Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE7157

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-06-2002
Datum publicatie
09-09-2002
Zaaknummer
00-00658
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1359
FutD 2002-1761
PW 2002, 21518
V-N 2003/5.21

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

derde meervoudige belastingkamer

nummer 00/00658

U i t s p r a a k

op het beroep van mevrouw [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Registratie en successie [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende de na te melden aan haar opgelegde naheffingsaanslag overdrachtsbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. De naheffingsaanslag, berekend naar een belaste verkrijging van ƒ 178.500, bedraagt ƒ 10.710. Het aanslagbiljet met het aanslagnummer [01] is gedagtekend 21 januari 2000.

1.2. Belanghebbende heeft bij brief van 2 februari 2000, binnengekomen bij de Inspecteur op 8 februari 2000, bezwaar gemaakt tegen de voornoemde naheffingsaanslag. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij de bestreden uitspraak van 22 februari 2000 gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak bij brief van 30 maart 2000, binnengekomen op 31 maart 2000, in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de Inspecteur een conclusie van dupliek.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof op 14 mei te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord [belanghebbendes gemachtigde, tot bijstand vergezeld van belanghebbendes schoonmoeder]. De Inspecteur, hoewel behoorlijk opgeroepen, is - zonder bericht van verhindering - niet verschenen.

1.5. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De inhoud van de pleitnota moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Een afschrift van de pleitnota is aan deze uitspraak gehecht.

2. Feiten

2.1 Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.2 Belanghebbende heeft bij akte van 29 maart 1984 tezamen met haar toenmalige partner, de heer [A], en de heer [B] de eigendom verkregen van de onroerende zaak [a-straat 1 te Z] (hierna: het pand), waarbij belanghebbende en haar partner ieder gerechtigd werden voor 25 en de heer [B] voor 50 percent van het geheel. Ten tijde van de verkrijging woonden belanghebbende en haar partner samen.

2.3 Belanghebbende en [A] zijn vervolgens op 2 januari 1986

- onder het maken van huwelijkse voorwaarden - in het huwelijk getreden. De huwelijkse voorwaarden behelsden, voor zover te dezen van belang, een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen.

2.4 Bij akte van 18 juni 1992 hebben belanghebbende en haar echtgenoot gezamenlijk de eigendom van de aan de heer [B] toebehorende onverdeelde helft van het pand verkregen, zodat ieder der echtgenoten daarna, ieder voor de onverdeelde helft, gerechtigd was in het door hen gezamenlijk bewoonde pand. Sedert juli 1995 woont [A] niet meer op het adres [a-straat 1 te Z] en leven hij en belanghebbende duurzaam gescheiden.

2.5 Bij beschikking van 11 februari 1999 van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem is tussen belanghebbende en [A] de echtscheiding uitgesproken. Het huwelijk is op 5 maart 1999 ontbonden door de inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [Q].

Bij akte van verdeling en levering van 7 september 1999 is het pand toebedeeld aan belanghebbende. In de akte wordt een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel g, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR). In de akte wordt verwezen naar een - aan de akte gehechte - brief van de gemachtigde van belanghebbende van 5 juli 1999 aan de Inspecteur. Die brief bevat onder meer de volgende, in de akte overgenomen passages:

"Gelet op de civielrechtelijke toedeling en levering alsmede gelet op het bepaalde in artikel 7 WBR, houdende dat hetgeen bij een verdeling wordt toebedeeld, wordt geacht voor het geheel te zijn verkregen, wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 15 lid 1 sub g, houdende dat van de belasting is vrijgesteld de verkrijging krachtens verdeling van een gemeenschap tussen samenwoners, voor zover de gemeenschap waarin de ene is gerechtigd voor tenminste veertig procent en de ander voor ten hoogste zestig procent, is ontstaan door een gezamenlijke verkrijging en de toedeling geschiedt aan één van de verkrijgers.

(…)

Op grond van de resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van tien mei negentienhonderd negen en zestig, gewijzigd op achttien augustus negentienhonderd negen en zeventig, valt onder deze vrijstelling ook de verdeling na beëindiging van de samenwoning in het kader van de financiële afwikkeling van die samenwoning.

De in de resolutie gestelde voorwaarde dat reeds bij de eerste gezamenlijke verkrijging moet worden voldaan aan het vereiste dat de één voor tenminste veertig percent en de ander voor ten hoogste zestig percent gerechtigd moet zijn in de te verdelen gemeenschap, is een voorwaarde welke de wet niet stelt zo min enige uitvoeringsregeling."

