta Lloyd gedaan.

3.7 In 1999 en 2000 is al het in het bedrijf van [geïntimeerde] aanwezige rundvee afgevoerd.

4 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 In dit geding vordert [geïntimeerde] op grond van de verzekering betaling van door hem geleden schade. In eerste aanleg heeft Delta Lloyd zich tegen de vordering verweerd met:

a. een beroep op verzwijging in verband met de wijze waarop [geïntimeerde] het aanvraagformulier heeft ingevuld, zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven;

b. een beroep op het ontbreken van de in de verzekeringsvoorwaarden omschreven dekking, zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;

c. een beroep op het ontbreken van een tijdige melding van de schade;

d. een betwisting van diverse schadeposten.

De rechtbank heeft de onder a, b en c bedoelde verweren geheel verworpen, heeft het onder d bedoelde verweer grotendeels verworpen en heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van ƒ 232.716,93 in hoofdsom.

4.2 Delta Lloyd richt zich in hoger beroep uitsluitend tegen de verwerping van het hiervoor onder b bedoelde verweer (grief I) en het onder d bedoelde verweer voorzover het betreft de schade ter zake van de afvoer van jongvee (grief II).

4.3 Met betrekking tot grief I overweegt het hof als volgt. De rechtbank heeft tot uitgangspunt van haar beoordeling genomen dat “een niet gezonde veestapel ziek is” en heeft aan het standpunt dat Delta Lloyd in verband met haar beroep op verzwijging (het hiervoor onder a bedoelde verweer) heeft ingenomen, consequenties verbonden voor onder meer de uitleg van het begrip “ziekte” in de zin van de dekkingsomschrijving. Delta Lloyd komt daar op zichzelf terecht tegen op. De vraagstelling op het aanvraagformulier als hiervoor onder 3.5 weergegeven moet worden bezien tegen de achtergrond van de voor een verzekeringnemer als [geïntimeerde] kenbare bedoeling van Delta Lloyd met de vragenlijst, namelijk om te komen tot een beoordeling van de vraag of zij het ter verzekering aangeboden risico wil aanvaarden, al dan niet na nader onderzoek en/of op bijzondere voorwaarden. Het gebruik van het woord “ziekte” in artikel 2 van de verzekeringsvoorwaarden dient – tezamen met de definitiebepaling van artikel 1 – een wezenlijk ander doel, namelijk het nauwkeurig omschrijven van de dekking die een aangegane verzekering de verzekerde biedt. In verband daarmee is voor een gelijkstelling van “niet gezond” in de zin van het vragenformulier met “ziek” in de zin van de verzekeringsvoorwaarden geen plaats.

4.4 Het hof zal de vraag of het schade-evenement onder de dekking valt, opnieuw beoordelen.

4.5 Beide partijen gaan ervan uit dat hetgeen zich bij de veestapel van [geïntimeerde] heeft voorgedaan, moet worden geduid als de zogenaamde “slijterproblematiek”. Volgens een door Delta Lloyd bij memorie van grieven overgelegde publicatie uit het Tijdschrift voor Diergeneeskunde van 15 maart 2001, welke publicatie kennelijk de actuele stand van de wetenschap weergeeft, zijn de oorzaken van de bedoelde problematiek onbekend, maar kunnen die worden gezocht in de bedrijfsvoering en de voeding van het rundvee, in ziekten, in deficiënties en in intoxicaties.

4.6 Volgens de door Delta Lloyd ingeschakelde expert, ing. R. Prins van Agrotax Expertisebureau v.o.f., wiens rapportages door [geïntimeerde] bij conclusie van eis zijn overgelegd, heeft [geïntimeerde] een modern en goed verzorgd melkveebedrijf, waarvan het productieniveau – voordat zich in 1999 problemen voordeden – “al jaren hoog” was. Die hoge productie schrijft de expert toe aan onder meer een zeer goede verzorging van het vee. Volgens Prins is de huisvesting goed en wordt op het bedrijf onder meer veel aandacht besteed aan voeding; bij eventuele problemen worden deskundigen ingeschakeld (alles rapportage van 30 oktober 1999). De door van [geïntimeerde] ingeschakelde expert, A. Reijneveld, wiens rapportages eveneens bij conclusie van eis in het geding zijn gebracht, vermeldt dat het bedrijf van [geïntimeerde] een uitstekende indruk maakt, dat verzorging en onderhoud op een goed peil staan en dat het management eveneens van een goed niveau is (rapportage van 31 maart 2000).

