Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AO5915

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-06-2002
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
2002/270
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2003:AF0749
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2003:AF0749
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toelatingscriteria - schulden niet te goeder trouw - schadevergoedingsverplichting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest in de zaak van:

X wonende te P.,

Appellant,

Procureur: mr. J.M. Bosnak.

1. Het geding in eerste aanleg

1.1 Bij vonnis van de rechtbank te Almelo van 19 maart 2002 is de voorlopige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van appellant (hierna te noemen: X). Hierbij is tot rechter-commissaris benoemd mr. K.J. Haarhuis) en tot bewindvoerder mr. P.J.C. Garrels.

1.2 Bij vonnis van de rechtbank te Almelo van 23 april 2002 is het verzoek van X tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.

1.3 Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 1 mei 2002 ingekomen verzoekschrift is X in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 23 april 2002 en heeft hij het hof verzocht het voormelde vonnis te vernietigen en alsnog het verzoek om definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling toe te wijzen.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van de bij het verzoekschrift behorende stukken, alsmede van een in een zaak tussen X en een door hem ontslagen medewerkster gewezen tussenvonnis van de kantonrechter te P. van december 2001.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 mei 2002, waarbij X is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. M.L.W.J.S. Knook, advocaat te Groenlo. Voorts is verschenen de bewindvoerder mr. P.J.C. Garrels.

3. De motivering van de beslissingen in hoger beroep

3.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

3.2 X kan zich niet verenigen met het vonnis van de rechtbank waarin zijn verzoek wordt afgewezen. X betwist dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, er een gegronde vrees bestaat dat hij tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zijn hieruit voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen nu X in het kader van een strafrechtelijke veroordeling een behandeling ondergaat bij “De Tender” en hij geen betaalde arbeid kan verrichten ten behoeve van de schuldeisers. Hiertoe stelt X dat de behandeling bij “De Tender” twee dagen per week vergt en dat hij bereid is om de overige drie dagen betaald werk te verrichten hoewel dit laatste wordt afgeraden door “De Tender”.

Voorts betwist X dat er gegronde vrees bestaat dat hij in geval van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling tijdens deze regeling nieuwe schulden doet ontstaan. Deze vrees heeft kennelijk betrekking op een door zijn oom en tante, in verband met zijn uittreding uit de vennootschap, gestarte gerechtelijke procedure en de mogelijke toewijzing van de door hen gevorderde geldvordering. X stelt dat deze kwestie een verifieerbare vordering betreft als bedoeld in art. 299 juncto 29 juncto 313 Faillissementswet en dat het ontstaan van de vordering ligt in de periode voor de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Er kan volgens X dus niet gesproken worden van een nieuwe schuld.

Tevens betwist X dat hij ten aanzien van het ontstaan van de huurschuld met betrekking tot het pand waarin zijn onderneming was gevestigd, niet te goeder trouw is geweest. Hiertoe voert X aan dat het ontstaan van deze huurschuld een gevolg is van de detentie terzake het door hem gepleegd delict, waarvoor hij strafrechterlijk veroordeeld is en dat hij niet nogmaals voor dit feit gestraft moet worden door afwijzing van een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

3.3 Hierover wordt als volgt geoordeeld.

In de perioden van 1992 tot 2000 en van 1999 tot 2000 heeft X telkens met een minderjarige ontucht gepleegd. Op 10 november 2000 is hij aangehouden en in voorlopige hechtenis gesteld. Bij vonnis van 10 april 2001 is hij ter zake veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, gedurende welke periode hij therapie moet volgen bij “De Tender”. Tot 6 juli 2001 heeft hij detentie ondergaan en op 16 juli 2001 is hij met de dagtherapie bij “De Tender” begonnen. Zijn aanhouding wegens ontucht is spoedig in de omgeving van zijn buurtwinkel bekend geworden. Als gevolg daarvan is de klandizie van zijn winkel weggevallen. Als gevolg daarvan moest de winkel binnen zeer korte tijd worden gesloten en zijn er aanzienlijke bedrijfsschulden (aan verhuurders en leveranciers) onbetaald gebleven, c.q. ontstaan.

