Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE9065

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-09-2002
Datum publicatie
30-10-2002
Zaaknummer
01-00989
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

zesde enkelvoudige belastingkamer

nummer 01/00989

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P] (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan haar opgelegde aanslag premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voor het jaar 1998.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. De aanslag is berekend naar een premie-inkomen van ƒ 64.703.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 14 augustus 2002 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord [belanghebbendes gemachtigde, alsmede de Inspecteur].

1.5. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota's moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is in het onderhavige jaar in dienstbetrekking bij [A] Beheer B.V., in welke vennootschap zij tevens een aanmerkelijk belang heeft. Aan belanghebbende en haar echtgenoot is in verband met hun werkzaamheden een personenauto ter beschikking gesteld met een cataloguswaarde van ƒ 80.000. Ter zake behoort een bedrag van 50% van 20% van ƒ 80.000 is ƒ 8.000 tot belanghebbendes inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 22, eerste lid, juncto artikel 42, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB).

2.2. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur het voordeel ter zake van de ter beschikking gestelde auto ten bedrage van ƒ 8.000 tot het premie-inkomen gerekend. De onderhavige aanslag is door de Inspecteur na bezwaar bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of het voordeel ter zake van de ter beschikking gestelde auto tot het premie-inkomen als bedoeld in artikel 72, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: WAZ) behoort.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Belanghebbende heeft voor het eerst ter zitting een beroep gedaan op schending van het gelijkheidsbeginsel. De Inspecteur is, daarnaar ter zitting gevraagd, bereid geweest en heeft zichzelf voldoende in staat geacht om op deze nieuwe grief te antwoorden.

De Inspecteur heeft voorts opgemerkt dat hij bij het opleggen van de onderhavige aanslag heeft aanvaard dat het loon van belanghebbende is gesteld op een lager bedrag aan beloning (ƒ 59.811) dan het voor het jaar 1998 geldende maximale premie-inkomen.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot één naar een premie-inkomen ten bedrage van ƒ 56.703. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Partijen gaan er in stellingen van uit dat belanghebbende is aan te merken als een directeur-grootaandeelhouder. Het Hof zal partijen daarin volgen nu niet gebleken is dat deze gezamenlijke opvatting, mede gelet op artikel 2, eerste lid, van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder (Stcrt. 1997, 248) berust op een juridisch onjuist uitgangspunt.

4.2. Ter zitting heeft belanghebbende ingetrokken haar primaire stelling dat voor de berekening van het premie-inkomen ingevolge de WAZ de Wet IB geen toepassing vindt, nu artikel 72, derde lid, van de WAZ niet expliciet naar de Wet IB verwijst. Artikel 72, derde lid, van de WAZ geeft, anders dan belanghebbende meende, geen regeling van het premie-inkomen, doch bepaalt op welk bedrag de zuivere inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid in de aldaar beschreven situatie moeten worden gesteld.

Uit deze bepaling volgt dat de in het onderhavige kalenderjaar genoten zuivere inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid, moeten worden gesteld op ƒ 64.703 (ƒ 59.811 minus het bedrag aan arbeidskostenforfait ƒ 3.108 plus ƒ 8.000 wegens autokostenfictie). Immers tot de inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid behoort, gelet op artikel 1, onderdeel l, van de WAZ, ook het voordeel dat belanghebbende geniet op grond van artikel 43, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het premie-inkomen dient in dat geval, ook volgens belanghebbende, bij gebreke van andere in artikel 72, eerste lid , van de WAZ genoemde bronnen van inkomen, op ƒ 64.703 te worden gesteld. Aan de tekst van artikel 72, derde lid, van de WAZ noch aan de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling zijn argumenten te ontlenen voor een andersluidende opvatting. Voorts beroept belanghebbende zich vruchteloos op onderdeel 2, sub e, van het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 14 april 1997, nr. DB97/747M, BNB 1997/170, aangezien dit onderdeel betrekking heeft op de toepassing van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 en niet (mede) op de toepassing van artikel 72 van de WAZ.

4.3. Belanghebbende heeft in haar pleitnota en in de ter zitting daarop gegeven toelichting het subsidiaire standpunt nader geformuleerd als een beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel. Zij klaagt kennelijk erover dat er rechtsongelijkheid bestaat nu het voordeel ter zake van de ter beschikking gestelde auto wel tot het premie-inkomen van de WAZ behoort, terwijl dit voordeel niet tot de premiegrondslag voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) wordt gerekend.

4.4. Het Hof verstaat belanghebbendes standpunt aldus dat zij meent dat sprake is van een ongelijke behandeling tussen werknemers die verzekerd zijn op basis van de WAO en aanmerkelijk belanghouders die verzekerd zijn ingevolge de WAZ.

4.5. Voor een kans biedend beroep op het gelijkheidsbeginsel bij de belastingrechter is het noodzakelijk dat een belanghebbende stelt en aannemelijk maakt ofwel dat de Inspecteur bij de toepassing van de belastingwet in gelijke gevallen een ongelijke behandeling heeft gegeven of ongelijke gevallen niet naar de mate van hun ongelijkheid heeft behandeld, ofwel dat de belastingwet zelf een regeling bevat die op een dergelijke wijze ongeoorloofd onderscheid maakt tussen onder die wet vallende rechtssubjecten. Het is evenwel niet aan de belastingrechter om zich uit te laten over een kwestie als thans is voorgelegd, waar het een noch het ander aan de orde is.

4.6 Ook overigens heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt, en is ook niet aannemelijk geworden dat de premieheffing WAZ voor directeur-grootaandeelhouders in strijd is met de wet of met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

4.7 Het beroep van belanghebbende is derhalve ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan te Arnhem op 14 september 2002 door mr. Lamens, raadsheer, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Linssen als griffier.

(J. Lamens)

Mr. Linssen is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 17 september 2002

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.