Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AF2266

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-12-2002
Datum publicatie
23-12-2002
Zaaknummer
21-001844-02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2002:AE4986
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-001844-02

Uitspraak dd.: 23 december 2002

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 9 juli 2002 in de strafzaak tegen

[verdachte],

thans verblijvende in het huis van bewaring "Demersluis" te Amsterdam.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 december 2002 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat telastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6 primair telastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 2 augustus 2001 te [A.] opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk na een (kort) tevoren genomen besluit, een handgranaat in een woning ([adres]), alwaar die [slachtoffer 1] verbleef, heeft gegooid en tot ontploffing heeft gebracht, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

2.

hij op 2 augustus 2001 te [A.] opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk na een (kort) tevoren genomen besluit, een handgranaat in een woning ([adres]), alwaar die [slachtoffer 2] verbleef, heeft gegooid en tot ontploffing heeft gebracht, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

3.

hij op 2 augustus 2001 te [A.], ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer 3]van het leven te beroven, opzettelijk na een (kort) tevoren genomen besluit, een handgranaat in een woning [adres], alwaar die [slachtoffer 3] verbleef, heeft gegooid en tot ontploffing heeft gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op 2 augustus 2001 te [A.], ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 4] van het leven te beroven, opzettelijk een handgranaat in een woning [adres], alwaar die [slachtoffer 4] verbleef, heeft gegooid en tot ontploffing heeft gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.

hij op 2 augustus 2001 te [A.], ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 5] van het leven te beroven, opzettelijk een handgranaat in een woning [adres], alwaar die [slachtoffer 5] verbleef, heeft gegooid en tot ontploffing heeft gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6.

hij op 2 augustus 2001 te [A.], ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 6] van het leven te beroven, opzettelijk een handgranaat in een woning [adres], alwaar die [slachtoffer 6] verbleef, heeft gegooid en tot ontploffing heeft gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde:

telkens: Moord.

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Poging tot: Moord.

ten aanzien van het onder 4, 5 en 6 bewezenverklaarde:

telkens: Poging tot: Doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Door de raadsman van verdachte is een beroep gedaan op noodweerexces cq putatieve noodweersituatie. Hij heeft daartoe gronden aangevoerd, zoals weergegeven in de door hem ter terechtzitting overgelegde pleitnota.

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof zijn de navolgende feiten en/of omstandigheden gebleken:

Verdachte heeft ter terechtzitting van de arrondissementsrechtbank van 10 april 2002 verklaard dat hij op 2 augustus 2001 telefonisch contact heeft gehad met [slachtoffer 2], waarbij [slachtoffer 2] hem allerlei dreigementen naar zijn hoofd zou hebben geslingerd.

Na dat telefoongesprek is hij naar de woning van [slachtoffer 4] aan de [adres] gegaan. Toen hij naar de woning van [slachtoffer 4] ging heeft hij de handgranaat bij zich gestoken.

Korte tijd later kwamen [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] naar de woning van [slachtoffer 4].

Uit de verklaring van [slachtoffer 5], die op 2 augustus 2001 in de woning aan de [adres] te [A.] was, blijkt dat verdachte toen hij een auto hoorde stoppen zei: "Dat is [slachtoffer 2 ], ik ben er niet, anders moet ik een handgranaatje naar binnen gooien".

[slachtoffer 6], die op 2 augustus 2001 eveneens in de woning aan de [adres] 84 te [A.] was, heeft toen [slachtoffer 2] eraan kwam verdachte horen zeggen: "Zeg maar dat ik er niet ben" en "Ik zal mijn handgranaat even trekken", in ieder geval woorden van gelijke strekking.

Nadat [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] in de woning waren, ontstond er een vechtpartij, waaraan verdachte zich wist te onttrekken door naar buiten te rennen en de voordeur achter zich te sluiten. Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij de handgranaat al in zijn hand had toen hij naar buiten rende.

Nadat verdachte de deur open hoorde gaan keek hij achterom en zag hij [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] Vervolgens heeft verdachte de handgranaat in de gang van de woning gegooid, alwaar [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] stonden.

