Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AF1038

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-09-2002
Datum publicatie
25-11-2002
Zaaknummer
01/617
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2002/2701
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 september 2002

tweede civiele kamer

rolnummer 2001/617

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

De Staat der Nederlanden,

waarvan de zetel is gevestigd te ‘s-Gravenhage,

eiser na verwijzing,

procureur: mr. J.C.N.B. Kaal.

tegen:

[gedaagde na verwijzing],

wonende te [woonplaats],

gedaagde na verwijzing,

procureur: mr. F.J. Boom,

1 Het geding na cassatie en verwijzing

1.1 Voor het geding tot en met cassatie en verwijzing verwijst het hof naar de overwegingen 1 en 2 van het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2001 (NJ 2001, 570). Bij genoemd arrest heeft de Hoge Raad het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 20 april 2000 vernietigd en het geding verwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing.

1.2 Bij exploit tot oproeping na verwijzing van 5 juli 2001 heeft [gedaagde na verwijzing] de Staat opgeroepen om verder te procederen voor dit hof.

1.3 Bij memorie na verwijzing heeft [gedaagde na verwijzing] zijn zienswijze gegeven over de verdere afdoening van het geschil, heeft hij bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest – voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad – de Staat zal veroordelen aan hem te betalen – en daarmee rechtdoende, gelijk de eerste rechter had behoren te doen – tegen behoorlijk bewijs van kwijting terzake extra vergoeding wegens bijzondere geschiktheid, het bedrag van f. 430.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 januari 1998 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met een bedrag van f. 3.000,- terzake correctie van de grondwaarde en voorts met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure.

1.4 Bij memorie na verwijzing heeft de Staat eveneens haar zienswijze gegeven over de verdere afdoening van het geschil en heeft hij geconcludeerd dat het hof, hetzij in een tussenarrest, hetzij in een voorlopige rapportage van door het hof te benoemen deskundigen, op de in het voorgaande gestelde vragen zal ingaan en dat daarbij zal worden aangegeven welke gegevens door partijen aan het hof ter beschikking dienen te worden gesteld.

1.5 Ter terechtzitting van dit hof van 7 mei 2002 hebben [gedaagde na verwijzing] en de Staat hun standpunten mondeling doen uiteenzetten aan de hand van overgelegde pleitnotities. Voor [gedaagde na verwijzing] trad daarbij op mr. A.M. Rottier, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en voor de Staat mr. B.S. ten Kate, advocaat te Arnhem.

1.6 Ten slotte hebben partijen de stukken van het geding voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

2 Beoordeling van het geding na cassatie en verwijzing

2.1 Het onderhavige geding betreft de onteigening van een aantal percelen en perceelsgedeelten op de linkeroever van de Waal stroomafwaarts van Millingen aan de Rijn, op een deel waarvan de bestaande Waalbandijk is gelegen. De onteigening geschiedt ter zodanige verbetering van het dijkvak Millingse Bandijk en van het dijkvak Duffeltdijk dat deze dijkvakken zullen voldoen aan de in artikel 3, lid 1, van de Wet op de waterkering bedoelde veiligheidsnorm, zoals nader bepaald in Bijlage II bij die wet.

2.2 Het geschil dat partijen thans nog verdeeld houdt betreft de vraag of de te onteigenen grond door de aanwezigheid van klei en zand in de bestaande dijk een bijzondere geschiktheid heeft voor het doel waarvoor de Staat over die grond wil beschikken. De rechtbank heeft, in het voetspoor van de door haar benoemde deskundigen, geoordeeld dat van een bijzondere geschiktheid van het onteigende geen sprake is (overweging 3.2 van het eindvonnis). De Hoge Raad heeft naar aanleiding van een daartegen gericht cassatiemiddel het desbetreffende oordeel van de rechtbank vernietigd. De Hoge Raad heeft daartoe overwogen:

“3.5. (…) In het commerciële verkeer pleegt de prijs van een zaak die voor het verwezenlijken van een bepaald doel reeds een grotere geschiktheid heeft verworven dan soortgelijke zaken hebben, die in de regel voor dat doel worden gebezigd, hoger te liggen dan de prijs van vorenbedoelde soortgelijke zaken, omdat met behulp van die zaak het doel met minder dan de gebruikelijke kosten zal kunnen worden bereikt. Evenzo dient bij een onteigening in een geval als het onderhavige rekening te worden gehouden met de bijzondere geschiktheid die de te onteigenen zaak reeds heeft voor het doel waarvoor onteigend wordt. De onderhavige onteigening vindt plaats ter uitvoering van de Wet op de waterkering ter beveiliging van het achtergelegen land tegen overstromingen, en het doel ervan is de waterkering te doen beantwoorden aan de in artikel 3, lid 1, van deze wet bedoelde, in de bijbehorende Bijlage II nader bepaalde veiligheidsnorm, die voor het betrokken dijkringgebied een gemiddelde overschrijdingskans van 1/250 (1/1250, hof) per jaar inhoudt.

