Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE8038

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-08-2002
Datum publicatie
25-09-2002
Zaaknummer
01-02035
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AO6336
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1449
FutD 2002-1846
V-N 2002/51.2.19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Tweede meervoudige belastingkamer

nummer 01/02035

U I T S P R A A K

op het beroep van [X te Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de voor het jaar 2001 aan haar afgegeven verklaring als bedoeld in artikel 3d, tweede lid, van de Ziekenfondswet (hierna: de ZFW).

1. Beschikking en bezwaar

Met dagtekening 10 november 2000 is aan belanghebbende een verklaring toegezonden als bedoeld in artikel 3d, tweede lid, van de ZFW waarin is vermeld dat zij voldoet aan de voor het jaar 2001 geldende voorwaarden voor de ziekenfondsverzekering. Bij de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de verklaring gehandhaafd.

2. Geding voor het hof

Belanghebbende is tegen de uitspraak van de inspecteur in beroep gekomen bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Bij de mondelinge behandeling op 11 juli 2002 te Arnhem zijn verschenen en gehoord belanghebbende bijgestaan door [haar echtgenoot]. alsmede [de inspecteur]. Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd en voorgedragen. De inhoud van de pleitnota moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

3. De vaststaande feiten

3.1. Belanghebbende, geboren op 28 juni 1936, is zelfstandig ondernemer en als zodanig verzekerd ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).

3.2. De belastbare inkomens van belanghebbende over de jaren 1996, 1997 en 1998 bedragen respectievelijk f. 30.905, f. 21.550 en f. 15.832.

3.3. Het persoonlijke inkomen van belanghebbende als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB) was in de onder 3.2. gemelde jaren lager dan dat van haar echtgenoot. De bestanddelen van haar inkomen welke niet tot het persoonlijke inkomen en de persoonlijke verminderingen en vermeerderingen van het onzuivere inkomen behoren zijn derhalve ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wet IB aangemerkt als bestanddelen van het inkomen van haar echtgenoot.

3.4. Ingeval geen toerekening op grond van artikel 5, eerste lid, Wet IB zou hebben plaatsgevonden, zou belanghebbendes gemiddelde belastbare inkomen over de jaren 1996, 1997 en 1998 meer dan f. 42.000 hebben belopen en zou belanghebbende derhalve gelet op de in artikel 3d, eerste lid, van de ZFW opgenomen inkomensgrens niet ingevolge die wet verzekerd zijn. Ditzelfde zou het geval zijn indien bij de vaststelling van de belastbare inkomens van belanghebbende de helft van de inkomsten uit vermogen van haar en haar echtgenoot in aanmerking zou zijn genomen.

4. Het geschil, de standpunten en de conclusies van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de inspecteur de onder 1. bedoelde verklaring terecht heeft verstrekt.

4.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken waaronder de eerder gemelde pleitnota. Ter zitting is daaraan toegevoegd - zakelijk weergegeven - :

door belanghebbende:

4.2.1.1. De door de inspecteur vermelde belastbare inkomens over de jaren 1996, 1997 en 1998 zijn juist. Het klopt ook dat zij verzekerd is ingevolge de WAZ.

4.2.1.2. Zij is het niet eens met de wijze waarop het inkomen voor de ZFW wordt bepaald. De regeling voor de heffing van de inkomstenbelasting wordt niet aangevochten.

4.2.1.3. De wijziging van de ZFW op grond waarvan zelfstandigen verplicht verzekerd zijn, is ingevoerd na inwerkingtreden van de Algemene wet gelijke behandeling.

4.2.1.4. De arresten van de Hoge Raad waar de inspecteur naar verwijst hebben betrekking op de inkomstenbelasting. Hier betreft het niet de vraag wie de belasting moet betalen maar of iemand verplicht verzekerd is, met de daaraan verbonden gevolgen.

van de zijde van de inspecteur:

4.2.2.1. De Hoge Raad heeft in verschillende arresten beslist dat het verschil in de fiscale behandeling van gehuwden en ongehuwden niet in strijd is met internationale verdragen.

4.2.2.2. De toerekening op grond van artikel 5 Wet IB is niet in strijd met de Algemene wet gelijke behandeling omdat die bepaling is ingevoerd vóór het inwerkingtreden van de Algemene wet gelijke behandeling.

