Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE7973

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-08-2002
Datum publicatie
25-09-2002
Zaaknummer
01-00082
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1446
FutD 2002-1846
V-N 2002/49.2.5

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

tweede meervoudige belastingkamer

nummer 01/00082

U i t s p r a a k

op het beroep van [X te Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen na te melden voorlopige aanslag premie ziekenfondswet (ZFW).

1. Belastingaanslag en bezwaar

Met dagtekening 9 september 2000 en nummer [01] heeft de inspecteur over het jaar 2000 een voorlopige aanslag premie ziekenfondswet vastgesteld ten bedrage van ƒ 2.907. Belanghebbende heeft tegen de voorlopige aanslag een bezwaarschrift ingediend. Bij de op 9 november 2000 gedagtekende uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot ƒ 1.407.

2. Geding voor het hof

Belanghebbende is tegen de uitspraak van de inspecteur in beroep gekomen. Het beroepschrift is op 14 november 2000 ingediend bij het gerechtshof te Amsterdam. Dat hof heeft het beroepschrift doorgezonden naar dit hof waar het op 10 januari 2001 is ontvangen. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Bij de mondelinge behandeling op 11 juli 2002 te Arnhem zijn verschenen en gehoord [de inspecteur]. Belanghebbendes gemachtigde, die overeenkomstig de wet is uitgenodigd bij aangetekend schrijven d.d. 24 mei 2002 verzonden aan het in het beroepschrift vermelde adres [a-weg 1 te Q], is niet verschenen. Uit de tot de stukken van het geding behorende ontvangstbevestiging blijkt dat evenbedoelde oproeping op 28 mei 2002 op het genoemde adres is uitgereikt aan een medewerker van het kantoor waar belanghebbendes gemachtigde werkzaam is.

3. De vaststaande feiten

3.1. Belanghebbende is met ingang van 1996 zelfstandig ondernemer en als zodanig verzekerd ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).

3.2. De belastbare inkomens van belanghebbende over de jaren 1996, 1997 en 1998 bedragen respectievelijk ƒ 11.964, ƒ 39.868 en ƒ 49.952.

3.3. Belanghebbende heeft zich vanaf 15 september 1999 particulier verzekerd.

3.4. Bij beschikking d.d. 9 november 1999 heeft de inspecteur verklaard dat belanghebbende als zelfstandige voldoet aan de voorwaarden voor de verplichte ziekenfondsverzekering in 2000. Een afschrift van die beschikking is gezonden naar een oud adres van belanghebbende en heeft hem niet bereikt. In de loop van 2000 is een duplicaat (eveneens met dagtekening 9 november 1999) naar belanghebbendes nieuwe adres gezonden.

3.5. De inspecteur is op de voet van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekering zelfstandigen, in de tekst zoals deze met ingang van 31 augustus 2000 luidt (hierna: de Regeling) voor de vraag of belanghebbendes inkomen meer bedraagt dan het in artikel 3d, eerste lid, van de ZFW genoemde bedrag (f. 41.200) uitgegaan van het gemiddelde belastbare inkomen over de jaren 1996 en 1997.

4. Het geschil, de standpunten en de conclusies van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil de vraag of belanghebbende terecht is aangemerkt als verzekerde welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de inspecteur bevestigend wordt beantwoord.

4.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken. Ter zitting is daaraan door de inspecteur toegevoegd - zakelijk weergegeven -:

4.2.1. Met dagtekening 29 december 2001 is een definitieve aanslag vastgesteld. Daartegen is geen bezwaar gemaakt.

4.2.2. In 1995 genoot belanghebbende looninkomen. Zijn belastbare inkomen over dat jaar beloopt ƒ 29.398.

4.2.3. Waar in het verweerschrift wordt verwezen naar artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling, moet gelezen worden artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a. Het gaat niet om één maar om twee toetsjaren. De verwijzing in het verweerschrift naar artikel 2, tweede tot en met vijfde lid van de Regeling moet zijn naar artikel 2, derde tot en met zesde lid.

4.2.4. Een verschil met de zaak 00/243 is dat het daar ging om een belanghebbende die in 1997 was gestart en die in 1995 zeer ernstig ziek was geweest.

4.3. Belanghebbende concludeert naar het hof begrijpt tot vernietiging van de voorlopige aanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 december 1999, nr. 33 594, BNB 2000/38, moet het beroepschrift geacht worden bij dit hof te zijn ingediend twee weken na binnenkomst van dat geschrift bij het hof Amsterdam. Hiervan uitgaande is tijdig beroep ingesteld. Belanghebbende is dan ook ontvankelijk in zijn beroep.

5.2. Voor zover belanghebbende beoogt zich te beroepen op de uitspraak van dit hof van 5 september 2000, nr. 00/243 samengevat weergegeven in NTFR 2000/1349), miskent hij dat het in die zaak ging om een belanghebbende die pas met ingang van 1997 zelfstandig ondernemer was en waarbij de inspecteur voor de vraag of voldaan was aan de voor het jaar 2000 geldende voorwaarden voor de ziekenfondsverzekering uitsluitend is uitgegaan van het belastbare inkomen van die belanghebbende over het jaar 1997. De beslissing van het hof in die zaak betreft derhalve een andere situatie dan die van belanghebbende.