4.7 Gelet op deze onverdeeld positieve beoordelingen van het bedrijf van [geïntimeerde] is het onaannemelijk dat de slijterproblematiek die zich op dat bedrijf heeft geopenbaard, kan zijn veroorzaakt door gebreken in de bedrijfsvoering, in de voeding, in deficiënties of in intoxicaties. Wat betreft het laatste is weliswaar sprake geweest van een verdenking met betrekking tot eind 1998 toegepaste IBR-vaccins, die met het BVD-virus verontreinigd zouden zijn geweest, maar uit de in het geding gebrachte rapportages volgt dat voor die verdenking thans geen goede grond meer bestaat, omdat de batchnummers van het toegepaste serum niet overeenkomen met die waarvan de verontreiniging is vastgesteld en bij een door de Gezondheidsdienst voor Dieren op het bedrijf van [geïntimeerde] uitgevoerd onderzoek naar eventuele BVD-besmetting, ook geen gevallen van BVD zijn vastgesteld.

4.8 Gelet op het vorenstaande lag het op de weg van Delta Lloyd om haar standpunt dat onzeker is of een ziekte de oorzaak vormt van de slijterproblematiek op het bedrijf van [geïntimeerde], nader te motiveren, hetgeen zij heeft nagelaten. Er dient dan ook vanuit te worden gegaan dat de oorzaak wel degelijk een ziekte is.

4.9 Blijkens artikel 1 van de verzekeringsvoorwaarden is voor dekking tevens vereist dat de ziekte het gevolg is van een en dezelfde oorzaak op hetzelfde tijdstip en dient tussen de geconstateerde ziekteverschijnselen bij de getroffen dieren een direct verband te bestaan. De rechtbank heeft onder 3.10 van het bestreden vonnis overwogen dat het laatste gedeelte van deze omschrijving kennelijk een uitwerking vormt van het eerste gedeelte, waaraan geen zelfstandige betekenis toekomt. Het hof kan in de memorie van grieven geen met redenen omkleed bezwaar tegen dit deel van de overwegingen van de rechtbank ontwaren, zodat ook het hof ervan uit zal gaan dat indien een ziekte het gevolg is van een en dezelfde oorzaak op hetzelfde tijdstip, daarmee het direct verband tussen de geconstateerde ziekteverschijnselen bij de getroffen dieren is gegeven.

4.10 Evenals de rechtbank acht het hof in dit verband van belang dat binnen betrekkelijk korte tijd een groot aantal dieren ziek is geworden. De bij de verschillende dieren vastgestelde verschijnselen zijn weliswaar niet bij alle dieren dezelfde, maar behoren – zoals blijkt uit de in het geding gebrachte publicaties over de slijterproblematiek – naar de huidige stand van de wetenschap wel tot één samenhangend ziektebeeld. Gelet op een en ander is aannemelijk dat de ziekte het gevolg is van een en dezelfde oorzaak op het zelfde tijdstip.

4.11 Tegen deze achtergrond mocht ook in dit opzicht van Delta Lloyd een nadere motivering van haar betwisting worden verlangd, die zij niet heeft gegeven. Voorzover Delta Lloyd zich ook in dit verband beroept op het gegeven dat de slijterproblematiek verschillende oorzaken kan hebben, geldt daarvoor hetgeen onder 4.5 tot en met 4.8 is overwogen. Voorzover Delta Lloyd zich op het standpunt stelt dat vast moet staan welke oorzaak de ziekte heeft, omdat anders niet kan worden vastgesteld dat de ziekte het gevolg is van een en dezelfde oorzaak op hetzelfde tijdstip (en evenmin dat de oorzaak van de schade binnen de looptijd van de verzekering ligt), moet dat standpunt worden verworpen. Dat de oorzaak van een ziekte niet steeds zal kunnen worden vastgesteld, is inherent aan de complexiteit van veel ziekteprocessen en dus aan de aard van het verzekerde risico, zodat aan de strekking van de verzekeringsovereenkomst tekort zou worden gedaan indien in dit opzicht aan de stelplicht van [geïntimeerde] al te hoge eisen zouden worden gesteld, in die zin dat hij zou moeten stellen – en in het verlengde daarvan: bij betwisting bewijzen – welke de oorzaak van de ziekte is.

