Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE9083

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
30-10-2002
Zaaknummer
99-03589
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1668
Belastingblad 2003/218
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

tweede meervoudige belastingkamer

nummer 99/03589

U i t s p r a a k

op het beroep van v.o.f. Gebr. [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Hengelo (O) (hierna: de Ambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan haar opgelegde aanslagen havengelden.

1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Aan belanghebbende zijn over het jaar 1999 met dagtekening 31 juli 1999 respectievelijk 31 augustus 1999 twee aanslagen havengelden met aanslagnummers [01 en 02] opgelegd, ten bedrage van ƒ 1016,16 respectievelijk ƒ 3556,56.

1.2. Belanghebbende heeft tegen deze aanslagen bezwaar gemaakt. Het bezwaar is op 17 september 1999 door de Ambtenaar ontvangen. De Ambtenaar heeft de aanslagen bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Ambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad op 7 augustus 2002 ter zitting van het Hof te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord [belanghebbendes gemachtigde, alsmede de Ambtenaar].

1.5. Partijen hebben ter zitting exemplaren van een pleitnota overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Belanghebbende heeft haar pleitnota voorgedragen en de pleitnota van de Ambtenaar wordt geacht te zijn voorgedragen. De inhoud van deze pleitnota's moet als hier ingelast worden aangemerkt. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft belanghebbende bij haar pleitnota een bijlage overgelegd.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is eigenaresse van het motorschip [schip a].

2.2. In de periode [… ... mei tot en met …... mei 1999] heeft belanghebbende met [schip a] vier maal gebruik gemaakt van de haven van Hengelo. Van belanghebbende is ter zake hiervan vier maal havengeld geheven. Voorts heeft belanghebbende in de periode van [... juni 1999 tot en met …... juli 1999] 14 maal gebruik gemaakt van de haven van Hengelo (O). Hiervoor is zij 14 maal in de heffing van het havengeld betrokken.

2.3. De Verordening haven-, kade- en opslaggeld 1995 van de gemeente Hengelo (O) waarop de heffing is gebaseerd en de nadien vastgestelde wijzigingsverordeningen zijn bekendgemaakt in een huis-aan-huisblad. Daarin is mededeling gedaan van de datum van vaststelling, de datum van inwerkingtreding en het ter inzage liggen van de stukken.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de gemeente Hengelo (O) ter zake van het vier maal gebruik maken van de haven in een periode van 14 dagen, vier maal havengeld mag heffen en voorts of de gemeente ter zake van het meerdere malen gebruik maken van de haven, even zo vaak mag heffen als er gebruik is gemaakt.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Belanghebbende stelt dat de heffingen meervoudig en aldus onredelijk zijn. De Ambtenaar betwist deze stelling.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging van de aanslag en verzoekt om herberekening van de aanslagen over de betreffende perioden. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Het bezwaar gericht tegen de aanslag met dagtekening 31 juli 1999 en aanslagnummer [01] is niet binnen deze wettelijke termijn ingediend. Het Hof is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. Nu het bezwaar tegen genoemde aanslag kennelijk niet-ontvankelijk is, dient de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur met betrekking tot deze aanslag te worden vernietigd en dient belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.2. Belanghebbende heeft ter zitting het beroep op een door haar aangehaalde uitspraak van 20 juni 1997 van het Hof te 's-Hertogenbosch laten varen.

a. het begrip reis

4.3. Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening haven-, kade- en opslaggeld 1995 van de gemeente Hengelo (O) (hierna: de Verordening) wordt havengeld geheven per reis per dag of een gedeelte daarvan.

4.4. Belanghebbende stelt - voor het eerst ter zitting - dat nergens in de Verordening wordt aangegeven wat onder een reis wordt verstaan. Zij geeft aan dat zij in onderhavig geval een vervoersovereenkomst heeft gesloten met een opdrachtgever om binnen één week drie keer te laden in [Hengelo (O) en drie keer elders te lossen. In de perceptie van belanghebbende is hier sprake van één vervoersovereenkomst en derhalve van één reis als bedoeld in de Verordening.

