Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AF1034

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-11-2002
Datum publicatie
25-11-2002
Zaaknummer
21-001571-02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALM:2002:AE0935
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BD5013
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Wraking
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 315
Wetboek van Strafvordering 512
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2003/66
NbSr 2003/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-001571-02

Uitspraak dd.: 25 november 2002

GERECHTSHOF TE ARNHEM

Wrakingskamer

Beslissing

op het verzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering van

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

De procedure

Bij op 18 november 2002 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift van 18 november 2002 is wraking verzocht van de rechters mrs Van Houten, Abbink en Verheugt. De rechters hebben niet in de wraking berust en wensten geen gebruik te maken van de gelegenheid te worden gehoord.

Het verzoekschrift is behandeld in raadkamer van het hof van 22 november 2002, waar zijn gehoord verzoeker, bijgestaan door mr Plasman, advocaat te Amsterdam, en de advocaat-generaal bij dit hof.

De ontvankelijkheid.

Het hof acht het verzoek tijdig gedaan, en ook overigens zijn er geen gronden het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren.

De gronden van het verzoek tot wraking

Bij tussenarrest van 12 november 2002 heeft de economische strafkamer van het hof onder meer het verzoek tot het horen van [getuige] als getuige afgewezen. Daarbij werd overwogen:

De verdediging heeft verzocht [getuige] als getuige te horen, nu deze mogelijk meer kan verklaren omtrent het zware vuurwerk dat in de zomer van 1999 in C11 lag opgeslagen. Voorts zou de verdediging belang hebben bij het vaststellen van de relatie tussen [getuige] en [medeverdachte].

Het hof acht zich omtrent het bij SE Fireworks in C11 opgeslagen vuurwerk voldoende voorgelicht. Uit het dossier blijkt immers dat vuurwerkopslagplaats C11 (ook) op 13 mei 2000 werd gebruikt voor zeer zwaar vuurwerk, waardoor de verklaring van [getuige] wordt bevestigd. De mogelijke relevantie van het vaststellen van de relatie tussen [getuige] en [medeverdachte] voor enige door het hof te nemen beslissing is niet onderbouwd noch overigens aannemelijk geworden. Het hof acht het horen als getuige van [getuige] niet noodzakelijk en wijst het verzoek af.

Het onderhavige verzoek tot wraking berust, kort gezegd, op de stelling, dat een wezenlijke in het strafgeding tegen [verdachte] te beantwoorden vraag is, of inderdaad op 13 mei 2000 bij SE Fireworks vuurwerk van een hogere classificatie opgeslagen zou zijn geweest dan was vergund. Op die vraag zou door de economische kamer in het tussenarrest reeds (in voor verdachte ongunstige zin) zijn beslist.

De beoordeling van het verzoek tot wraking

Het hof heeft kennis genomen van de brief van de voorzitter van de economische kamer van 18 november 2002 aan de raadsman.

In de hier te geven beslissing dient voorop te staan, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling vermoed wordt onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren, dat de rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert. Voorts geldt, dat het hof zich in het onderhavige incident niet uitsluitend mag laten leiden door de inhoud en de betekenis van de gegeven tussenbeslissing, maar ook door de vraag, of in de ogen van de justitiabele er objectief gerechtvaardigde gronden zijn om te vrezen voor bevooroordeeldheid van de rechters.

Het hof is van oordeel dat, hoezeer ook niet bedoeld zal zijn om in het tussenarrest een eindoordeel te geven over een nog op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting te beslissen punt, de verdachte op grond van de gewraakte passage in redelijkheid wel vrees zou kunnen koesteren, dat de rechters reeds thans, en dus voortijdig, tot een overtuiging zijn gekomen inzake een wezenlijk vraagpunt in deze strafzaak.

Het hof beseft zeer wel, dat in onze rechtsgemeenschap, en met name onder getroffenen, er dringende behoefte bestaat aan definitieve beslissingen inzake de strafbaarheid van mogelijke betrokkenen bij de vuurwerkramp in Enschede (daarvoor was de behandeling van deze complexe zaak met voortvarendheid gepland), maar aan de zorg voor de overtuigingskracht en het gezag van de te nemen beslissingen mogen geen concessies worden gedaan ten behoeve van het tempo van berechting.

De beslissing:

Het hof wijst toe het verzoek tot wraking van mrs Van Houten, Abbink en Verheugt.

Aldus gedaan door

mr Mannoury, voorzitter,

mrs Lion en Denie raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr Van Onna, griffier,

en op 25 november 2002 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr Lion is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.