Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE7219

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-06-2002
Datum publicatie
09-09-2002
Zaaknummer
01-02364
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1366
FutD 2002-1779
Belastingblad 2003/335

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

tiende enkelvoudige belastingkamer

nummer 01/02364

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

Verweerder : de heffingsambtenaar van de gemeente Apeldoorn (hierna: de Ambtenaar)

Aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

Betreft : afvalstoffenheffing 2001

Nummer : [01]

Mondelinge behandeling : met schriftelijke toestemming van partijen niet gehouden

gronden:

1. Blijkens een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) van de gemeente Apeldoorn stonden per 1 januari 2001 op het adres [a-straat 1 te Z] ingeschreven [A en B] en hun dochter [C], hierna: de dochter] (geboren op 4 december 1994). Met ingang van 7 augustus 2001 heeft [B] zich met [de dochter] laten uitschrijven op dit adres en zich vervolgens, tezamen met belanghebbende, doen inschrijven op het adres [b-straat 2 te Z]. In het kader van een co-ouderschapsregeling verblijft [de dochter] zowel op het adres van haar moeder en belanghebbende ([b-straat 2]) als op het adres van haar vader ([a-straat 1]).

2. Belanghebbende is ter zake van het feitelijke gebruik van het perceel [b-straat 2] door de Ambtenaar voor de periode 1 augustus 2001 tot en met 31 december 2001 in de afvalstoffenheffing betrokken. Voor de vaststelling van het verschuldigde bedrag is de Ambtenaar uitgegaan van het tarief dat geldt voor het gebruik van een perceel door meer dan twee personen (te weten ƒ 587,76 op jaarbasis).

3. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat ten onrechte is uitgegaan van dit tarief. Daartoe voert hij aan dat, nu [de dochter] niet alleen verblijft op zijn adres maar ook op het adres van haar vader, in wezen sprake is van een dubbele belastingheffing. Niet alleen wordt, aldus belanghebbende, [de dochter] "meegeteld" bij de onderhavige - aan hem opgelegde - aanslag maar ook bij de aan haar vader [A] opgelegde aanslag in de afvalstoffenheffing.

4. Hiertegen heeft de Ambtenaar (onder meer) aangevoerd dat, nu de gemeente Apeldoorn voor de vaststelling van het aantal gebruikers van een perceel aanknoopt bij de inschrijvingen in de GBA en [de dochter] sinds 7 augustus 2001 niet meer staat ingeschreven op het adres [a-straat 1 te Z], zij voor de vaststelling van het aantal gebruikers van dit perceel niet meer meetelt. Over de mogelijk aan te bieden huishoudelijke afvalstoffen van [de dochter] wordt volgens de Ambtenaar dan ook slechts één keer - namelijk voor het perceel [b-straat 2] - geheven.

5. Naar het oordeel van het Hof lijkt de Ambtenaar hiermee over het hoofd te zien dat, naar op grond van artikel 6 van de Verordening afvalstoffenheffing 2001 van de gemeente Apeldoorn in verbinding met de artikelen 1.1 en 1.1.3 van de bij deze Verordening behorende Tarieventabel mag worden aangenomen, [A] voor het gehele jaar 2001 in de afvalstoffenheffing is betrokken naar het tarief dat geldt voor meer dan twee personen. Op de peildatum 1 januari 2001 maakte hij immers tezamen met [B] en [de dochter] feitelijk gebruik van het perceel [a-straat 1], terwijl de Verordening niet voorziet in een ontheffing van de verschuldigde belasting bij vertrek van één of meer huisgenoten in de loop van het jaar. Voor de periode waarop de onderhavige aanslag ziet (augustus tot en met december 2001), is [de dochter] - maar ook haar moeder [B] - derhalve zowel voor het perceel [a-straat 1] als voor het perceel [b-straat 2] "meegeteld".

6. Niettemin is van een dubbele belastingheffing geen sprake. Niet [de dochter] is immers als belastingplichtige tweemaal in de afvalstoffenheffing betrokken, maar belanghebbende en [A] (ieder éénmaal) afzonderlijk. Aangezien deze - ieder afzonderlijk - in de gemeente Apeldoorn feitelijk gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.11 van de Wet Milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt, is zulks - gelet op artikel 2, eerste lid, van de Verordening - terecht geschied. Eveneens terecht is, nu vaststaat dat op de peildatum 7 augustus 2001 het perceel van belanghebbende feitelijk werd gebruikt door drie personen, de toepassing in het onderhavige geval van het tarief dat geldt voor gebruik van een perceel door meer dan twee personen. De omstandigheid dat hierdoor een zekere "dubbeltelling" ten aanzien van [de dochter] (en ten aanzien van [B]) heeft plaatsgevonden, doet hieraan niet af. Een forfaitaire tariefstelling, zoals hier aan de orde, brengt nu eenmaal een zekere ruwheid met zich. Overigens kan, nu [de dochter] in eenzelfde periode ook daadwerkelijk feitelijk gebruik heeft gemaakt van twee percelen, deze "dubbeltelling" niet als onredelijk worden bestempeld.

7. Tot slot zij nog opgemerkt dat de vaststelling van de tarieven voor de afvalstoffenheffing een zelfstandige bevoegdheid van de raad van een gemeente is. De administratieve rechter in belastingzaken is niet bevoegd te oordelen over de - in de Verordening bepaalde - tarieven, tenzij sprake is van een zodanig onredelijke en/of willekeurige heffing, dat moet worden geoordeeld dat de wetgever deze niet op het oog kan hebben gehad. Dat daarvan sprake is met betrekking tot de onderwerpelijke tarieven is niet gebleken. Evenmin is in casu het voorschrift van artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet - het bedrag van de gemeentelijke belasting mag niet afhankelijk worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen - overtreden.

slotsom:

Het beroep is ongegrond.

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

beslissing:

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2002 door mr. R. den Ouden, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(L.A. Aalbersberg) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 2 juli 2002

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.