Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE8037

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-08-2002
Datum publicatie
25-09-2002
Zaaknummer
01-01629
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1448

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

tweede meervoudige belastingkamer

nummer 01/ 01629

U i t s p r a a k

op het beroep van [X te Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P] namens zijn ambtgenoot te [Q] op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende de bij na te noemen beschikking aan hem afgegeven verklaring als bedoeld in artikel 3d, tweede lid, van de Ziekenfondswet (hierna: de ZFW).

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Bij beschikking met dagtekening 10 november 2000 is aan belanghebbende een verklaring als bedoeld in artikel 3d, tweede lid, van de ZFW afgegeven, waarin is vermeld dat hij voor het kalenderjaar 2001 als zelfstandige niet voldoet aan de voorwaarden voor de ziekenfondsverzekering.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de beschikking bij de bestreden uitspraak gehandhaafd

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 juli 2002 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord [de gemachtigde] van belanghebbende, alsmede [de Inspecteur].

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is full-time in dienstbetrekking. Zijn loon uit dienstbetrekking ligt beneden de grens voor de ziekenfondsverzekering voor werknemers.

2.2. Daarnaast is belanghebbende sinds 1 april 1997 vennoot in de vennootschap onder firma Gebroeders [X]. De activiteiten van de firma bestaan uit het produceren en plaatsen van dakkapellen en het verrichten van onderhoud aan woningen. De omzet van de firma bedroeg in de jaren 1997 tot en met 2000 achtereenvolgens ƒ 34.555, ƒ 51.713, ƒ 117.564 en ƒ 167.016.

2.3. Belanghebbende heeft de uit deze activiteiten bij hem opgekomen baten vanaf 1997 bij zijn aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen steeds aangegeven als winst uit onderneming. De firma is als ondernemer voor de omzetbelasting aangemeld.

2.4. Belanghebbende is aangemerkt als verzekerde ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: de WAZ).

2.5. Bij het afgeven van de beschikking aan belanghebbende is de Inspecteur, bij zijn vaststelling dat belanghebbende niet voldoet aan de in artikel 3d, eerste lid, van de ZFW gestelde voorwaarden, op de voet van de Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekering zelfstandigen van 13 december 1999, Stcrt. 1999, 248, zoals later gewijzigd (hierna de Regeling) uitgegaan van het gemiddelde van de belastbare inkomens van belanghebbende over 1997 en 1998 van respectievelijk ƒ 44.085 en ƒ 51.106.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Partijen houdt verdeeld of de Inspecteur terecht aan belanghebbende de onderhavige beschikking heeft afgegeven.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Daaraan is mondeling, afgezien van hetgeen reeds hiervóór onder de vast-staande feiten is opgenomen, toegevoegd - zakelijk weergegeven-

namens belanghebbende:

- Hij, de gemachtigde, is geen deskundige.

- Het is een vreemde situatie dat iemand met een loon uit dienstbetrekking dat duidelijk beneden de ziekenfondsgrens voor werknemers ligt, door een kleine winst niet meer in het verplichte ziekenfonds terecht kan.

- De ondernemersactiviteiten zijn inderdaad in de loop van de jaren gegroeid, maar de door de Inspecteur aangegeven omzetontwikkeling betreft voor een groot deel de inkoop en verkoop van materialen.

- Voor de beoordeling of belanghebbende vanaf 1997 als zelfstandige kan worden aangemerkt, moet gekeken worden naar de desbetreffende jaren.

- Ook vóór 1997 waren er al activiteiten, maar dat was zuiver in de hobbysfeer.

en door de Inspecteur:

- De inkomsten naast het loon uit dienstbetrekking moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming.

- Deze inkomsten zijn niet laag, dat is ook af te leiden uit de behoorlijke omzetstijging, zoals door hem in zijn verweerschrift is aangegeven.

- De onderneming is vanaf 1997 als zodanig bij de Belastingdienst bekend. Er werd niet voldaan aan het urencriterium voor de zelfstandigenaftrek.

3.3. Belanghebbende verzoekt de verklaring te vernietigen, zodat hij op grond van zijn loondienstverhouding verplicht verzekerd kan blijven.

3.4. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 3d, eerste lid, van de ZFW (tekst vanaf 1 januari 2001) bepaalt dat verzekerd gedurende een kalenderjaar is de zelfstandige, die verzekerd is ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAZ en wiens inkomen niet meer bedraagt dan ƒ 42.000.

Verzekerd ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAZ is de zelfstandige. Dat is - voor zover hier van belang - de persoon, jonger dan 65 jaar die winst uit onderneming geniet uit een feitelijk voor zijn eigen rekening gedreven onderneming.