4.12 Uit een en ander volgt dat het ervoor dient te worden gehouden dat de ziekte het gevolg is van een en dezelfde oorzaak op hetzelfde tijdstip, alsook dat tussen de geconstateerde ziekteverschijnselen bij de getroffen dieren een direct verband bestaat.

4.13 In verband met de verdeling van stelplicht en bewijslast twisten partijen erover of tot de omschrijving van de dekking tevens behoort dat de oorzaak van de schade binnen de looptijd van de verzekering dient te liggen (standpunt van Delta Lloyd), dan wel dat sprake is van een uitsluiting waarop Delta Lloyd zich als verzekeraar kan beroepen, om zich van een in beginsel gegeven verplichting tot vergoeding van schade te ontheffen (standpunt van [geïntimeerde]).

4.14 Gelet op het opschrift van artikel 2 en de formulering van die bepaling, heeft Delta Lloyd hier het gelijk aan haar zijde. Feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [geïntimeerde] – niettegenstaande bedoeld opschrift en bedoelde formulering – de verzekeringsvoorwaarden redelijkerwijs in andere zin heeft mogen opvatten, zijn niet gesteld en blijken ook niet uit de gedingstukken.

4.15 Vervolgens staat ter beoordeling of [geïntimeerde] in dit opzicht aan zijn stelplicht heeft voldaan. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. Blijkens de overgelegde rapportages heeft [geïntimeerde] verklaard dat de gezondheidsklachten bij de dieren, achteraf bezien, in maart 1999 zijn begonnen, hetgeen impliceert dat de dieren daarvoor geen zichtbare ziekteverschijnselen vertoonden. Dat vindt ook steun in onder meer de brief van zijn dierenarts van 3 februari 2000, overgelegd bij conclusie van eis. Gelet daarop is het – in ieder geval op het eerste gezicht – aannemelijk dat de oorzaak binnen de looptijd van de op 1 januari 1999 ingegane verzekering viel. Delta Lloyd voert in de toelichting op grief I aan dat het niettemin “zeer goed mogelijk” is dat sprake is van een oorzaak die reeds vóór 1 januari 1999 aanwezig was doch eerst later tot ziekteverschijnselen heeft geleid, maar dat is kennelijk niet meer dan een veronderstelling, die ook niet nader is gemotiveerd (bijvoorbeeld met gegevens over de incubatietijd van een of meerdere ziekten die volgens de opvattingen van veterinaire deskundigen met de slijterproblematiek in verband zouden kunnen worden gebracht). Al even ongemotiveerd is de bewering van Delta Lloyd even verderop in de memorie van grieven, dat het “ook waarschijnlijk” is dat sprake is van een oorzaak die reeds vóór 1 januari 1999 aanwezig was. Voorzover Delta Lloyd er ook in dit verband van uitgaat dat het op de weg van [geïntimeerde] ligt om te stellen en zonodig te bewijzen welke de oorzaak van de ziekte is, stuit dit standpunt af op hetgeen hiervoor onder 4.11 is overwogen.

4.16 Dat sprake is van materiële schade aan de veestapel door dood en/of afvoer van de dieren, wordt door Delta Lloyd niet betwist. Zij betwist kennelijk ook niet dat meer dan één dier is getroffen. Dat het ervoor moet worden gehouden dat het schade-evenement ook overigens onder de dekking valt, volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen. Grief I kan derhalve niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. Bij gebreke van een voldoende gemotiveerde betwisting door Delta Lloyd, komt het hof ook niet toe aan een bewijsopdracht aan die partij. Het bewijsaanbod van Delta Lloyd wordt derhalve gepasseerd.

4.17 Het dispuut omtrent de schade ter zake van de afvoer van jongvee betreft de niet om veterinaire redenen afgevoerde dieren. Volgens [geïntimeerde] zijn deze dieren afgevoerd uit oogpunt van schadebeperking. Delta Lloyd betwist dat.

