Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AF3391

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-12-2002
Datum publicatie
27-01-2003
Zaaknummer
00-01766
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-0220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

vierde enkelvoudige belastingkamer

nummer 00/01766 (inkomstenbelasting)

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

ambtenaar : Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen te [P]

aangevallen beslissing : uitspraak d.d. 16 augustus 2000 op bezwaar

betreft : aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen

jaar : 1997

aanslagnummer : [01.H76]

mondelinge behandeling : op 23 april 2002 te Arnhem

waarbij verschenen : [belanghebbendes gemachtigde, alsmede de Inspecteur]

tweede mondelinge behandeling: met toestemming van beide partijen niet gehouden

gronden:

1. Belanghebbende was in 1997 in loondienst bij [X] Beheer BV. Tot 27 december 1996 was belanghebbende directeur-enig aandeelhouder van deze vennootschap. Op die datum verkocht hij 90% van de aandelen [X] Beheer BV aan Stichting [A] voor ƒ 4.900.000,-.

2. Belanghebbende belegde de opbrengst van de verkoop na diverse transacties in effecten (ƒ 2.555.947,- per 31 december 1997), in tegoeden bij [twee banken] (in totaal ƒ 1.425.599,- per 31 december 1997) en in een vordering op [Stichting A] (ƒ 412.776,-per 31 december 1997). Het restant van de opbrengst gebruikte belanghebbende voor de aflossing van schulden. Volgens belanghebbendes aangifte bedroeg zijn belastbaar vermogen per 1 januari 1998 ƒ 3.017.881,-.

3.1. Belanghebbende heeft in het verleden voor consumptieve doeleinden in rekening-courant bij [X] Beheer BV gelden opgenomen. Per eind 1996 bedroeg het debetsaldo ƒ 504.744,- ( rente 7,5%).

3.2. Per eind 1997 bedroeg het debetsaldo ƒ 612.653,- ( rente 6%).

3.3. In 1998 heeft belanghebbende de rekening-courant tot op ƒ 39.802,- afgelost.

4.1. In 1997 ontving belanghebbende aan rente op de banktegoeden en de vordering

ƒ 65.377,- en aan dividenden, na aftrek van de vrijstelling, ƒ 10.293,-.

4.2. In 1997 betaalde belanghebbende aan rente over de rekening-courant ƒ 65.405,-.

5.1. Voor het antwoord op de vraag of de rente op de rekening-courantschuld over 1997 als consumptieve rente dan wel als aftrekbare kosten (namelijk financieringsrente van het effectenbezit, de banktegoeden en de vordering) is te beschouwen, is bepalend het doel waarvoor de schuld is aangegaan c.q. wordt aangehouden. In het algemeen geldt dat een eenmaal op historische gronden ontstaan verband tussen schuld en doel waarvoor de schuld is aangegaan slechts verbroken kan worden geacht, wanneer zich een ingrijpende wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan.

5.2. In dit geval is de samenstelling van het vermogen van belanghebbende op 27 december 1996 geheel gewijzigd. Deze wijziging is naar het oordeel van het Hof reden het karakter van de rekening-courantschulden vanaf die datum opnieuw te beoordelen.

6.1. Belanghebbende toont met de door hem overgelegde stukken overtuigend aan dat hij, na 27 december 1996, ook zijn rekening-courantschuld zag als een met zijn beleggingen, banktegoeden en vorderingen nauw samenhangend vermogensbestanddeel en dat hij, na 27 december 1996, de op de rekening-courantschuld betaalde rente zag, en objectief gesproken ook kon zien, als kosten tot verwerving van inkomsten. De brief van de Inspecteur van 30 mei 2002 werpt geen wezenlijk ander licht op deze zaak.

7.2. Hierbij is van belang dat artikel 35 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 een finale omschrijving kent (kosten tot verwerving, inning en behoud van de inkomsten). "Een finale omschrijving biedt meer ruimte om recht te doen wedervaren aan het - redelijke en objectief bezien verantwoorde - inzicht van de individuele belastingplichtige met betrekking tot de omvang van de uitgaven die hij zich voor de verwerving van de inkomsten getroost"( M.v.A. blz.51).

7. Vorenstaande oordelen leiden tot de conclusie dat het belastbaar vermogen van belanghebbende dient te worden verminderd tot ƒ 13.246,- ( conform aangifte).

slotsom:

8. Het beroep van belanghebbende is gerond.

proceskosten:

Belanghebbende heeft ter zitting afgezien van een vergoeding van de proceskosten.

beslissing:

Het Gerechtshof

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 13.246,-;

gelast de Inspecteur aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van € 27,23

( ƒ 60,-) te vergoeden.

wijst de Staat der Nederlanden aan als de in artikel 8:74, eerste lid, en artikel 8:75, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde rechtspersoon die het griffierecht dient te vergoeden.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2002 door mr. Matthijssen, raadsheer, lid van de vierde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Vermeulen-Post als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(I.B. Vermeulen-Post) (T.J. Matthijssen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 16 december 2002

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.