Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE8066

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-09-2002
Datum publicatie
26-09-2002
Zaaknummer
21-001243-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 359a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2002, 290
NBSTRAF 2002/290
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-001243-02

Uitspraak dd.: 25 september 2002

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Almelo van 26 april 2002 in de strafzaak tegen

M. Y.

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 11 juni 2002 en 11 september 2002 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging op grond van de volgende omstandigheden en overwegingen.

De rechtbank heeft op 26 januari 2002 beslist dat de twee informanten, gerelateerd in de respectievelijke processen-verbaal 782-540/99 en 782-351/98 als getuigen dienen te worden gehoord. De officier van justitie heeft geweigerd mee te werken aan het doen horen van beide informanten onder meer op grond van de in gevaar komende veiligheid van de getuigen, gelet op het geweldsgehalte van de criminele organisatie waarvan in de voorliggende strafzaak sprake is. Deze weigering van de officier van justitie acht de rechtbank in strijd met de grondslagen van het strafproces en met name met de wettelijk voorziene verdeling van bevoegdheden en verplichtingen tussen het openbaar ministerie en de rechter. Aldus zou de rechtsbedeling in de kern zijn geraakt, hetgeen, met inachtneming van de inhoud en de strekking van het bepaalde in artikel 349, lid 3, van het Wetboek van Strafvordering, tot geen andere beslissing kan leiden dan de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Vooropgesteld wordt dat indien de rechter heeft beslist dat bepaalde getuigen dienen te worden gehoord reeds de artikelen 553 en 555 van het Wetboek van Strafvordering meebrengen dat het openbaar ministerie gehouden is zijn medewerking aan de uitvoering van dit rechterlijk bevel te verlenen. Niettemin kan de weigering van het openbaar ministerie te voldoen aan dit bevel worden gerechtvaardigd door een zwaarwegend belang dat samenhangt met opsporingsbelangen of de veiligheid van de te horen getuigen, op grond waarvan een zelfs met waarborgen omgeven verhoor door de rechter-commissaris onvoldoende garantie biedt voor het beschermen van de anonimiteit van die getuigen. Deze legitieme belangenafweging - voldoen aan een rechterlijk bevel versus de veiligheid van de te horen getuigen - dient echter ingevolge art. 349, lid 3, van het Wetboek van Strafvordering wel te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.

Uit het evenoverwogene vloeit echter voort dat aan deze te billijken beslissing voorafgaat de vraag of voornoemde informanten dienen te worden gehoord als getuigen. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Naar aanleiding van de bij de rechter-commissaris door verbalisant 1 op 8 november 2001 afgelegde verklaring dat er in het onderzoek gebruik gemaakt is van een "beproefde bron" heeft de verdediging op 11 januari 2002 verzocht en de rechtbank op 25 januari 2002 beslist dat de twee voornoemde informanten als getuigen door de rechter-commissaris dienen te worden gehoord. De rechter-commissaris zou dienen te onderzoeken of de informanten een "beproefde bron" zijn en wat dit nieuwe begrip inhoudt. Voor het overige zou de rechter-commissaris de rechtmatigheid van het voortraject van het opsporingsonderzoek door de politie dienen te toetsen.

Gaandeweg het verloop van deze strafzaak is de verdediging overgegaan tot een nadere specificatie van het aanvankelijk gedane verzoek. De informanten zouden eveneens gehoord dienen te worden omtrent meer inhoudelijke punten als betalingen voor hun informatie, of zij zelf strafbare feiten hadden gepleegd, etc.

Vooropgesteld wordt dat legitieme opsporingsbelangen in het algemeen nopen tot terughoudendheid bij het horen van informanten als getuigen. In het afgelopen tijdvak zijn er verschillende ontwikkelingen geweest die de transparantie van het voorbereidend onderzoek hebben vergroot, een en ander neergelegd in jurisprudentie en wetgeving, zoals zichtbaar is geworden in de Wet op de bijzondere opsporingsbevoegdheden en de verschillende schriftelijke verslagleggingsplichten voor opsporingsambtenaren. Tegen deze achtergrond van een transparanter geregeld voorbereidend onderzoek is de rechtmatigheidstoets ten overstaan van een rechter minder dwingend geworden en mag van de verdediging gevergd worden dat deze indicaties aanreikt omtrent enige in het onderzoek plaatsgevonden hebbende onrechtmatigheid.

