Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE8938

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-09-2002
Datum publicatie
21-10-2002
Zaaknummer
01-01882
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1586
V-N 2002/52.2.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

vierde enkelvoudige belastingkamer

nummer 01/01882

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

ambtenaar : Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P]

aangevallen beslissing : uitspraak d.d. 20 juli 2001 op bezwaar tegen beschikking verzuimboete

beschikkingnummer : [01.K06]

soort belasting : vermogensbelasting

jaar : 2000

mondelinge behandeling : op 21 augustus 2002 te Arnhem door mr. Matthijssen, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. Jansen als griffier

waarbij verschenen : beide partijen met kennisgeving aan het Hof

gronden:

1. Belanghebbende heeft het aan hem uitgereikte B-biljet 1999/2000, na uitstel op grond van de uitstelregeling voor belastingconsulenten en na ontvangst van een aanmaning, op 2 april 2001 ingediend, één dag te laat.

2. Conform de gedane aangiften heeft de Inspecteur aan belanghebbende aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de vermogensbelasting en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen opgelegd, alle drie met dagtekening 12 mei 2001.

3. Gelijktijdig met de vaststelling van de drie aanslagen heeft de Inspecteur ter zake van het onder 1 bedoelde verzuim drie maal een boete aan belanghebbende opgelegd (op basis van artikel 67 a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen -hierna: AWR-).

4. Omdat sprake was van een zogenaamd eerste verzuim heeft de Inspecteur de boete steeds gesteld op ƒ 250,- (met toepassing van paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, tekst 2001 -hierna: BBBB-).

5. Belanghebbende heeft drie aangiften gedaan voor drie verschillende belastingen. Artikel 67 a AWR geeft de Inspecteur in een dergelijke situatie de bevoegdheid drie maal een boete op te leggen. Dat is niet anders indien door middel van één aangiftebiljet voor drie verschillende belastingen aangifte wordt gedaan. Ook de, algemeen gestelde, tekst van de aan belanghebbende gezonden aanmaning, waarop belanghebbende zich in de conclusie van repliek beroept, doet aan die bevoegdheid niet af.

6. De Inspecteur dient in alle gevallen waarin een boete wordt opgelegd na te gaan in hoeverre een boete in de omstandigheden van het geval passend en geboden is. Dit beginsel is ook in het BBBB 1998 tot uitdrukking gebracht (Hoofdstuk VI). Nu verzuimboeten als de onderhavige in paragraaf 21 van het BBBB 1998 niet afhankelijk zijn gesteld van de bedragen van de verschuldigde belasting maar op vaste bedragen zijn bepaald, brengt een redelijke toepassing van het BBBB 1998 in een geval als het onderhavige mede dat ter zake van het te laat doen van de aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de premie arbeids-ongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen, gezien de overeenkomsten tussen de heffingsgrondslagen van de beide belastingen, in totaal niet meer dan ƒ 250,- aan boete wordt opgelegd. Het Hof zal daarom deze twee boeten terugbrengen tot elk ƒ 125,-.

7. De vermogensbelasting heeft een geheel eigen heffingsgrondslag voor de vaststelling waarvan in het B-biljet afzonderlijke gegevens worden gevraagd. Het Hof vindt daarom geen aanleiding de ter zake van het te laat doen van de aangifte vermogens-belasting opgelegde boete te matigen.

8. Op grond van het vorenstaande zal het Hof de ter zake van het te laat doen van de aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en premie arbeids-ongeschiktheidsverzekering zelfstandigen opgelegde boeten matigen tot (twee maal) ƒ 125,-, en de ter zake van het te laat doen van de aangifte vermogensbelasting opgelegde boete van ƒ 250,- in stand laten.

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

beslissing:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak waarvan beroep.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2002 door mr. Matthijssen, raadsheer, lid van de vierde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Jansen als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(D. Jansen) (T.J. Matthijssen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 12 september 2002

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.