Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AF3289

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
24-01-2003
Zaaknummer
02/458
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 728
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 december 2002

derde civiele kamer

rolnummer 2002/458

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

1 [appellant sub 1],

en

2 [appellant sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

procureur: mr. N.L.J.M. Rijssenbeek,

tegen:

1 [geïntimeerde sub 1],

en

2 [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

procureur: mr. W.H.B.K. Brunet de Rochebrune.

1 Het geding in eerste aanleg

De arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft op 11 oktober 2001 een tussenvonnis en op 21 februari 2002 een eindvonnis uitgesproken in het geschil tussen appellanten, hierna te noemen [appellant] (in enkelvoud), als eisers en geïntimeerden, hierna te noemen [geïntimeerde] (in enkelvoud), als gedaagden. Beide vonnissen, naar de inhoud waarvan wordt verwezen, zijn in kopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 17 mei 2002 heeft [appellant] [geïntimeerde] aangezegd in hoger beroep te komen van beide vermelde vonnissen, met gelijktijdige dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] zeven grieven tegen het eindvonnis aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof dat eindvonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] alsnog zal veroordelen conform het in de inleidende dagvaarding geformuleerde, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven van [appellant] bestreden en geconcludeerd dat het hof het eindvonnis waarvan beroep, al dan niet onder wijziging en/of verbetering van gronden, zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van (lees:) het hoger beroep.

2.4 Daarna is arrest bepaald op heden.

3 De vaststaande feiten

Tegen de door de rechtbank in het eindvonnis onder 1 tot en met 4 vastgestelde feiten is geen grief gericht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 Tegen het vermelde tussenvonnis van de rechtbank is geen grief gericht, zodat [appellant] in zoverre in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

4.2 De kern van het geschil tussen partijen is het volgende. Na de eigendomsoverdracht van het perceel [...], hierna te noemen: de woning, door [geïntimeerde] aan [appellant] heeft [appellant] ontdekt dat in de cementen dekvloer van de twee slaapkamers aan de voorzijde van de woning een grote diepe scheur voorkomt die geheel doorloopt in de lengterichting van de slaapkamers, alsmede dat die vloer ter plaatse van de scheidingswand circa 1 à 1,5 cm hoger is dan in de richting van het midden van de vloer. [appellant] wil op die vloer parket aanbrengen. Daarvoor zijn egalisatiewerkzaamheden vereist. Bovendien wil hij daar een ruim tweepersoons waterbed van 800 à 1000 kg plaatsen, hetgeen zonder ingrijpende werkzaamheden (o.m. het aanbrengen van twee stalen balken onder de verdiepingsvloer) niet mogelijk is, omdat de vloer onvoldoende draagvermogen bezit. [appellant] stelt zich op het standpunt dat te dezen sprake is van non-conformiteit in de zin van artikel 7:17 BW en vordert op die grond van [geïntimeerde] als verkoper de noodzakelijke herstelkosten ad € 5.241,16 inclusief BTW met rente en (buitengerechtelijke) kosten.

4.3 [appellant] heeft het geschil in volle omvang aan het hof voorgelegd. Het hof zal de grieven gezamenlijk bespreken.

4.4 Partijen twisten over de vraag of die scheur er al zat ten tijde van de verkoop van de woning door [geïntimeerde] aan [appellant]. Volgens [appellant], die zich te dezen beroept op het inspectierapport van Pythagoras Bouwmanagement B.V. d.d. 28 februari 2001 en de brief van ing. De Rijck van Pythagoras aan [appellant sub 2] d.d. 7 maart 2001, is de scheur terug te voeren tot een uitvoerings- en/of constructiefout ten tijde van de bouw van de woning in 1979 en moet derhalve zijn ontstaan direct na ingebruikname van de woning door de eerste bewoner. [geïntimeerde] betwist dit, stellende dat hij niet bekend is geweest met een scheur in de vloer in de slaapkamers en dat hij bij het vernieuwen van de vloerbedekking - kennelijk na aankoop door hem van de woning in 1995 - geen scheur heeft geconstateerd. Hij suggereert dat de scheur is ontstaan nadat [appellant] het waterbed heeft geplaatst.

4.5 De rechtbank heeft in het eindvonnis onder 8 geoordeeld dat vaststaat dat sprake is van een constructiefout. Deze vaststelling is in hoger beroep niet bestreden. [appellant] heeft ook in hoger beroep gesteld dat sprake is van een constructiefout en [geïntimeerde] erkent in zijn reactie op grief I dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat sprake is van een constructiefout.

