Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE7333

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
05-09-2002
Datum publicatie
09-09-2002
Zaaknummer
21-002087-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-002087-01

Uitspraak dd.: 5 september 2002

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te [woonplaats]

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te [woonplaats] van 10 oktober 2001 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 19 maart 2002 en 22 augustus 2002 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis, waarvan beroep, zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

Verzoek tot aanhouding van de behandeling

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof van 22 augustus 2002 subsidiair verzocht de behandeling aan te houden, teneinde de security manager van het GSM-netwerk waar de GSM van [medeverdachte 1] gebruik van maakt te horen betreffende het telefoongesprek van 27 december 2000 te 19.14 uur tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer] waarbij de laatste heeft gebeld met de vaste aansluiting van de woning van [getuige 1]. De GSM van [medeverdachte 1] zou gebruik hebben gemaakt van een "cel" op het [adres] te [woonplaats] terwijl zich andere "cellen" dichterbij de woning van [verdachte] bevinden en daar mogelijk uit kan worden afgeleid dat [medeverdachte 1] zich ten tijde van het telefoongesprek niet in de woning van verdachte bevond. In dit verband heeft de raadsman nog opgemerkt dat een GSM verbinding zoekt met de dichtstbijzijnde "cel" maar dat indien de capaciteit van deze "cel" volledig wordt benut een andere "cel" wordt gebruikt.

Het hof wijst het verzoek af nu dit onvoldoende is onderbouwd en ook anderszins de noodzaak tot het horen van voormelde security manager niet is gebleken.

De telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd, zoals deze telastelegging in hoger beroep is gewijzigd, dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage IIa, voor de inhoud van de wijziging van de telastelegging in eerste aanleg bijlage IIb en voor de inhoud van de wijziging van de telastelegging in hoger beroep bijlage IIc)

Indien in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 1] samen met [medeverdachte 2] op 27 december 2000, de dag van het suikerfeest, (de zich noemende) [slachtoffer], de vrouw van [medeverdachte 1], in de woning van een zekere [getuige 1] aan het [adres] te [woonplaats], heeft vermoord door het toebrengen van een groot aantal messteken.

Verdachte is tijdens het plegen van de moord niet in die woning aanwezig geweest. Gezien onder meer de verklaringen van de getuigen komt het hof tot de volgende beschrijving van de gebeurtenissen voorafgaande aan, tijdens en na afloop van het plegen van het onderhavige delict en het aandeel van verdachte daarin.

Voor verdachte en zijn mededaders was het niet acceptabel dat [slachtoffer] wilde scheiden van [medeverdachte 1] en dat zij een relatie met een andere man zou hebben of had. Door het gedrag van [slachtoffer] was de "eer" van de familie en daarmee ook van verdachte geschonden.

Het hof neemt aan, op grond van de conclusie in het rapport van N.M. van der Geest, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, betreffende de vergelijking van de DNA-profielen van [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en verdachte, gedateerd 27 juli 2001, en voormelde getuigenverklaringen, dat verdachte en zijn medeverdachten broers van elkaar zijn.

Verdachte is als oudste in Nederland verblijvende broer - omdat de vader in [geboorteland] verblijft - degene die beslissingen neemt over familieaangelegenheden. [slachtoffer] heeft tegen de getuige [getuige 1] verklaard dat haar man [medeverdachte 1] niets doet zonder de toestemming van verdachte. Voorts volgt uit de verklaring van [getuige 1] dat ook verdachte vond dat "zijn woorden moesten worden uitgevoerd".

Verdachte heeft het initiatief genomen tot een tweetal gesprekken over "het probleem" rond de door [slachtoffer] gewenste scheiding en tijdens deze gesprekken is hij als gespreksleider opgetreden. Verdachte heeft samen met zijn twee broers en mogelijk in overleg met zijn vader in [geboorteland] besloten dat [slachtoffer] moest worden vermoord.

In de weken voorafgaand aan de moord op [slachtoffer] hebben verdachte en zijn mededaders getracht de verblijfplaats van [slachtoffer] te achterhalen. Hierbij is iedereen (met de dood) bedreigd die [slachtoffer] zou helpen.

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn op 27 december 2000 voorafgaand aan het plegen van het onderhavige feit vanuit de woning van verdachte vertrokken naar de flat waar [slachtoffer] verbleef. Binnen de Koerdische gemeenschap werd verteld dat is gezien dat verdachte op de avond van 27 december 2000 stond te kijken naar de flat waarin de woning van [getuige 1] is gelegen.

Na het plegen van de moord op [slachtoffer] zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de richting van de woning van verdachte vertrokken. Daarnaast is er bloed van [medeverdachte 1] aangetroffen achter de rij woningen van de [adres], waarin de woning van verdachte zich bevond.

Het hof is van oordeel dat verdachte, zo hij geen doorslaggevende stem had, dan toch aanzienlijke invloed heeft gehad op het gezamenlijke besluit tot de moord op [slachtoffer]. Voorts heeft verdachte een aandeel gehad in de pogingen de verblijfplaats van [slachtoffer] te achterhalen en de bedreigingen waarmee dat gepaard ging. Verder wist verdachte dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het slachtoffer gingen vermoorden en heeft hij dit niet heeft verhinderd, noch heeft hij zich van de voorgenomen moord gedistantieerd. Derhalve moet verdachte als mededader van de moord op [slachtoffer] worden beschouwd.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het primair telastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 december 2000 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade (de zich noemende) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachtes mededaders opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met messen meerdere malen in het lichaam en het hoofd hebben gestoken, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden, welk medeplegen door verdachte hierin heeft bestaan dat hij samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft besloten dat die [slachtoffer] van het leven moest worden beroofd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf

Het medeplegen van:

Moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden- dat verdachte en zijn mededaders handelend uit "eerwraak" een jonge vrouw van het leven hebben beroofd. Het slachtoffer wilde scheiden van verdachte en binnen de familie van verdachte werd verondersteld dat zij een nieuwe relatie was aangegaan. Dit werd door verdachte en zijn familie ervaren als een inbreuk op de familie-eer. Teneinde de "eer" van verdachte en zijn familie te herwinnen, werd besloten dat het slachtoffer moest worden vermoord. Zogenaamd om tot een verzoening te komen is een ontmoeting gearrangeerd in de woning van een wederzijdse kennis. Tijdens deze ontmoeting is het slachtoffer door verdachte en een mededader met tientallen messteken vermoord. Een van de bewoners heeft het slachtoffer nog proberen te beschermen. Echter mede doordat een mededader van verdachte één van haar kinderen met de dood bedreigde, heeft deze poging niet mogen baten.

Voor zowel de nabestaanden als de getuigen, onder wie een nog zeer jong kind, moet dit een traumatische ervaring zijn die naar de ervaring leert nog gedurende lange tijd hun leven zal beïnvloeden.

Zo de culturele achtergrond van verdachte al strafverminderend zou kunnen werken, wordt dit tenietgedaan door het belang van de generaal preventieve werking van de straf. Verdachte dient gedurende een lange tijd niet in de maatschappij terug te keren.

Nu verdachte een van de initiatiefnemers tot deze gruwelijke moord is, een moord waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt, zal het hof de gevangenneming van verdachte bevelen, welk besluit afzonderlijke is geminuteerd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 65 en 75 van het Wetboek van Strafvordering.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het primair telastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr Van Houten, voorzitter,

mrs Van Ditzhuijzen en Lauwaars, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr Van Laethem, griffier,

en op 5 september 2002 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr Van Ditzhuijzen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.