In deze strafzaak gaat het om informanten van wie de verstrekte informatie is neergelegd in processen-verbaal van de RCID. Bijzondere omstandigheden kunnen er toe leiden dat informanten als getuigen worden gehoord. Het bestaan van dergelijke omstandigheden is door de raadsman niet aannemelijk gemaakt.

Wat betreft de informant, gerelateerd in proces-verbaal 782-540/99, gaat het om informatie die niet rechtstreeks betrekking heeft op de inrichting van het opsporingsonderzoek of op de opening van het gerechtelijk vooronderzoek. Terzake het proces-verbaal 782-351/98 betreft het startinformatie van een informant in het kader van het tegen de verdachte O. te openen gerechtelijk vooronderzoek. De verdediging heeft niets gesteld omtrent enige onrechtmatigheid die in dit pre-stadium van het onderzoek mogelijk zou hebben plaatsgevonden. Voorzover het ver verwijderde verband met de rechtmatigheid van de opsporing dient te worden getoetst, is het hof voorts van oordeel dat met het verhoor van de verbalisant 1 en verbalisant 2 door de rechter-commissaris of door de zittingsrechter kon worden volstaan. Deze verbalisanten hebben, ten overstaan van de rechter-commissaris en staande onder ambtseed, vragen van de verdediging beantwoord over de betrouwbaarheid en de inzet van voornoemde informanten en de door hen verstrekte informatie. Vragen over betalingen van tipgelden zijn niet beantwoord, wel heeft verbalisant 1 verklaard dat ingeval er sprake zou zijn van betaalde tipgelden dit conform de geldende regels is geschied. Vanwege de bronbescherming zijn verschillende vragen onbeantwoord gebleven. Niettemin is aan de verdediging de mogelijkheid geboden en vervolgens benut om vragen te stellen die raken aan de betrouwbaarheid van de informanten en van de door hen verstrekte informatie. Naar het oordeel van het hof zijn deze vragen met inachtneming van de legitieme eis van bronbescherming afdoende beantwoord. Aldus heeft de verdediging (ook) de betrouwbaarheid van de door verbalisant 1 afgelegde verklaring afdoende kunnen toetsen. De getuigen verbalisant 1 en verbalisant 2 hebben ten overstaan van de rechter-commissaris onder ede verklaard dat de betrokken informanten als betrouwbaar konden worden aangemerkt. Dit verhoor heeft evenmin indicaties omtrent enige onrechtmatigheid in het opsporingsonderzoek opgeleverd.

Onder voormelde omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdediging onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het horen van de informanten noodzakelijk is voor enige in deze strafzaak te nemen (bewijs)beslissing, zodat door het achterwege blijven van het horen als getuige van bedoelde informanten de verdachte redelijkerwijze niet in zijn verdediging wordt geschaad.

Ten overvloede wijst het hof op de beslissing van de rechter-commissaris die bij het openen van het gerechtelijk vooronderzoek reeds een toets heeft aangelegd omtrent de rechtmatigheid van de daaraan voorafgaande fase van het opsporingsonderzoek. De rechter-commissaris, wetenschap hebbend van de informatie, afkomstig van voormelde informanten, heeft een en ander niet onrechtmatig geoordeeld.

Tegen diezelfde achtergrond kan naar het oordeel van het hof in het midden blijven of het Openbaar Ministerie genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat het horen van voornoemde informanten gevaar voor hun veiligheid oplevert.

Mitsdien dient het vonnis van de rechtbank van 26 april 2002 te worden vernietigd, het Openbaar Ministerie in zijn strafvervolging van verdachte M. Y., terzake de feiten, die hem onder parketnummer - in eerste aanleg - 4558/00 zijn telastegelegd, ontvankelijk te worden verklaard en de strafzaak te worden teruggewezen naar de rechtbank Almelo, opdat deze met inachtneming van dit arrest de strafzaak opnieuw zal berechten en afdoen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Wijst de zaak terug naar de rechtbank te Almelo, opdat deze met inachtneming van dit arrest de strafzaak opnieuw zal berechten en afdoen.

Aldus gewezen door

mr Otte, voorzitter,

mrs Luikinga en Groenhuijsen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van Heinst, griffier,

en op 25 september 2002 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr Groenhuijsen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.