4.6 Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] bekend is geweest met de constructiefout, inhoudende dat de litigieuze verdiepingsvloer niet het in het bestek voorziene draagvermogen heeft van 200 kg/m2 maar feitelijk slechts van 150 kg/m2.

4.7 Aangezien sedert de bouw van de woning in 1979 opeenvolgende bewoners, nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, zonder problemen met het draagvermogen van de vloer de bewuste slaapkamers hebben kunnen gebruiken en waar de rechtbank - in hoger beroep niet bestreden - heeft overwogen (rov. 8 van het eindvonnis) dat het niet zo is dat een vloer met een belastbaarheid van 150 kg/m2 het op enig moment zal begeven, is deze - voor het plaatsen van het door [appellant] gewenste waterbed onvoldoende draagvermogen hebbende - verdiepingsvloer, wat dat draagvermogen betreft, op zichzelf niet aan te merken als non-conform in de zin van artikel 7:17 BW.

4.8 Vaststaat dat partijen ten tijde van de koop in het geheel niet hebben gesproken over de wens van [appellant] om het vermelde waterbed in de slaapkamer te plaatsen. Tot enig ‘bijzonder gebruik’ in de zin van artikel 7:17 BW, zo overweegt het hof ambtshalve, kan daarom ook niet worden geoordeeld.

4.9 Het hof verwerpt de stelling van [appellant] - zakelijk weergegeven - dat kopers van een 20 jaar oude woning, zoals in casu, zonder meer mogen verwachten dat de verdiepingsvloer een waterbed, zoals [appellant] er wenst te plaatsen, kan dragen. De onhoudbaarheid van deze stelling van [appellant] volgt ook al uit het feit dat de bewuste vloer - ook als deze zonder uitvoerings/constructiefout geheel conform bestek was aangebracht en dus een draagvermogen had gehad van 200 kg/m2 - het gewenste waterbed niet zou hebben kunnen dragen. Tegen de desbetreffende overweging van de rechtbank (rov. 9 van het eindvonnis) is geen grief gericht.

4.10 Uit het vorenoverwogene volgt dat, ook al zou [geïntimeerde] hebben geweten van de scheur, hetgeen hij betwist, en ook al zou hij dienaangaande een spreekplicht hebben gehad, de schending van die spreekplicht niet kan leiden tot het rechtsgevolg dat [geïntimeerde] jegens [appellant] aansprakelijk is voor de kosten van werkzaamheden gemoeid met het aanpassen van de verdiepingsvloer opdat zij het door [appellant] gewenste waterbed kan torsen.

4.11 Dan komt aan de orde de vraag of [geïntimeerde] jegens [appellant] aansprakelijk is voor de kosten betreffende het herstel van de grote scheur, het egaliseren van de vloer, in verband met het voornemen van [appellant] om daarop een parketvloer aan te brengen.

4.12 Het hof oordeelt hierover als volgt. Indien [geïntimeerde] op de hoogte zou zijn geweest van de grote scheur in de slaapkamervloer, dan had hij zulks aan [appellant] als aspirant-koper moeten mededelen. Door dat na te laten zou hij aansprakelijk zijn voor de kosten van het egaliseren van de vloer. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat hij van die scheur kennis droeg. Het hof wil op dit punt nadere inlichtingen van partijen, mede in verband met de vraag op welke partij, indien het tot een bewijsopdracht mocht komen, de bewijslast zal worden gelegd. Daartoe zal een comparitie van partijen worden bepaald, die mede zal worden gebruikt teneinde te onderzoeken of partijen tot een minnelijke regeling kunnen komen.

4.13 De slotsom luidt dat een comparitie van partijen zal worden bepaald. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 Beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bepaalt dat partijen in persoon, tezamen met hun advocaten, zullen verschijnen voor het te dezen tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. G.J. Rijken, die daartoe zitting zal houden in één der vertrekken van het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader te bepalen dag en uur, zulks tot het geven van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling als vermeld in rov. 4.12 van dit arrest;

bepaalt dat de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden februari tot en met mei 2003 zullen worden opgegeven ter rolle van het hof van 21 januari 2003 ambtshalve peremptoir, waarna dag en uur der comparitie (ook indien voormelde opgave van één of meer der partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld en in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen zal worden verleend;

bepaalt dat partijen bescheiden waarop zij ter comparitie een beroep zouden willen doen, zullen overleggen door deze uiterlijk twee weken vóór de dag der comparitie in kopie aan de wederpartij en aan de raadsheer-commissaris toe te zenden;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Rijken, Van Loo en Wammes en is uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 24 december 2002.

Dit arrest is ondertekend door de rolraadsheer.