Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE8941

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-09-2002
Datum publicatie
21-10-2002
Zaaknummer
01-01410
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1546
V-N 2003/6.14 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Eerste meervoudige belastingkamer

nummer 01/01410

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan hem voor het jaar 1997 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. De aanslag is, in afwijking van de aangifte en mede op basis van een ingesteld boekonderzoek, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 66.172,-.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de aanslag bij de bestreden uitspraak verminderd tot één naar belastbaar inkomen van ƒ 59.310,-.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de Inspecteur daarop een conclusie van dupliek. Tenslotte heeft belanghebbende nog nadere stukken ingediend en kort voor de mondelinge behandeling een pleitnota toegezonden aan het Hof en aan de wederpartij, welke met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad op 2 augustus 2002. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende [zijn gemahtigde] alsmede de Inspecteur.

De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota en de eerder genoemde pleitnota van belanghebbende moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende is registeraccountant en heeft op 15 december 1994 zijn aandelen van Accountantskantoor [X-A] BV (waarin een accountantskantoor werd gedreven) verkocht aan de [A] Groep.

2.2. Na deze verkoop van de aandelen heeft belanghebbende nog tot en met 1997 accountantswerkzaamheden verricht voor de [A] Groep. Op basis van de afspraak, zoals geformuleerd in de brief van 23 november 1994 van zijn adviseur aan de Belastingdienst (opgenomen als bijlage 29 bij het verweerschrift): 'Hij zal jaarlijks hooguit enkele diensten voor de [A] Groep verrichten op declaratiebasis'.

2.3. Deze werkzaamheden zijn verricht in het kader van de overdracht van de aandelen Accountantskantoor [X-A] BV aan de [A] Groep, met als doel het introduceren en begeleiden van de cliënten in de kantoororganisatie van de [A] Groep. Voorts, zo stelt belanghebbende, is hij ingeschakeld voor hem geheel onbekende en nieuwe cliënten van de [A] Groep nu deze organisatie destijds niet beschikte over een gekwalificeerd registeraccountant.

De werkzaamheden voor de [A] Groep, zo bevestigt gemachtigde in zijn pleitnota, nemen in de loop der jaren af.

2.4. Naast deze werkzaamheden voor de [A] Groep heeft belanghebbende belastingaangiften verzorgd voor een aantal particuliere cliënten, en incidenteel een opdracht verkregen van een zakelijke cliënt.

2.5. Op 16 december 1994 heeft belanghebbende zich bij de Belastingdienst aangemeld als startende ondernemer. De inkomsten uit bovenvermelde werkzaamheden heeft hij de daarop volgende jaren in zijn belastingaangifte als volgt, als winst uit onderneming, verantwoord:

1995 1996 1997

[A] Groep 14.991 27.390 6.200

Omzet zakelijke cliënt 1.000

Omzet particulieren 1.090 589

Rentebaten 26.985 8.262 40.642

Bedrijfskosten -/- 37.896 -/- 28.590 -/- 44.817

Winst uit onderneming 5.080 18.152 2.724

De bedrijfskosten omvatten posten als autokosten, kantoor- en huisvestingskosten en afschrijvingen.

2.6. De in bovenstaande opsomming opgenomen rentebaten worden gegenereerd door op de balans opgenomen voorschotten en deposito's tot een totaal bedrag ad ƒ 1.693.022,- op een balanstotaal van ƒ 1.780.858,-. (bedragen per ultimo 1997). Deze vorderingen en deposito's vloeien voort uit de opbrengst van de bij 2.1. genoemde aandelenverkoop en zijn door belanghebbende aangemerkt als bedrijfsvermogen, in verband met de financiering van een voorgenomen verwerving van een accountantskantoor.

2.7. Belanghebbende heeft in 1996 en 1997 gedurende een periode van anderhalf jaar onderhandelingen gevoerd over de mogelijke overname van accountantskantoor [B te Q], welke besprekingen uiteindelijk zonder resultaat zijn gebleven. In juni 1998 heeft belanghebbende een eindbalans opgemaakt en zijn accountantswerkzaamheden definitief gestaakt.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de navolgende vragen.

