Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE7239

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-05-2002
Datum publicatie
09-09-2002
Zaaknummer
00-00593
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2002/1198
FutD 2002-1783
NTFR 2002/1360
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste enkelvoudige belastingkamer

nummer 00/0593

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

Belanghebbende : [X]

Te : [Z]

Verweerder : Afdelingshoofd Belastingen heffingen van de gemeente Arnhem (hierna: de Ambtenaar)

Aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

Betreft : aanslag gecombineerde gemeentelijke heffingen 1996

Nummer : [01]

Mondelinge behandeling : op 1 mei 2002 te Arnhem

Waarbij verschenen : belanghebbende alsmede [de Ambtenaar]

gronden:

1. Belanghebbende is militair ambtenaar en sedert juli 1995 om redenen van dienst woonachtig in Duitsland. Belanghebbende heeft zich destijds laten uitschrijven uit het bevolkingsregister van de gemeente Arnhem. Op 29 februari 1996 is hem een aanslag gemeentelijke belastingen opgelegd die uitsluitend betrekking had op het zakelijk genot van de hem in eigendom toebehorende onroerende zaak [a-straat 1 te Z]. Deze aanslag is op dat adres ontvangen en hem door zijn buurman doorgezonden naar zijn adres in Duitsland.

2. Op 31 december 1998 wordt aan belanghebbende vervolgens nog een aanslag gemeentelijke heffingen 1996 (onroerende zaak belasting, gebruikersdeel en afvalstoffenheffing) opgelegd. Deze aanslag wordt door hem - naar zijn zeggen - eerst op 24 januari 1999 ontvangen.

3. Het door belanghebbende tegen de onder 2 genoemde aanslagen gerichte bezwaar is pas op 4 april 1999 - derhalve niet binnen de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn van zes weken - ingekomen bij de gemeente. De gemeente heeft belanghebbende op grond daarvan niet ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

4. Belanghebbende is allereerst van mening dat hij op grond van artikel 3, eerste lid, van de Militaire Ambtenarenwet, aanspraak kan maken op een bezwaartermijn van dertien in plaats van zes weken. Dit beroep is terecht nu voormeld artikellid de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift door een militair ambtenaar uitdrukkelijk - in afwijking van artikel 6:7 Awb - op dertien weken stelt indien deze zich om redenen van dienst buiten Nederland bevindt. Nu de Ambtenaar de status van belanghebbende noch de reden van zijn verblijf in het buitenland heeft bestreden en het Hof ook overigens niet is gebleken dat belanghebbende geen beroep zou kunnen doen op voornoemd artikellid, heeft voor hem de aldaar genoemde termijn van dertien weken te gelden.

5. Gelet op de onder 2 en 3 genoemde data is belanghebbende tijdig in bezwaar gekomen en heeft de Ambtenaar hem ten onrechte niet ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. Het Hof zal belanghebbendes beroep dan ook inhoudelijk behandelen.

6. Belanghebbende heeft de hem in eigendom toebehorende woning aan het [a-straat 1 te Z] aanvankelijk aangehouden met het oog op zijn terugkeer naar Nederland binnen 2 jaar. Deze termijn is daarna twee maal verlengd tot 1 februari 2001. Omdat belanghebbende in de periode juli 1995 tot 1 februari 2001 telkenmale de verwachting had dat hij voornoemde woning na een kortstondige onderbreking weer zou kunnen gaan bewonen, heeft hij het pand voor eigen gebruik (één persoon) ter beschikking gehouden en niet verhuurd.

7. De afvalstoffenheffing is voor het onderhavige jaar opgelegd naar een bedrag van ƒ 312,52 ervan uitgaande dat het perceel door meer dan één persoon werd gebruikt.

8. In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag onroerende zaak belasting wegens het gebruik alsmede de afvalstoffenheffing terecht zijn opgelegd, welke vraag belanghebbende ontkennend en de ambtenaar bevestigend beantwoordt.

9. Belanghebbende heeft - kort weergegeven - ter verdediging van zijn standpunt aangevoerd dat in zijn geval niet kan worden gesproken van gebruik van een onroerende zaak omdat de woning niet feitelijk door hem wordt bewoond doch slechts wordt aangehouden tot zijn terugkomst uit Duitsland. Alsdan komt naar zijn mening eveneens de grond aan de afvalstoffenheffing te ontvallen.

10. De Ambtenaar, op wie ten deze de bewijslast rust, heeft - door belanghebbende niet bestreden - aangevoerd dat de woning bij controle een bewoonde indruk maakte en dat uit onderzoek is gebleken dat er een telefoonaansluiting staat geregistreerd op naam van belanghebbende en dat de woning is aangesloten op de nutsvoorzieningen van het Nuon en ook sprake is geweest van electriciteitsverbruik.

11. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de "Verordening op de heffing en de invordering van de onroerende-zaakbelastingen 1996" van de gemeente Arnhem wordt een gebruikersbelasting geheven van degene die - naar de omstandigheden beoordeeld - bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt.

12. Op grond van vaste jurisprudentie kan worden gesproken van gebruik van een woning indien de woning belanghebbende ter beschikking staat. Hiervan is sprake indien de woning door belanghebbende ten behoeve van hemzelf wordt aangehouden en derhalve ten behoeve van een ander dan hemzelf wordt aangewend. Dit lijdt uitzondering indien de (gemeubileerde) woning uitsluitend is bestemd voor de verhuur en ook feitelijk door de eigenaar niet anders wordt gebruikt dan nodig is om deze voor de verhuur gereed te maken en te houden (H.R. 24 juli 1995, nr. 30.470, BNB 1995/272). Het voor zichzelf ter beschikking houden van een woning is dan ook een vorm van gebruik (H.R. 1 december 1999, nr. 34.301, Belastingblad 2000/57). Nu belanghebbende uitdrukkelijk heeft aangegeven dat hij de woning uitsluitend heeft aangehouden met het oog op zijn terugkeer naar Nederland, heeft het College van B & W (het College) hem terecht de bestreden aanslag onroerende zaakbelasting 1996 wegens gebruik opgelegd.

13. Krachtens artikel 1, aanhef, eerste lid van de voor het onderwerpelijke jaar geldende "Verordening op de heffing en de invordering afvalstoffen 1996" van de gemeente Arnhem wordt onder de naam "afvalstoffenheffing" een belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. Ingevolge artikel 2 is belastingplichtig degene die in de gemeente het feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan krachtens artikel 10.11 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijk afval geldt. Daarbij wordt als gebruiker aangemerkt degene die naar omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht feitelijk gebruik maakt van het perceel.

14. Voornoemde inzamelplicht bestaat blijkens voornoemd artikel 10.11 voor elk binnen het grondgebied van de gemeente gelegen perceel waar huishoudelijke afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan. Vaststaat dat ten aanzien van belanghebbendes woning een zodanige verplichting bestaat en dat van gemeentewege een afvalcontainer ter beschikking is gesteld.

15. Nu belanghebbende krachtens eigendom in 1996 feitelijk gebruik maakte van het perceel, hieruit bestaande dat hij de woning voor eigen gebruik ter beschikking hield, is hij door het College terecht als belastingplichtig voor de afvalstoffen aangemerkt. Daaraan doet niet af dat - zoals belanghebbende stelt - hij geen gebruik maakt van de vuilophaaldienst van de gemeente. Zowel naar de tekst van de in punt 13 genoemde artikelen als naar de geschiedenis van de totstandkoming van deze artikelen blijkende bedoeling van de wetgever, kan de onderhavige afvalstoffenheffing worden geheven ongeacht of in feite huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling worden aangeboden. De belastingplicht ontstaat niet door het aanbieden van huisvuil doch door het gebruik van de woning.

16. Belanghebbende heeft zijn stelling dat onder identieke omstandigheden verkerende collegae uitsluitend als eigenaar en niet (tevens) als gebruiker worden aangeslagen niet met concrete voorbeelden en feiten onderbouwd. Reeds daarom moet zijn stelling, die het Hof verstaat als een beroep op het gelijkheidsbeginsel, worden afgewezen.

17. Het College heeft belanghebbende blijkens hetgeen daaromtrent in hoofdstuk 1, "Maatstaven en jaarlijkse tarieven afvalstoffenheffing", artikel 1, eerste lid, onderdelen a en b is bepaald, ten onrechte aangeslagen op basis van gebruik door meer dan één persoon. Dit brengt mee dat voor het onderhavige jaar niet een bedrag van ƒ 457,20 doch van ƒ 304,80 verschuldigd is. Het beroep inzake de aanslag afvalstoffenheffing is derhalve gedeeltelijk gegrond.

slotsom:

Het beroep van belanghebbende is gedeeltelijk gegrond.

proceskosten:

Belanghebbendes proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten fiscale procedures te berekenen op zijn reis- en verblijfkosten, begroot op € 2,45.

beslissing:

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak waarvan beroep met betrekking tot de aanslag onroerende zaakbelasting (gebruikersdeel);

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep met betrekking tot de aanslag afvalstoffenheffing;

- vermindert laatstgenoemde aanslag tot een bedrag van € 138,31 (ƒ 304,80);

- gelast de Ambtenaar aan belanghebbende te vergoeden het door hem gestorte griffierecht van € 27,23 (ƒ 60,--);

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 10 te vergoeden door de gemeente Arnhem.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2002 door mr. M.C.M. de Kroon, lid van de eerste enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Gankema als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(J.J. Gankema) (M.C.M. de Kroon)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 2 juli 2002

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.