Deskundigen hebben de juistheid van de stelling van [gedaagde na verwijzing] aanvaard dat dankzij de aanwezigheid van de bestaande dijk met een beperkt verbeteringswerk kan worden volstaan. Bij dat, kennelijk door de Rechtbank onderschreven, uitgangspunt brengt het vorenoverwogene mee dat bij de bepaling van de werkelijke waarde van het onteigende rekening moet worden gehouden met de bijzondere geschiktheid die het heeft voor het doel waarvoor de Staat daarover wil beschikken.

3.6. Daaraan doet niet af de - door de Rechtbank kennelijk onderschreven - tegenwerping van deskundigen dat het door [gedaagde na verwijzing] ingenomen standpunt het irreële gevolg zou hebben dat eigenaren van dijken die aan de te stellen veiligheidseisen voldoen en dus niet verbeterd behoeven te worden, niets ontvangen, respectievelijk dat zulke dijken niet voor aankoop of onteigening in aanmerking komen. Bij deze tegenwerping wordt immers miskend dat, nu voor een overheidslichaam geen grond bestaat om over te gaan tot onteigening van een dijk die geen verbetering behoeft en bovendien reeds bij dat overheidslichaam in beheer en onderhoud is, er in zulk een geval geen ontneming van de eigendom plaatsvindt en er derhalve ook geen reden bestaat om de eigenaar van die dijk enigerlei vergoeding toe te kennen.

Anders dan deskundigen hebben aangenomen, levert ook de omstandigheid dat de aan [gedaagde na verwijzing] toebehorende dijkgedeelten sedert jaar en dag bij de Staat in beheer en onderhoud zijn, geen redelijke grond op om hem een aanspraak op een extra vergoeding wegens bijzondere geschiktheid van het onteigende te ontzeggen.”

2.3 [gedaagde na verwijzing] vordert als vergoeding wegens bijzondere geschiktheid in hoofdsom een bedrag van f. 430.000,-. Hij verwijst voor de onderbouwing van zijn vordering naar het taxatierapport van [naam taxateur] van maart 1998 (productie bij de aanvullende notitie voor de deskundigen van [gedaagde na verwijzing] in eerste aanleg). Hierin staat wat betreft de bijzondere geschiktheid vermeld (p. 6-7):

“Blijkens de berekeningen van Rijkswaterstaat bevindt zich in de te verkopen stroken een totale hoeveelheid specie van ± 44.375 m3, te verdelen in 8.315 m3 bovengrond en 36.060 m3 kernmateriaal. Het kernmateriaal bevat de zogenaamde ‘schuifdijk’ met een inhoud van ± 9.000 m3 schoon zand. Het resterende deel ± 27.060 m3 betreft klei. De specie is variërend van samenstelling, doch is gemiddeld van goede kwaliteit en zou voor een groot gedeelte als steenfabrieksklei gebruikt kunnen worden, echter normaliter zou deze specie niet winbaar zijn. Daarnaast is ± 3.849 m3 lavasteen en puin, alsmede ± 1.135 m3 asfaltverharding/puin aanwezig.

In het kader van de onderhavige dijkverbeteringswerken wordt het te verkopen gedeelte opgenomen in het werk en zelfs zodanig dat nagenoeg geen vergraving plaats vindt (behoudens de bovenlaag), zodat de aanwezige specie als bruikbaar kan worden aangemerkt. Samenstelling en opbouw is zodanig dat de aanwezige specie niet vergraven wordt, waardoor voor de uitvoering van het werk een aanzienlijke kostenbesparing ontstaat. Er is in het onderhavige geval derhalve sprake van bijzondere geschiktheid voor het doel waarvoor de Staat de aan te kopen stroken gaat gebruiken. Temeer omdat bedoelde delen reeds eeuwen eigendom zijn van de familie van de belanghebbende welke de dijken in het verleden zelf voor eigen rekening hebben opgehoogd. Aangezien het hier handelt om – het werk weggedacht – onwinbare bodembestanddelen zou normaliter het netto voordeel wegens de bijzondere geschiktheid op fifty-fifty basis verrekend dienen te worden. Voor de berekening van dit voordeel wordt uitgegaan van de berekening van Rijkswaterstaat ofwel 8.315 m2 bovengrond en 36.060 m3 kernmateriaal. Van dit laatste is 27.060m3 als klei aan te merken. (…)