4.2.2.3. Het is niet in strijd met de rechtszekerheid dat voor de inkomensgrens wordt gekeken naar eerdere jaren. Dat is al door verschillende belastingrechters beslist.

4.2.2.4. De redelijkheid en billijkheid van de wet staat niet ter toetsing aan de inspecteur of de rechter.

4.2.2.5. Belanghebbende is van rechtswege verzekerd. Het is niet van belang - en doet aan de premieplicht niet af - of zij van de verzekering gebruik maakt.

4.2.2.6. De wetgever heeft aansluiting gezocht bij het belastbare inkomen en dus ook bij de toerekeningsregels die gelden voor niet-verzelfstandigde inkomensbestanddelen bij gehuwden.

4.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak en de verklaring. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende verdedigt - zakelijk weergegeven - dat de omstandigheid dat haar voor de heffing van de inkomstenbelasting niet-verzelfstandigde inkomensbestanddelen voor de beantwoording van de vraag of zij de in artikel 3d, eerste lid, van de ZFW opgenomen inkomensgrens overschrijdt niet bij haarzelf in aanmerking worden genomen, een ongeoorloofde discriminatie ten opzichte van ongehuwden oplevert.

5.2. Het door belanghebbende gewraakte onderscheid is geen onderscheid als bedoeld in artikel 5, eerste lid, artikel 6, of artikel 7, eerste lid, van de Algemene wet gelijke behandeling. Reeds hierom faalt belanghebbendes beroep op die wet.

5.3. De toerekening bij gehuwden van niet-verzelfstandigde inkomensbestanddelen aan de echtgenoot met het hoogste persoonlijke inkomen levert, zoals de Hoge Raad ook nog heeft geoordeeld in zijn arrest van 29 september 1999, nr. 33.936, BNB 1999/423, ten aanzien van de heffing van de inkomstenbelasting geen strijd op met het in internationale verdragen (artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) neergelegde discriminatieverbod.

5.4. De wetgever heeft, naar blijkt uit de parlementaire geschiedenis (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26 553, nr. 3) als criterium voor de beoordeling van de vraag of een zelfstandige ziekenfondsverzekerd is bewust en uitdrukkelijk gekozen voor de hoogte van zijn belastbare inkomen. Daarmee heeft de wetgever kennelijk aanvaard dat voor de vraag of een zelfstandige gelet op de hoogte van zijn inkomen verzekerd is alleen die inkomensbestanddelen in aanmerking worden genomen die deel uitmaken van zijn belastbare inkomen.

5.5. Het oordeel dat voor de heffing van de inkomstenbelasting geen sprake is van ongeoorloofde discriminatie heeft met inachtneming van hetgeen onder 5.4. is overwogen ook te gelden voor de ZFW.

5.6. Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat de (materiële) wetgever bij de vraag of een zelfstandige verzekerd is, aansluiting zoekt bij de hoogte van belastbare inkomens over jaren vóór de invoering van de ziekenfondsverzekering voor zelfstandigen.

5.7. Ook hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, en in het bijzonder de door haar aangevoerde financiële gevolgen en de omstandigheid dat zij zich - omdat zij nauwelijks voor verstrekkingen in aanmerking kwam en de keuze van behandelaars beperkt was - toch particulier heeft verzekerd, kan niet tot het oordeel leiden dat de inspecteur de omstreden verklaring ten onrechte heeft afgegeven.

Het hof heeft hierbij overwogen dat de (positieve en negatieve) inkomenseffecten van de invoering van de verplichte verzekering voor zelfstandigen in de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel expliciet aan de orde zijn geweest en dat het hof niet bevoegd is de innerlijke waarde en billijkheid van de wet te toetsen.

5.8. De inspecteur heeft terecht verklaard dat belanghebbende voor het jaar 2001 als zelfstandige voldoet aan de voorwaarden voor de verplichte ziekenfondsverzekering.

6. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het hof geen termen aanwezig.

7. Beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de inspecteur.

Aldus gedaan te Arnhem op 12 augustus 2002 door mr. J. Lamens, voorzitter, mr. drs. F.J.P.M. Haas en mr. J.P.M. Kooijmans, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. A.W.M. van der Waerden als griffier.

De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

(J. Lamens)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 12 augustus 2002

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan verzocht worden de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.