4.5. Het Hof verwerpt deze stelling van belanghebbende. In artikel 2, aanhef en onder 4, van de Verordening wordt aangegeven wat in deze verordening onder een reis wordt verstaan, te weten het binnenkomen en ligplaats kiezen van een vaartuig in en het weer verlaten van het gemeentelijk vaarwater. Nadat een vaartuig het gemeentelijk vaarwater heeft verlaten, vangt bij het opnieuw binnenvaren van dit water aldus een nieuwe reis aan als bedoeld in de Verordening. De omstandigheid dat in de 'schipperswereld' een andere omschrijving van het begrip reis wordt gebruikt, doet hieraan niet af.

b. willekeurige en onredelijke belastingheffing?

4.6. Belanghebbende stelt dat de heffing onredelijk is, doordat de heffingen opnieuw zijn opgelegd binnen de periode van weken waarvoor al een heffing was opgelegd en dat aldus sprake is van meervoudige heffingen. Deze opvatting kan het Hof niet volgen.

4.7. Het belastbare feit in de zin van de Verordening is het gebruik maken van gemeentelijk vaarwater en van werken door de gemeente ten behoeve van de scheepvaart gemaakt (artikel 1). Ingevolge artikel 5, aanhef en onder 2, van de Verordening vormt de grondslag van de belasting voor alle overige vaartuigen (naast woonschepen), het aantal kubieke meters waterverplaatsing. Onder waterverplaatsing wordt verstaan de in volumen uitgedrukte waterverplaatsing bij de grootste toegelaten diepgang van het vaartuig, volgens een geldige meetbrief (artikel 2, aanhef en onder 2, van de Verordening).

4.8. De maatstaf van heffing in de Verordening komt het Hof als redelijk en niet willekeurig voor. Dat voorzien is in enkele uitzonderingsgevallen doet hieraan niet af. De Ambtenaar heeft ter zitting aangegeven dat het dichtslibben een op zichzelf staand proces is dat verergerd wordt door het in- en uitvaren van vaartuigen (de reis). De Ambtenaar stelt onweersproken dat dit in- en uitvaren van het gemeentelijk vaarwater kosten, met name de kosten voor het uitbaggeren en op diepte houden van de haven en de kosten van de beschoeiing in de haven veroorzaakt. Ter zitting is onbestreden door de Ambtenaar gesteld dat grotere schepen meer waterverplaatsing met zich mee brengen en aldus meer kosten veroorzaken. In dit geval leidt het belasten van het in- en uitvaren met als grondslag het aantal kubieke meters waterverplaatsing, niet tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing.

4.9. Belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast rust, is ook overigens niet geslaagd in het bewijs van haar stelling dat de Verordening tot een onredelijke en willekeurige heffing van havengelden leidt waarop de regelgever met de toekenning van de heffingsbevoegdheid niet het oog kan hebben gehad.

4.10. De veronderstelling van belanghebbende dat na de heffing van havengeld binnen een periode van 14 dagen niet nogmaals geheven kan worden, is onjuist. Artikel 8, eerste lid, van de Verordening bepaalt voor zover hier van belang, dat de heffing van het havengeld voor een reis recht geeft op een onafgebroken gebruik van gemeentelijk vaarwater gedurende 14 achtereenvolgende dagen. Slechts wanneer men zonder uit te varen maximaal 14 dagen in de haven blijft liggen vangt derhalve geen nieuwe reis aan en wordt niet nogmaals havengeld geheven. Nu in onderhavig geval per reis havengeld is geheven, is van meervoudige heffingen geen sprake.

4.11. Gezien al het vorenoverwogene is het gelijk aan de zijde van de Ambtenaar.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voorzover deze betrekking heeft op de aanslag met dagtekening 31 juli 1999 en aanslagnummer [01] en handhaaft de uitspraak voor het overige;

- verklaart belanghebbende in het bezwaar tegen de aanslag met dagtekening 31 juli 1999 en aanslagnummer [02] alsnog niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond.

Aldus gedaan te Arnhem op 18 september 2002 door mr. J. Lamens, voorzitter, mr. H.E. Koning en mr. drs. W.A.P. Nieuwenhuizen, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Sitsen, als griffier.

(J.M. Sitsen) (J. Lamens)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 18 september 2002

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.