4.18 Uit de rapportage van Reijneveld van 14 april 2000 blijkt dat de vraag of de dieren moesten worden afgevoerd, is besproken tussen Reijneveld zelf en Lankveld (dierenarts), Zimmer (Gezondheidsdienst) en Prins en dat het algemene gevoelen was dat de melkveekudde moest worden afgevoerd, maar dat voor de afvoer van het jongvee (nog) geen reden bestond. Wel toont Reijneveld er begrip voor “dat de veehouder er niet gerust op is wanneer het jongvee nog wordt aangehouden”. Volgens de rapportage van Reijneveld van 15 juni 2000, waarin verslag wordt gedaan van een bedrijfsbezoek op 17 mei 2000, was het advies met betrekking tot het afvoeren van dieren op die datum nog ongewijzigd en was er wat betreft het jongvee nog perspectief.

4.19 De rechtbank heeft aan de omstandigheid dat Prins van Delta Lloyd geen toestemming kreeg om bij het bedrijfsbezoek van 17 mei 2000 aanwezig te zijn, de gevolgtrekking verbonden dat Delta Lloyd zich daarmee wat betreft beslissingen omtrent de afvoer van het jongvee “buiten spel” heeft gezet en heeft verder geoordeeld dat Delta Lloyd haar betwisting dat de afvoer in verband met schadebeperking is verricht, onvoldoende had onderbouwd. Grief II richt zich daartegen terecht. Dat Delta Lloyd Prins niet toestond om bij het bedrijfsbezoek van 17 mei 2000 aanwezig te zijn, doet er niet aan af dat [geïntimeerde] slechts aanspraak kan maken op vergoeding van zijn schade ter zake van de afvoer van het bedoelde jongvee, voorzover die afvoer als een redelijke maatregel ter beperking van schade kan worden beschouwd. Dat dit het geval is, volgt niet uit de rapportages van Reijneveld – uit die rapportages lijkt integendeel te volgen dat [geïntimeerde] het advies van Reijneveld en van de betrokken veterinaire deskundigen niet heeft opgevolgd – en kan ook overigens uit de stellingen van [geïntimeerde] of uit de gedingstukken niet worden afgeleid. [geïntimeerde] heeft op dit punt derhalve niet voldaan aan zijn stelplicht. Daaruit volgt tevens dat voorbij moet worden gegaan aan zijn bewijsaanbod.

4.20 De slotsom is dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd voorzover het betreft schade in verband met niet om veterinaire redenen afgevoerd jongvee, onder bekrachtiging van dat vonnis voor het overige, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen. Het bedrag van de ten onrechte door de rechtbank toegekende schadevergoeding voor om niet-veterinaire redenen afgevoerd jongvee bedraagt volgens de stellingen van Delta Lloyd ƒ 34.345,98, hetgeen door [geïntimeerde] niet is betwist, zodat de vordering van [geïntimeerde] toewijsbaar is tot een bedrag in hoofdsom van EUR 90.016,81 (ƒ 198.370,95) in plaats van ƒ 232.716,93, vermeerderd met de wettelijke rente over EUR 84.887,50 (ƒ 187.067,44) vanaf 1 juli 2000 en over EUR 5.129,31 (ƒ 11.303,51) vanaf 10 oktober 2001, tot de dag van voldoening.

4.21 Bedoelde gedeeltelijke vernietiging van het bestreden vonnis neemt niet weg dat Delta Lloyd moet worden beschouwd als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, zowel wat betreft de eerste aanleg als het hoger beroep. Conform de memorie van antwoord van [geïntimeerde] zal het hof bepalen dat Delta Lloyd de nakosten en de wettelijke rente over het bedrag van de proceskosten van het hoger beroep verschuldigd zal zijn, indien en voorzover zij dat bedrag niet binnen veertien dagen na dit arrest heeft voldaan.

5 Beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Zwolle van 10 oktober 2001 voor wat betreft het in het dictum van dat vonnis onder 1 bepaalde, en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt Delta Lloyd om aan [geïntimeerde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag EUR 90.016,81 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over EUR 84.887,50 vanaf 1 juli 2000 en over EUR 5.129,31 vanaf 10 oktober 2001, tot de dag van voldoening;

bekrachtigt dat vonnis voor het overige, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt Delta Lloyd in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op EUR 870,— voor griffierecht en op EUR 1.407,— voor procureurssalaris, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede voor nakosten met een bedrag van EUR 113,—, dan wel, indien betekening van dit arrest plaatsvindt, op EUR 177,—.

Dit arrest is gewezen door mrs. Heisterkamp, Tjittes en Valk en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2003.