3.1.1. Moet de opbrengst van de door belanghebbende in 1997 verrichte accountantswerkzaamheden worden aangemerkt als winst uit onderneming, hetgeen belanghebbende bepleit, of als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 22, eerste lid, onderdeel b van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964, zoals de Inspecteur voorstaat.

3.1.2. Indien de opbrengst uit accountantswerkzaamheden aangemerkt moet worden als winst uit onderneming houdt partijen verdeeld, de door de Inspecteur aangebrachte correcties:

3.1.2.1. Toepassing van het autokostenforfait ter zake van het privé gebruik van een bedrijfsauto ad ƒ 14.000,-;

3.1.2.2. Door de Inspecteur niet geaccepteerde kosten ad ƒ 2.500,- inzake een airco en plafondreparatie;

3.1.2.3. Door de Inspecteur niet geaccepteerde zelfstandigenaftrek inclusief startersaftrek ad ƒ 13.453,-

welke correcties door belanghebbende worden bestreden.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daar ter zitting, zakelijk weergegeven, het volgende aan toe gevoegd.

3.2.1. Belanghebbende gaat ter zitting, het voorlopig oordeel van het Hof gehoord hebbende, alsnog akkoord met de door de Inspecteur aangebrachte correctie ad ƒ 2.500,- zoals omschreven bij 3.1.2.2. zodat dit geschilpunt verder buiten beschouwing blijft.

3.2.2. De Inspecteur corrigeert een rekenfout in de derde kolom op bladzijde 6 van zijn verweerschrift, gemaakt bij het doorrekenen van zijn primaire stelling en komt alsdan op te belasten inkomsten uit arbeid van -/- ƒ 10.045,- en een belastbaar inkomen van ƒ 48.040,-.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot één naar een belastbaar inkomen van ƒ 9.817,-.

3.4. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van zijn uitspraak, waarbij nog werd uitgegaan van de stelling dat er in het geheel geen bron van inkomen is, welke stelling de Inspecteur inmiddels heeft verlaten, en concludeert tot vermindering van de aanslag tot één naar een belastbaar inkomen van ƒ 48.040,- in het geval dat de opbrengsten uit accountantswerkzaamheden worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid en ƒ 38.979,- in het geval dat de opbrengsten uit accountantswerkzaamheden worden aangemerkt als winst uit onderneming.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Na de aandelenverkoop aan de [A] Groep in 1994 heeft belanghebbende nog voor (cliënten van) de [A] Groep werkzaamheden verricht. De ter zake door belanghebbende opgestelde declaraties werden gericht aan en betaald door de [A] Groep. Met betrekking tot de cliënten van de [A] Groep liep belanghebbende geen debiteurenrisico.

Deze werkzaamheden kunnen dan ook, gezien het declareren aan en optreden door belanghebbende voor slechts één opdrachtgever zijnde de [A] Groep, op zichzelf niet leiden tot het fiscaal ondernemersschap.

4.2. De overige werkzaamheden voor de particuliere cliënten en de zakelijke cliënt zijn wat betreft de daarmee gegenereerde omzet dermate beperkt van aard en omvang, dat ze noch op zichzelf beschouwd, noch in samenhang met de bij 4.1. genoemde werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als de exploitatie van een onderneming.

4.3. De opbrengsten van de werkzaamheden voor de [A] Groep, de particuliere cliënten en de zakelijke cliënt zijn dan ook niet aan te merken als winst uit onderneming.

