Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE7815

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
19-07-2002
Datum publicatie
18-09-2002
Zaaknummer
parketnr. 21-001253-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer:

Uitspraak dd.: 19 juli 2002

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 5 juni 2001 in de strafzaak tegen

verdachte,

geboren te X,

wonende te Y,

thans verblijvende te Z.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 27 juni 2002 en 5 juli 2002 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage IIa en voor de inhoud van de wijziging van de telastelegging bijlage IIb)

Indien in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat telastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 telastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

(zie voor de inhoud van de bewezenverklaring bijlage III)

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

medeplegen van moord.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

medeplegen van poging tot moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Noodweer(exces)

De raadsman heeft op gronden als in de pleitnota verwoord betoogd dat er sprake is geweest van noodweer(exces).

Het hof verwerpt dit verweer. Niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een onmiddellijke wederrechtelijke feitelijke aantasting van lijf, eerbaarheid of goed of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Omdat voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) het vereiste van de onmiddellijkheid geldt, is voor de beoordeling van het beroep op noodweer de bedreiging tijdens het bosincident op 7 augustus 1999 niet van belang.

Een daadwerkelijke feitelijke aantasting van lijf, eerbaarheid of goed in de avond van 9 augustus 1999 is in het geheel niet aannemelijk geworden.

Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is geweest van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aantasting van lijf, eerbaarheid of goed is het volgende van belang. Door en namens verdachte is betoogd dat B op het moment dat verdachte in de avond van 9 augustus 1999 samen met zijn zoon bij het tafeltje in Restaurant De Lucht aankwam, een beweging met een arm heeft gemaakt. Deze beweging is door verdachte –naar de verdediging stelt- opgevat als een poging om een vuurwapen te pakken. Mede gelet op hetgeen B bij de reconstructie heeft verklaard staat wel vast dat B een beweging met zijn arm heeft gemaakt toen hij verdachte en zijn zoon het tafeltje waaraan hij en A zaten, zag naderen. Naar het oordeel van het hof staat echter vast dat die beweging een schrikreactie was op de onverwachte confrontatie met de vuurwapens die verdachte en zijn zoon op hem en A richtten.

Niet aannemelijk is geworden dat B bezig was een vuurwapen te pakken, waarbij het hof in aanmerking neemt dat niet is gebleken dat B over een vuurwapen beschikte.

Nu er naar het oordeel van het hof in het geheel geen sprake is geweest van een noodweersituatie faalt ook het beroep op noodweerexces.

Ambtshalve heeft het hof zich nog afgevraagd of verdachte een beroep op afwezigheid van alle schuld in de zin van verontschuldigbare feitelijke dwaling (putatief noodweer) toekomt. Kon hij in redelijkheid menen dat de beweging van B een dreigende aantasting van het lijf van hem of zijn zoon opleverde. Reeds omdat de beweging van B een reactie was op de onverwachte confrontatie met de vuurwapens bij verdachte en zijn zoon is hiervoor geen ruimte. Ook anderszins kon verdachte de reactie van B in redelijkheid niet opvatten als een dreigende aanval op het lijf van hem of zijn zoon. De beweging van B bevat daartoe mede gelet op demonstratie van die beweging door B tijdens de confrontatie onvoldoende aanknopingspunten.

Psychische overmacht

De raadsman heeft op gronden als in de pleitnota verwoord betoogd dat er sprake is geweest van psychische overmacht.

Het hof verwerpt dit verweer. Aannemelijk is dat er voor verdachte en zijn zoon tengevolge van het zogenaamde bosincident op 7 augustus 1999 een dreigende situatie is ontstaan. Vast staat dat er na dit incident op 8 augustus 1999 nog overleg is gevoerd tussen verdachte en het latere slachtoffer A. De zoon van verdachte was daarvan op de hoogte. Reeds op grond daarvan staat vast dat er weliswaar een bedreiging heeft plaatsgevonden, maar dat overleg over het betalen van een som geld nog mogelijk was. Op 7 augustus 1999 was de afspraak gemaakt tussen verdachte en zijn zoon en A om in de avond van 9 augustus 1999 bijeen te komen in restaurant De Lucht. In de avond van 9 augustus 1999 zijn verdachte en zijn zoon voorzien van vuurwapens naar restaurant De Lucht gegaan. Zij hebben toen onmiddellijk de confrontatie gezocht met de in het restaurant aanwezige A en B door met vuurwapens op hen te schieten. Niet aannemelijk is geworden dat op dat moment sprake was van een acuut gevaar voor het lijf en leven van verdachte, zijn zoon en degenen die hen na staan. Verdachte en zijn zoon hebben geen andere wegen beproefd dan schietend de confrontatie aan te gaan en ze hebben zelfs niet of nauwelijks overwogen of er andere wegen openstonden. Bij die andere wegen valt onder meer te denken aan het zoeken van contact met de politie of tijdelijk elders al dan niet vergezeld van degenen die hen na staan onderdak zoeken op een geheim adres. Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk geworden dat er voor verdachte sprake was van een onmiddellijke drang waaraan hij in redelijkheid geen weerstand kon of behoefde te bieden.

Ook overigens zijn geen omstandigheden gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte opheffen of uitsluiten.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder nog het volgende in aanmerking genomen:

Op 7 februari 2001 hebben A.J. de Groot, psycholoog, en T.A. Wouters, psychiater, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum, een deskundigenrapport uitgebracht.