Doordat de grond voor een groot deel niet vergraven behoeft te worden en de aanwezige specie niet ingekocht behoeft te worden, behaalt de Staat een aanzienlijke kostenbesparing. Uit het bestek blijkt dat de kosten voor aanvoer, verwerken en verdichten zijn begroot op

f. 15.89 per m3 kernmateriaal (zand) x

9000 m3 = f. 143.010,--

en f. 20,29 voor klei x (8.315 m3 +

27.060 m3) = f. 717.759,--

Totale kosten besparing f. 860.769,--

(…)

Gelet op deze aanzienlijke kostenbesparing is ondergetekende van oordeel dat de netto-kostenbesparing, afgerond f. 860.000,-, fifty fifty verdeeld dient te worden, zodat aan belanghebbenden toekomt f. 430.000,-“

2.4 De Staat betwist in haar memorie van antwoord na verwijzing de juistheid van de door [naam taxateur] ten behoeve van [gedaagde na verwijzing] gemaakte berekeningen op een aantal gronden. Ten eerste moet volgens de Staat – kort gezegd - de bestaande dijk niet geheel worden weggedacht, maar geldt als uitgangsmaatstaf het niveau van soortgelijke gronden die in de regel c.q. gebruikelijk – bij voorbeeld in het betrokken dijkkringgebied - worden aangewend ter beveiliging van het achtergelegen land tegen overstromingen. Ten tweede heeft de aanwezigheid van de bestaande dijk volgens de Staat tot extra werkzaamheden geleid (grote hoeveelheden grond zijn voorafgaand aan het hergebruik tijdelijk opgenomen en opgeslagen) en grote delen van de dijk konden wat samenstelling betreft niet worden gebruikt (puin en asbest zijn tegen extra kosten afgevoerd), welke kosten in mindering moeten worden gebracht. Ten derde stelt de Staat dat de aan [gedaagde na verwijzing] toekomende vergoeding wegens bijzondere geschiktheid ingevolge HR 13 mei 1964, NJ 1964, 457 (Chambure/Staat) in mindering moet worden gebracht op de door de rechtbank vastgestelde vergoeding wegens waardevermindering van het overblijvende. [gedaagde na verwijzing] heeft de stellingen van de Staat gemotiveerd betwist.

2.5 Het hof oordeelt als volgt. Bij de bepaling van de werkelijke waarde van het onteigende moet rekening worden gehouden met de bijzondere geschiktheid die het heeft voor het doel waarvoor de Staat daarover wil beschikken. Voor de beoordeling of een zaak bijzonder geschikt is voor het doel waarvoor wordt onteigend, moet een vergelijking worden gemaakt met soortgelijke zaken die in de regel voor dat doel worden gebezigd. In het onderhavige geval is het doel waarvoor is onteigend het doen beantwoorden van de desbetreffende waterkering aan de veiligheidsnorm voor het betrokken dijkringgebied (art. 3 lid 1 Wet op de waterkering jo bijlage II bij die wet onder dijkringgebied 42). [gedaagde na verwijzing] heeft het standpunt van de Staat, dat soortgelijke zaken die in de regel daarvoor worden gebezigd bestaande dijklichamen zijn, niet, althans onvoldoende gemotiveerd, bestreden, zodat van de juistheid van die stelling moet worden uitgegaan. Bij de beoordeling van de bijzondere geschiktheid van de onderhavige dijk moet naar het oordeel van het hof een vergelijking worden gemaakt met – in acht genomen de eenvoud en hanteerbaarheid van het recht - de gemiddelde omvang en inhoud van een bestaande dijk in het desbetreffen-de dijkringgebied voordat zij is aangepast aan de toepasselijke norm ingevolge de Wet op de waterkering. In zoverre de onderhavige dijk, vanwege de aanwe-zigheid van zand en klei daarin, met minder dan de gebruikelijke kosten kan voldoen aan de genoemde veiligheidsnorm dan een gemiddelde dijk in de zouist vermelde zin, heeft die dijk een bijzondere geschiktheid die als zodanig moet worden gewaardeerd bij de vaststelling van de werkelijke waarde daarvan bij onteigening.