4.2. Belanghebbende stelt - naar het Hof begrijpt - dat zijn aandeel in de opbrengst van de firma van negatief ƒ 675 in 1997 en positief ƒ 1.597 in 1998, niet als winst uit onderneming moet worden beschouwd maar als opbrengst van niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden. Hij voert daartoe aan dat hij een full-time baan in loondienst heeft, de investeringen minimaal zijn, de winsten zeer laag zijn, en geen investeringsaftrek, zelfstandigenaftrek en startersaftrek zijn genoten. Evenmin is een oudedagsreserve opgebouwd. Belanghebbende meent dat hij geen zelfstandige in de zin van de WAZ en dus geen verzekerde in de zin van artikel 3d van de ZFW, en dat hij op grond van zijn dienstbetrekking, waarvoor een hogere loongrens geldt, verzekerd kan blijven op grond van de ZFW.

4.3. Belanghebbende is zelf in zijn aangiften voor de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen vanaf 1997 uitgegaan van ondernemerschap en winst uit onderneming. De Inspecteur heeft de aangiften op dit punt gevolgd.

Naar het oordeel van het Hof staat het belanghebbende vrij voor de toepassing van de ZFW met betrekking tot de aard van de bronnen van zijn inkomen een ander standpunt in te nemen dan voor de toepassing van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB). In de ZFW is immers geen bepaling opgenomen die dat verhindert. Op die wijze kan belanghebbende aannemelijk maken dat hij niet als zelfstandige maar anderszins als verzekerde op grond van de WAZ moet worden aangemerkt. Tot een andere berekening van het inkomen als bedoeld in artikel 3d van de ZFW en de daarmee verband houdende artikelen kan zulks echter niet leiden, gelet op de door de wetgever gewenste samenhang tussen de verzekering van zelfstandigen op grond van de ZFW enerzijds, en de op grond van de Wet IB vastgestelde belastbare inkomens anderzijds. Op belanghebbende rust alsdan de last feiten en omstandigheden te stellen en, bij betwisting door de Inspecteur, aannemelijk te maken, die leiden tot de conclusie dat geen sprake is (geweest) van winst uit onderneming.

4.4. Belanghebbende heeft, tegenover de weerspreking door de Inspecteur en mede gelet op de onder 2.2. en 2.3. weergegeven feiten onvoldoende aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat met betrekking tot zijn uit de firma genoten voordelen geen sprake is van winst uit onderneming maar van inkomsten uit niet in dienstbetrekking verrichte arbeid. Dat hij geen gebruik heeft gemaakt van fiscale ondernemersfaciliteiten en dat hij de baten heeft gerealiseerd door werkzaamheden verricht naast het vervullen van een full-time dienstbetrekking, is daartoe onvoldoende.

4.5. Gezien het voorgaande is hij terecht aangemerkt als verzekerde ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAZ en moet belanghebbende worden aangemerkt als een zelfstandige als bedoeld in artikel 3d, eerste lid van de Ziekenfondswet.

4.6. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat het niet juist is bij de beoordeling of belanghebbende voldoet aan de in artikel 3d, eerste lid, van de ZFW gestelde voorwaarden uit te gaan van zijn belastbare inkomens over 1997 en 1998, omdat zijn belastbare inkomens over die jaren nagenoeg geheel inkomsten uit loondienst betreffen, kan deze grief belanghebbende niet baten. Naar blijkt uit de wetsgeschiedenis heeft de wetgever bewust en uitdrukkelijk gekozen voor de hoogte van het belastbare inkomen als criterium voor de beoordeling of een zelfstandige verplicht ziekenfondsverzekerd is. Daarbij is mede aanvaard dat onder anderen zelfstandigen met een baan mogelijk nadelige inkomenseffecten zullen ondervinden van de regeling. Het Hof is niet bevoegd de innerlijke waarde en billijkheid van de wet te toetsen.

4.7. De onderhavige beschikking strekt er uitsluitend toe aan te geven dat de door de Belastingdienst uit te voeren toets tot de vaststelling leidt dat belanghebbende niet voldoet aan de in artikel 3d, eerste lid, van de ZFW bedoelde voorwaarden voor de verplichte ziekenfondsverzekering voor zelfstandigen.

4.8. Gezien het voorgaande en het feit dat tussen partijen niet in geschil is dat het gemiddelde van belanghebbendes belastbare inkomens over 1997 en 1998 meer bedraagt dan ƒ 42.000, heeft de Inspecteur terecht verklaard dat belanghebbende voor het kalenderjaar 2001 als zelfstandige niet voldoet aan voorwaarden voor de verplichte ziekenfondsverzekering.

4.9. Het Hof merkt nog op dat de omstandigheid dat belanghebbende niet langer ziekenfondsverzekerd is als werknemer indien hij uitsluitend vanwege de hoogte van zijn inkomen niet verzekerd is ingevolge artikel 3d van de ZFW, een omstandigheid betreft die niet voortvloeit uit de onderhavige, declaratoire, verklaring, maar uit artikel 3, twaalfde lid, van de ZFW.

5. Slotsom

Het beroep is ongegrond.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan te Arnhem op 12 augustus 2002 door mr. J. Lamens, voorzitter, mr. drs. F.J.P.M. Haas en mr. J.P.M. Kooijmans, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. A.W.M. van der Waerden als griffier.

De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

(J. Lamens)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 12 augustus 2002

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt, is een griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.