Het hof is van oordeel, dat, zo al kan worden aangenomen, dat verdachte, toen hij de handgranaat gooide, zich bevond in een situatie waarin het gebruik van geweld gelegitimeerd was, in elk geval verdachte daarbij de grenzen van het toelaatbare verre heeft overschreden. Die overschrijding is naar het oordeel van het hof niet het onmiddellijk gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt; immers, het door verdachte gepleegde geweld is voortgekomen uit een door hem van tevoren reeds genomen besluit om zich onder omstandigheden - die zich in de gegeven situatie voordeden - van de handgranaat te bedienen, en niet uit angst voor zijn belagers.

Ook het subsidiair gedane verweer, een excessieve reactie op een putatieve noodweersituatie, dient te worden verworpen. Het hof acht niet aannemelijk, dat verdachte handelde zoals hij deed vanuit de verkeerde aanname, dat hij zich moest verdedigen, nu het hof tot het oordeel is gekomen, dat verdachte handelde op basis van een reeds vòòr het tegen verdachte gepleegde geweld genomen besluit.

Omtrent verdachte is een multidisciplinair rapport opgemaakt door M.D. van Ekeren, psychiater, en J.K. Kruijt, psycho-loog, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht, gedateerd 3 april 2002.

Dit rapport houdt onder meer in als conclusie, zakelijk weergegeven:

Wij zijn van mening dat verdachte ten tijde van het plegen van de hem telastegelegde feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid, overeenkomstig een dergelijk besef, te bepalen.

Wij concluderen dat verdachte ten tijde van het plegen van de hem telastegelegde feiten lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat deze feiten hem slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien jaren. Verdachte is in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen hoofdstraf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden- dat verdachte nadat hij de woning aan de [adres] te [A.] had verlaten een handgranaat in de gang van die woning heeft gegooid en tot ontploffing gebracht, terwijl hij wist dat zich in die gang [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] bevonden en dat [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] zich elders in de woning bevonden. Door de ontploffing van de handgranaat zijn [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] overleden en is [slachtoffer 3] zwaar gewond geraakt. Voorts heeft verdachte het leven van [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] op het spel gezet.

Door de bewezenverklaarde feiten is veel leed toegebracht aan de slachtoffers en de nabestaanden van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten, zijn in sterke mate gevoelens van onveiligheid en onrust bij anderen opgewekt en vergroot en is de rechtsorde in buitengewoon ernstige mate geschokt.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 5498.36 (vijfduizendvierhonderdachtennegentig euro en zesendertig cent) ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2101,46 (tweeduizendeenhonderdeen euro en zesenveertig cent) ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 3 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 226,89 (tweehonderdzesentwintig euro en negenentachtig cent) ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 6 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6 primair telastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

de aan [benadeelde partij] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 5.498,36 (vijfduizend vierhonderdachtennegentig euro en zesendertig cent).

Verwijst verdachte in de op de vordering gevallen kosten en bepaalt deze, voorzover aan de zijde van de benadeelde partij gevallen, op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij] een bedrag te betalen van € 5.498,36 (vijfduizend vierhonderdachtennegentig euro en zesendertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 109 (eenhonderdnegen) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [slachtoffer 3] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 2.101,46 (tweeduizend eenhonderdeen euro en zesenveertig cent).

Verwijst verdachte in de op de vordering gevallen kosten en bepaalt deze, voorzover aan de zijde van de benadeelde partij gevallen, op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3]een bedrag te betalen van € 2.101,46 (tweeduizend eenhonderdeen euro en zesenveertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 42 (tweeënveertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [slachtoffer 6], toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 226,89 (tweehonderdzesentwintig euro en negenentachtig cent).

Verwijst verdachte in de op de vordering gevallen kosten en bepaalt deze, voor zover aan de zijde van de benadeelde partij gevallen, op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 6] een bedrag te betalen van € 226,89 (tweehonderdzesentwintig euro en negenentachtig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr Lion, voorzitter,

mrs Denie en De Vries, raadsheren,

in tegenwoordigheid van Kruithof, griffier,

en op 23 december 2002 ter openbare terechtzitting uitgesproken.