Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AN9818

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-03-2002
Datum publicatie
15-12-2003
Zaaknummer
21-002071-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven.

en

Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-002071-01

Uitspraak dd.: 28 maart 2002

TEGENSPRAAK

GERECHTSHOF TE ARNHEM

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Zwolle van 4 oktober 2001 in de strafzaak tegen

[Verdachte].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 maart 2002 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis, waarvan beroep, zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

De telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat telastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 telastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

(zie voor de inhoud van de bewezenverklaring bijlage III)

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven.

en

Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft verdachte ter zake van het tot tweemaal toe –zakelijk weergegeven- plegen van diefstal met geweldpleging, alsmede ter zake van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en van de vrijheid beroofd houden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte, eveneens ter zake van het tot tweemaal toe plegen van diefstal met geweldpleging, alsmede ter zake van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en van de vrijheid beroofd houden, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op grond van de persoon van verdachte.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder rekening gehouden met de brute en uiterst bedreigende wijze waarop de overvallen zijn uitgevoerd. Door aldus te handelen heeft verdachte in ernstige mate inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke integriteit van de slachtoffers.

Naar de ervaring leert zullen de slachtoffers nog lange tijd psychische gevolgen kunnen ondervinden van wat hun is overkomen.

Naar het oordeel van het hof zijn de door verdachte gepleegde feiten zo ernstig en voor de direct betrokkene en de samenleving zo verontrustend dat alleen een vrijheidsbenemende straf van langere duur in aanmerking komt.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [a] heeft in eerste aanleg een vordering tot vergoeding van de immateriële schade ten bedrage van fl. 7.500,- (thans € 3403,35) ingesteld.

Deze vordering is bij vonnis, waarvan beroep, bij wijze van voorschot toegewezen.

Daarnaast heeft de benadeelde partij [a] verzocht om vergoeding van de kosten voor de rechtsbijstand, te weten een bedrag van fl. 1.190,- (thans € 540,00).

Bij vonnis is verdachte verwezen in de door de benadeelde partij [a] gemaakte kosten tot een bedrag van fl. 1.000,- (thans € 453,78).

In het vonnis, waarvan beroep, is voorts op grond van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, aan verdachte de verplichting tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van genoemde benadeelde opgelegd.

De benadeelde partij [a] heeft zich in hoger beroep niet gevoegd voor zover de gevorderde schadevergoeding in eerste aanleg niet was toegewezen.

Naar het oordeel van het hof is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij [a] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaard handelen schade heeft geleden tot het toegewezen bedrag. De vordering is voor toewijzing –bij wijze van voorschot- vatbaar. De verdachte is voor die schade naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Voorts zal het hof verdachte verwijzen in de door de benadeelde partij [a] gemaakte kosten voor rechtsbijstand.

De benadeelde partij [b] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding, te splitsen in materiële en immateriële schade, ten bedrage van fl. 52.824.60 (thans € 23.970,76) ingesteld.

Deze vordering is bij vonnis, waarvan beroep, voor wat betreft de immateriële schade, bij wijze van voorschot toegewezen tot een bedrag van fl. 7.500,- (thans € 3403,35). Voor het overige is de benadeelde partij [b] in die vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast heeft de benadeelde partij [b] verzocht om vergoeding van de kosten voor de rechtsbijstand, te weten een bedrag van fl. 1.190,- (thans € 540,00).

Bij vonnis is verdachte verwezen in de door de benadeelde partij [b] gemaakte kosten tot een bedrag van fl. 1.000,- (thans € 453,78).

In het vonnis, waarvan beroep, is voorts op grond van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, aan verdachte de verplichting tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van genoemde benadeelde opgelegd.

De benadeelde partij [b] heeft zich in hoger beroep niet gevoegd voor zover de gevorderde schadevergoeding in eerste aanleg niet was toegewezen.

Naar het oordeel van het hof is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij [b] als gevolg van het onder 2 en 3 bewezen verklaard handelen schade heeft geleden tot het toegewezen bedrag. De vordering is in zoverre voor toewijzing –bij wijze van voorschot- vatbaar. De verdachte is voor die schade naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Voorts zal het hof verdachte verwijzen in de door de benadeelde partij [b] gemaakte kosten voor rechtsbijstand.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 57, 282, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 telastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [a] van een bedrag –bij wijze van voorschot- van € 3.403,35 (drieduizendvierhonderddrie euro en vijfendertig cent), met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

Verwijst verdachte in de kosten van de benadeelde partij [a], tot de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep begroot op € 453,78.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de staat, ten behoeve van benadeelde [a], een bedrag te betalen van € 1.134,45 (duizendeenhonderdvierendertig euro en vijfenveertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis.

Bepaalt, dat indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de staat van € 1.134,45 ten behoeve van de benadeelde partij [a], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dat bedrag te betalen komt te vervallen, en andersom, indien verdachte aan de benadeelde partij dat bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dat bedrag ten behoeve van de benadeelde partij komt te vervallen.

Veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [b], van een bedrag –bij wijze van voorschot- van € 3.403,35 (drieduizendvierhonderddrie euro en vijfendertig cent), met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

Verwijst verdachte in de kosten van de benadeelde partij [b], tot de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep begroot op € 453,78.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de staat, ten behoeve van benadeelde partij [b], een bedrag te betalen van € 1.134,45 (duizendeenhonderdvierendertig euro en vijfenveertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis.

Bepaalt, dat indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de staat van € 1.134,45 ten behoeve van de benadeelde partij [b], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dat bedrag te betalen komt te vervallen, en andersom, indien verdachte aan de benadeelde partij [b] dat bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dat bedrag ten behoeve van de benadeelde partij komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr Vegter, voorzitter,

mrs Van Houten en Lauwaars, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr Van Onna, griffier,

en op 28 maart 2002 ter openbare terechtzitting uitgesproken.