5.3. Bij zelfstandigen die in de gehele zogenaamde basisreferteperiode en daarna zelfstandige zijn gebleven, wordt voor de vraag of hun inkomen niet meer bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 3d, eerste lid, van de ZFW, gekeken naar het gemiddelde van de definitief vastgestelde belastbare inkomens over de jaren van de basisreferteperiode (artikel 2, eerste lid, van de Regeling). Hen wordt echter de mogelijkheid gelaten om op aanvraag het inkomen van één van de jaren van de basisreferteperiode buiten aanmerking te laten (artikel 2, tweede lid, van de Regeling).

5.4. De basisreferteperiode is gelijk aan de periode van het derde tot en met het vijfde jaar vóór het kalenderjaar waarvoor de beoordeling ingevolge de ZFW plaatsvindt (artikel 1, onder d, van de Regeling). Voor het kalenderjaar 2000 bestaat de basisreferteperiode derhalve uit de jaren 1995, 1996 en 1997.

5.5. Voor het jaar 2000 wordt bij zelfstandigen die in 1995 of eerder zelfstandig zijn geworden derhalve gekeken naar het gemiddelde van de belastbare inkomens over de jaren 1995, 1996 en 1997 waarbij hen de mogelijkheid is gegeven om op aanvraag één van die jaren buiten aanmerking te laten. (hierna: het keuzerecht).

5.6. In de toelichting op de Regeling, in de tekst zoals die tot 31 augustus 2000 luidde, is de invoering van het keuzerecht als volgt gemotiveerd:

"Nader zal de mogelijkheid worden bezien om de basisreferteperiode zoals opgenomen in artikel 2, eerste lid, te verfijnen teneinde te bewerkstelligen dat er een zo groot mogelijke stabiliteit in de verzekeringspositie van betrokkenen bestaat. Tevens zal dan in overweging worden genomen of het gewenst is voor starters een meer verfijnde benadering te kiezen. MKB Nederland en LTO Nederland zullen bij de uitwerking hiervan nauw worden betrokken.

Vooruitlopend hierop is voor het jaar 2000 in artikel 2, zesde lid, geregeld dat op aanvraag van de zelfstandige voor de toepassing van artikel 3d, eerste lid, van de Ziekenfondswet het gemiddelde van zijn inkomens over twee jaren in de basisreferteperiode in aanmerking wordt genomen. Hiermee kan worden voorkomen dat zelfstandigen van verzekeringsvorm moeten veranderen doordat het gemiddelde inkomen wordt beïnvloed door een sterk afwijkend inkomen in één van de drie jaren uit de basisreferteperiode."

5.7. Voor belanghebbende - "starter" in 1996 - geldt op grond van artikel 4, lid 1, onderdeel a, van de Regeling het gemiddelde inkomen dat hij heeft genoten over de jaren 1996 en 1997. Aan hem wordt echter de mogelijkheid onthouden die de onder 5.5. bedoelde zelfstandigen wel hebben namelijk om de invloed van een (afwijkend) inkomen in één van de in beginsel in de beschouwing te betrekken jaren buiten aanmerking te laten. Dit terwijl met betrekking tot dit punt niet een zodanig verschil in positie bestaat tussen starters en eerder gevestigde zelfstandigen dat dit een ongelijke behandeling met betrekking tot de verzekeringsplicht rechtvaardigt. Met betrekking tot de relevante maatstaf - het in aanmerking te nemen inkomen - zijn starters en eerder gevestigde zelfstandigen te beschouwen als gelijke gevallen.

5.8. Naar het oordeel van het hof maakt de Regeling op het punt van het keuzerecht om één jaar buiten beschouwing te laten een ongeoorloofd onderscheid tussen gelijke gevallen. Personen die - zoals belanghebbende - in het eerste jaar van de basisreferteperiode nog geen zelfstandige waren, moet dan ook worden toegestaan één van de jaren van de basisreferteperiode waarin zij wél zelfstandig waren buiten beschouwing te laten.

5.9. Het onder 5.8. weergegeven oordeel van het hof kan belanghebbende echter niet baten. Nu hij zowel over 1996 als over 1997 een belastbaar inkomen heeft dat niet meer bedraagt dat het in artikel 3d, eerste lid, van de ZFW genoemde bedrag van f. 41.200 leidt het buiten beschouwing laten van één van die jaren niet tot een inkomen in de zin van die wetsbepaling van meer dan f. 41.200.

5.10. Voor zover belanghebbende beoogt het jaar 1998 in de berekening te betrekken miskent hij dat 1998 geen deel uitmaakt van de basisreferteperiode voor de beoordeling ingevolge de ZFW voor het jaar 2000.

5.11. Ook hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, met name de omstandigheden weergegeven onder 3.3. en 3.4., kan niet leiden tot het oordeel dat de voorlopige aanslag moet worden verminderd of vernietigd.

6. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het hof geen termen aanwezig.

7. Beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de inspecteur

Aldus gedaan te Arnhem op 12 augustus 2002 door mr. J. Lamens, voorzitter, mr. drs. F.J.P.M. Haas en mr. J.P.M. Kooijmans, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. A.W.M. van der Waerden als griffier.

De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen

(J. Lamens)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 12 augustus 2002

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan verzocht worden de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.