De kantonrechter te P. heeft bij vonnis van 9 april 2002 de schuld van X aan zijn oom en tante Y wegens achterstallige huur van de bedrijfsruimte tot 16 augustus 2001 vastgesteld op € 9.570,50 en voorts wegens de voortijdige ontbinding van de huurovereenkomst aan de verhuurders een schadevergoeding toegekend van € 24.294,36.

De overige bedrijfsschulden (aan leveranciers etc.) belopen omstreeks € 50.000,-.

Het geschil tussen X en zijn oom en tante wegens zijn uittreding uit de vennootschap buiten beschouwing.

X. behoorde destijds te begrijpen dat zijn ontucht en het risico dat deze in zijn omgeving bekend zou worden desastreuze gevolgen zou hebben voor de exploitatie van zijn buurtwinkel, de omzet zou wegvagen en hem zou laten achterblijven met onbetaalbare bedrijfsschulden. Niettemin heeft hij door het plegen van ontucht deze risico’s genomen. Daarom is hij ten aanzien van het onbetaalbaar laten, c.q. ontstaan van deze schulden niet te goeder trouw is geweest.

3.4 Voorts dient het hof ook alle andere omstandigheden van het geval in overweging te nemen.

X stelt dat hij naast zijn dagbehandeling bij “De Tender” van thans nog twee dagen per week gedurende de resterende drie werkdagen wil werken. Bij brief van 29 april 2002 heeft de projectleider van “De Tender” dat vanuit therapeutisch oogpunt ontraden en daaraan toegevoegd dat het volgen van de therapie adequaat functioneren op een werkplek minder goed mogelijk maakt. Er bestaan ook nog geen concrete aanwijzingen dat X daadwerkelijk parttime arbeid vindt en die zal kunnen volhouden. Tegenover de omvang van de bedrijfsschulden, onbetaald gebleven als gevolg van de ontucht, werpt X enkel wens om parttime te gaan werken onvoldoende gewicht in de schaal om hem niettemin tot de schuldsaneringsregeling toe te laten.

X heeft ook aangeboden dat zijn schuldsanering anderhalf jaar langer zou mogen duren dan de normale duur van drie jaar. Daargelaten of daarover thans een beslissing zou kunnen worden genomen, bestaat daartoe al geen aanleiding omdat de verwijtbaarheid van de ontucht met alle daaruit voortvloeiende gevolgen, waaronder het onbetaald laten c.q. ontstaan van de bedrijfsschulden, te zwaar weegt om X tot een (langer durende) schuldsaneringsregeling toe te laten.

Ten slotte moet worden bedacht dat X met een der slachtoffers thans volgens hem 17 à 18 jaar oud, geen schaderegeling heeft getroffen, laat staan uitgevoerd. Dat zo’n slachtoffer, wanneer deze eenmaal een schadeclaim zou indienen, met de gevolgen van de schuldsaneringsregeling zou worden geconfronteerd, vormt een reden te meer om X niet toe te laten.

3.5 Niet wordt beoogd X voor een tweede keer te straffen voor de gepleegde delicten. Het plegen van misdrijven, zeker ontucht met minderjarigen, heeft niet alleen strafrechtelijke gevolgen maar ook, voorzienbare, ernstige maatschappelijke en financiële gevolgen, zoals deze zich hier hebben gemanifesteerd. Op grond van artikel 288 lid 2, aanhef en onder b Faillissementswet kan daaraan bij het onderzoek naar het ontstaan en het onbetaald blijven van schulden niet worden voorbijgegaan.

Het verzoek van X wordt dus afgewezen en het vonnis bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Almelo 23 april 2002.

Dit arrest is gewezen door mrs. Steeg, Smeëing-Van Hees en Van den Heuvel en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juni 2002.