2.6 De waarde van de vergoeding wegens de bijzondere geschiktheid van de onderhavige onteigende dijk bestaat uit het verschil tussen enerzijds de gebruikelijke kosten van aanleg van een dijk ter plaatse die voldoet aan de genoemde norm, waarbij moet worden uitgegaan van de aanwezigheid van een wat omvang en inhoud betreft gemiddelde bestaande dijk in het dijkringgebied, en anderzijds de kosten van de onderhavige (beperkte) versterking van het bestaande dijklichaam om aan die norm te voldoen. Tot laatstgenoemde kosten behoren ook de kosten in verband met extra – vergeleken met een dijk van gemiddelde omvang en inhoud in het desbetreffende dijkringgebied in de eerder bedoelde zin- door de Staat te verrichten werkzaamheden, zoals de kosten van opname en opslag van grote hoeveelheden grond voorafgaand aan het hergebruik alsmede de kosten van afvoer van onbruikbaar puin en asbest die aanwezig zijn in het onderhavige dijklichaam. Dergelijke kosten plegen in het commerciële verkeer immers de prijs van een zaak te beïnvloeden. Indien aldus per saldo een voordeel resteert, moet dit ten slotte tussen partijen bij helfte worden verdeeld.

2.7 Anders dan de Staat heeft aangevoerd, dient de vergoeding wegens bijzondere geschiktheid niet in mindering te worden gebracht op de vergoeding wegens waardevermindering van het overblijvende. De vergoeding wegens waardevermindering van het overblijvende is in het onderhavige geval door de rechtbank toegekend, omdat de waarde van de woning van [gedaagde na verwijzing] is verminderd als gevolg van het feit dat de perceelsgrens na onteigening dichter bij de woning is komen te liggen dan voor de onteigening. Tussen de vergoeding wegens bijzondere geschiktheid en de vergoeding wegens waardevermindering van het overblijvende bestaat onvoldoende verband om de vergoeding voor de een in mindering op de ander te brengen. De door de rechtbank toegekende vergoeding wegens waardevermindering van het overblijvende is voor het overige in cassatie niet aan de orde geweest, zodat van het door de rechtbank toegekende bedrag moet worden uitgegaan.

2.8 Het hof is voornemens drie deskundigen te benoemen om, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, te onderzoeken in welke mate er in het onderhavige geval sprake is van een bijzondere geschiktheid van het onteigende voor het werk waarvoor is onteigend. [gedaagde na verwijzing] heeft er bij gelegenheid van de pleidooien voor dit hof bezwaar tegen gemaakt dat de door de rechtbank benoemde drie deskundigen wederom worden benoemd, omdat hun door de rechtbank overgenomen standpunt omtrent de bijzondere geschiktheid van het onteigende door de Hoge Raad niet werd gedeeld. Het hof onderschrijft dit standpunt van [gedaagde na verwijzing] voorshands niet. [gedaagde na verwijzing] heeft geen bezwaren geuit tegen de persoon van een of meerdere eerder benoemde deskundigen. Van deskundigen mag worden verwacht dat zij hun rapport opmaken met inachtneming van de beslissingen die het hof in dit arrest heeft genomen. Het hof geeft partijen dan ook in overweging om, mede gelet op de kosten, het deskundigenonderzoek in deze zaak te laten verrichten door dezelfde deskundigen die door de rechtbank in deze zaak zijn benoemd. Het hof zal [gedaagde na verwijzing] in de gelegenheid stellen zich bij akte over dit punt uit te laten en, indien hij zijn bezwaar tegen benoeming van deze deskundigen handhaaft, de namen van andere deskundigen te noemen. De Staat zal vervolgens de gelegenheid krijgen om zich hierover bij akte uit te laten en eventueel zelf voorstellen voor andere deskundigen te doen.

2.9 [gedaagde na verwijzing] heeft er bij memorie na verwijzing (onder 5) op gewezen dat het bestreden eindvonnis van de rechtbank onder 3.1 en 3.2 een aperte rekenfout bevat en heeft het hof verzocht die fout te corrigeren. Bij gelegenheid van de pleidooien voor dit hof heeft [gedaagde na verwijzing] erkend dat er geen sprake is van een rekenfout en heeft de onderhavige vordering tot correctie ingetrokken (pleitnota mr. Rottier onder 1). De door [gedaagde na verwijzing] gevorderde correctie behoeft derhalve geen behandeling meer.

2.10 Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden. In verband met het principiële karakter van de beslissing in deze zaak zal het hof bepalen dat beroep in cassatie van dit tussenarrest wordt toegestaan.

Beslissing

Het hof:

stelt [gedaagde na verwijzing] in de gelegenheid om zich bij akte ter rolle van 8 oktober 2002, ambtshalve peremptoir, uit te laten over hetgeen in dit arrest onder 2.8 is overwogen en laat de Staat toe zich bij akte ter rolle van 29 oktober 2002, ambtshalve peremptoir, uit te laten over de akte van [gedaagde na verwijzing];

houdt iedere verdere beslissing aan;

bepaalt dat van dit arrest beroep in cassatie kan worden ingesteld.

Dit arrest is gewezen door mrs. Heisterkamp, Tjittes en Van Eupen en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2002.