Dit rapport houdt onder meer het volgende in:

Ten tijde van het plegen van de hem telastegelegde feiten heeft verdachte weliswaar de ongeoorloofdheid er van kunnen inzien, maar is hij in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat geweest zijn wil in vrijheid –overeenkomstig een dergelijk besef- te bepalen. Op dat moment leed hij aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, dat de telastgelegde feiten –indien bewezen- hem in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Het hof neemt de hiervoor vermelde inhoud van het rapport en de daaraan verbonden conclusies over en maakt deze tot de zijne.

Verdachte en zijn zoon zijn, nadat verdachte onderweg zijn wapen in een open veld had getest, zwaar bewapend en volgens plan een overvol restaurant (met 391 personen) binnengegaan, terwijl zij er vanuit konden gaan dat hun latere slachtoffers zich tussen de bezoekers van het restaurant bevonden. Toen zij binnenkwamen zijn zij rechtstreeks naar het tafeltje toegelopen waar hun latere slachtoffers zich bevonden, heeft verdachte zijn wapen onder zijn jas vandaan gehaald en hebben zij, zonder directe aanleiding, het vuur geopend, verdachte zelfs met een automatisch vuurwapen. Niet alleen zijn daardoor de beide slachtoffers geraakt, maar bovendien is grote paniek en angst ontstaan onder de andere aanwezigen in het restaurant. Verdachte heeft verder niet geschroomd met zijn wapen een van de slachtoffers, gelukkig tevergeefs, naar de parkeerplaats te achtervolgen en het andere slachtoffer ten tweede male te beschieten.

Het directe gevolg van de schietpartij is dat A is gedood en B zwaargewond is geraakt. Daar komt bij dat honderden andere mensen tijdens de schietpartij een groot risico hebben gelopen en een uitermate traumatische ervaring hebben ondergaan.

Tenslotte overweegt het hof nog dat de indruk bestaat dat verdachte en zijn vader in het kader van het onderzoek geen volledige openheid van zaken hebben gegeven omtrent hetgeen de aanleiding is geweest voor een hervatting van het contact tussen verdachte en A. In het bijzonder acht het hof de lezing van de zoon van verdachte omtrent de eerste ontmoeting tussen hem en A waarbij een afspraak voor verdachte is gemaakt weinig aannemelijk. Voor verdachte moet duidelijk zijn geweest dat het niet om een toevallige ontmoeting ging. Dit brengt mee dat de versie van de gebeurtenissen van verdachte en zijn zoon waarin zij zich in zekere mate als slachtoffers van afpersing presenteren met behoedzaamheid wordt beschouwd.

In de hierboven vermelde feiten en omstandigheden ziet het hof aanleiding tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Het hof heeft bij het bepalen van die duur er rekening mee gehouden dat het initiatief tot de schietpartij op 9 augustus 1999 in belangrijke mate genomen is door verdachte.

De vordering van de benadeelde partij erven A

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van f. 22.500,-- (thans € 10.210,05) ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd tot een totaalbedrag van f. 20.820,84 (thans € 9.448,09).

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachten onder 1 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot het thans gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering toewijsbaar is.

Het verweer dat de vordering van de erven A te ingewikkeld is, wordt gepasseerd, omdat de vordering betrekking heeft op –in hoger beroep- deugdelijk gespecificeerde en gedocumenteerde kosten van ambulancevervoer en lijkbezorging alsmede van notariskosten.

De vordering van de benadeelde partij B

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van f. 63.664,-- (drieënzestigduizendzeshonderdvierenzestig gulden) ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het volle bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachten onder 2 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot een bedrag van € 18.452,52. Dit bedrag is als volgt gespecificeerd:

4 maanden inkomstenderving € 5.338,27

kleding 181,51

haptonoom 1.588,23

smartengeld 9.075,60

kosten raadsman 2.268,90

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in zijn vordering niet worden ontvangen en kan hij zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het verweer dat de vordering van B te ingewikkeld is, wordt gepasseerd, omdat de vordering betrekking heeft op deugdelijk gespecificeerde en gedocumenteerde kosten zoals hierboven vermeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 45, 47, 57, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 telastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij erven A, te betalen een bedrag van € 9.448,09 (negenduizendvierhonderdachtenveertig euro en negen cent) met dien verstande dat indien en voorzover zijn mededader betaalt verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Verwijst verdachte in de op de vordering gevallen kosten en bepaalt deze, voorzover tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij gevallen, op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de staat, ten behoeve van de erven A een bedrag te betalen van € 4.724,04 (vierduizendzevenhonderdvierentwintig euro en vier cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis met dien verstande dat indien en voorzover zijn mededader meer dan € 4.724,04 betaalt verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij erven A in zoverre komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij erven A daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij B, te betalen een bedrag van € 16.186,62 (zestienduizendhonderdzesentachtig euro en twee en zestig cent) met dien verstande dat indien en voorzover zijn mededader betaalt verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Verklaart de benadeelde partij B in zijn vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij in zoverre zijn vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst verdachte in de op de vordering gevallen kosten en bepaalt deze, voorzover tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij gevallen, op € 2.265,90.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de staat, ten behoeve van B een bedrag te betalen van € 8.093,31 (achtduizendendrieënnegentig euro en eenendertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis met dien verstande dat indien en voorzover zijn mededader meer dan € 8.093,31 betaalt verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. Vegter, voorzitter,

mrs. Van Houten en Ruys, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. Van Hoorn, griffier,

en op ter openbare terechtzitting uitgesproken.