Dit oordeel vindt bevestiging in de constatering dat de bij 2.5 weergegeven resultaten (sterk) negatief zijn en zonder zicht op toekomstige verbetering van het resultaat, indien en voor zover de daarbij opgevoerde rentebaten buiten aanmerking blijven. Het abstraheren van deze rentebaten voor het beantwoorden van de vraag of er sprake is van winst uit onderneming, acht het Hof op zijn plaats nu deze baten gegenereerd worden door de bij 2.6 genoemde voorschotten en deposito's welke voortvloeien uit een in privé genoten opbrengst van aandelenverkoop. Een mogelijk in de toekomst aanwenden van dit vermogensbestanddeel ten behoeve van een mogelijke overname van een ander accountantskantoor is onvoldoende grond voor het over een reeks van jaren laten meewegen van de daarmee opgekomen rentebaten bij het beantwoorden van bovenstaande vraag of er sprake is van winst uit onderneming.

4.4 Nu het accountantswerkzaamheden betreft welke door belanghebbende in het economisch verkeer zijn verricht en voorts een dienstverband is gesteld noch gebleken, heeft de Inspecteur de daarmee samenhangende opbrengsten naar het oordeel van het Hof terecht belast als inkomsten uit arbeid, niet in dienstbetrekking, in de zin van artikel 22, eerste lid, onderdeel b van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964.

4.5 Nu de Inspecteur in het gelijk wordt gesteld in zijn bij punt 3.1.1. verwoorde primaire standpunt, behoeven de overige geschilpunten geen behandeling meer.

4.6 Het gelijk is aan de inspecteur. Het beroep is in zoverre gegrond dat het belastbaar inkomen moet worden teruggebracht tot ƒ 48.040,- overeenkomstig het primaire standpunt van de Inspecteur en met inachtneming van de bij 3.2.2. vermelde correctie.

5. Proceskosten

5.1. Nu de uitspraak van de Inspecteur, overeenkomstig zijn conclusie, wordt vernietigd acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten vast op 2 ½ punten maal € 322,- maal wegingsfactor 1 ofwel € 805,-.

6. Schadevergoeding

6.1. Belanghebbende heeft tevens verzocht om vergoeding van de door hem in de bezwaarfase gemaakte kosten. Aangezien het beroep gegrond is, is belanghebbende in zijn verzoek tot schadevergoeding ontvankelijk.

6.2. Nu de uitspraak van de Inspecteur, overeenkomstig zijn conclusie, wordt vernietigd staat daarmee de onrechtmatigheid van het primaire besluit (de aanslag welke bij bezwaar onvoldoende verminderd werd) vast. Deze onrechtmatigheid moet aan de inspecteur worden toegerekend omdat in het geval dat gehandeld is in strijd met de wet sprake is van een oorzaak die - in de bewoordingen van artikel 6:162, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek - naar de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt (vergelijk Hoge Raad 20 februari 1998, nr. 16 474, NJ 1998/526). De inspecteur is gehouden de dientengevolge door belanghebbende geleden schade te vergoeden.

6.3. Het Hof begrijpt uit de conclusie van repliek van belanghebbende dat de gevraagde schadevergoeding ad ƒ 1.574,- (€ 714,47) betrekking heeft op kosten van ingeroepen beroepsmatige rechtsbijstand. De inspecteur heeft niet gesteld dat het inroepen van rechtsbijstand door belanghebbende en/of de kosten daarvan niet redelijk zijn. Het hof vindt - mede gelet op de gecompliceerdheid van de meervoudig behandelde zaak - geen aanleiding tot een andersluidend oordeel. De kosten van rechtsbijstand vormen derhalve schade die door de inspecteur moet worden vergoed.

7. Beslissing

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak.

Het Hof:

- vermindert de aanslag tot één naar een belastbaar inkomen van € 21.799,60 (ƒ 48.040,-).

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 27,23 (ƒ 60) en

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 805,-, (ƒ 1.774) en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden;

- wijst het verzoek tot schadevergoeding toe,

- veroordeelt de Inspecteur tot een schadevergoeding van € 714,47 (ƒ 1.574) en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus gedaan te Arnhem op 11 september 2002 door mrs. A.M. van Amsterdam, F.J.P.M. Haas en J.A. Wolt, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. D.N.N. Jansen als griffier.

(D.N.N. Jansen) (A.M. van Amsterdam)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 11 september 2002

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt, is een griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.