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel g, WBR in het onderhavige geval van toepassing is, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt. Partijen houdt met name verdeeld het antwoord op de vraag of de vrijstelling slechts toepassing kan vinden indien samenwoners direct bij de eerste gezamenlijke verkrijging al gezamenlijk het gehele pand verkregen, zoals de Inspecteur verdedigt, dan wel voldoende is dat de bij de verdeling bestaande gerechtigdheid tot het gehele pand het resultaat is van twee of meer gezamenlijke verkrijgingen in dezelfde verhouding van aandelen in het pand, zoals belanghebbende voorstaat.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting van is daaraan nog het volgende namens belanghebbende toegevoegd:

Door de schoonmoeder van belanghebbende:

Haar zoon en schoondochter bewoonden vóór maart 1984 samen een huis aan de [b-straat]. Naast hen woonde een oude vriend, de heer [B] met wie zij het erg goed konden vinden. Zij deelden met z'n drieën een gezamenlijke tuin en liepen regelmatig bij elkaar in en uit. Toen het huis in verband met de komst van een tweede kind te klein werd, keken haar zoon en schoondochter uit naar andere en ruimere huisvesting. Het voorgenomen vertrek leidde tot een dermate grote teleurstelling bij de heer [B] dat zij besloten met zijn drieën een pand te gaan kopen en bewonen. Bij de aankoop in 1984 verkreeg de heer [B] de helft en haar zoon en schoondochter ieder een vierde gedeelte van het pand in eigendom. Het pand werd aangekocht van een derde. Enige tijd later kreeg ook de heer [B] een relatie en werden er uit die relatie kinderen geboren, waardoor het pand te klein werd voor dubbele bewoning. Haar zoon en schoondochter hebben daarop het aandeel van de heer [B] in het pand aangekocht en aldus ieder voor de onverdeelde helft in gezamenlijke eigendom verkregen.

3.3. Door de gemachtigde van belanghebbende:

Hij geeft aan dat het geschil zijn grond vindt in de mogelijkheid artikel 15, eerste lid, onderdeel g, WBR naar de letter op twee verschillende wijzen te interpreteren en dat het naar zijn mening aankomt op het doel en de strekking van de daarin neergelegde vrijstelling, te weten de gelijkstelling van ongehuwd samenwonenden met gehuwden.

3.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de daarbij gehandhaafde naheffingsaanslag.

3.5. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel 15, aanhef en eerste lid, onderdeel g, van de WBR is onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden van belasting vrijgesteld de verkrijging krachtens verdeling van een gemeenschap tussen samenwoners, voor zover de gemeenschap waarin de ene is gerechtigd voor tenminste 40 percent en de andere voor ten hoogste 60 percent, is ontstaan door een gezamenlijke verkrijging en de toedeling geschiedt aan een van de verkrijgers of iemand die als rechtsverkrijgende onder algemene titel van een verkrijger in het toegedeelde goed was gerechtigd.

4.2. Met betrekking tot voormelde vrijstelling is geen nadere regelgeving tot stand gebracht. Wel heeft de Staatsecretaris van Financiën een nadere toelichting op bedoelde bepaling gegeven, neergelegd in de resolutie van 10 mei 1996, nr. VB96/805. V-N 1996, blz. 1990, punt 22, PW 20 686, Infobulletin 96/438, gewijzigd bij besluit van 18 augustus 1997, nr. VB 97/2020, V-N 1997, blz. 3065 en bij besluit van 1 november 2000, nr. CPP2000/2248, V-N 2000/51.21, Infobulletin 2000/760. Blijkens paragraaf 2.5. van de resolutie is de Staatssecretaris van mening dat de vrijstelling eerst toepassing kan vinden indien direct bij de gezamenlijke verkrijging aan het in de wet neergelegde kwantitatieve criterium (de 40 - 60 percent-regel) wordt voldaan en zo niet, dat men niet door een daarop volgende wijziging in de gerechtigdheid alsnog onder het regime van de vrijstelling kan komen.

4.3. Ter verdediging van zijn standpunt dat de gerechtigdheid in de verhouding 40 - 60 percent tot het gehele pand direct bij de gezamenlijke verkrijging moet zijn ontstaan, heeft de Inspecteur aangevoerd dat de wetgever blijkens de ontstaansgeschiedenis van artikel 15, eerste lid, onderdeel g, WBR de vrijstelling geheel heeft willen schrappen wegens de mogelijkheid van oneigenlijk gebruik, die zich met name zou kunnen voordoen bij een verkrijging in fasen.

4.4. In de memorie van toelichting van de door de Inspecteur bedoelde reparatiewetgeving, Kamerstukken II, 1994-1995, 24 172, nr. 3, onder meer gepubliceerd in V-N 1995, blz. 2016, punt.5, is met betrekking tot oneigenlijk gebruik van de vrijstelling opgemerkt:

"In het kader van de constructiebestrijding in het algemeen past het voorts de onder artikel 15, eerste lid, onderdeel g, WBR opgenomen vrijstelling te laten vervallen (…) De Belastingdienst heeft er in het recente verleden op gewezen dat de bedoelde vrijstelling veelvuldig onderwerp is van oneigenlijk gebruik. Berichten van gelijke strekking zijn ontvangen vanuit het notariaat.

(…)

Dit alles overziend komt de vraag op of de vrijstelling zou moeten worden beperkt in die zin dat gevallen waarin oneigenlijk gebruik evident is, niet meer in de vrijstelling kunnen delen of dat de vrijstelling geheel moet komen te vervallen.

Ik heb gekozen voor het laatste. Voor deze keuze bestaat naar mijn mening een goede reden. De Wet op belastingen van rechtsverkeer bevat namelijk naast deze vrijstelling een andere regeling die betrekking heeft op de verkrijging krachtens verdeling van een onroerende zaak in het algemeen. Deze regeling, die is opgenomen in de artikelen 7 en 12 van die wet, behelst geen vrijstelling, maar een vermindering van de heffingsmaatstaf.

(…)

De "maatstaf van heffing-regeling" leidt naar mijn oordeel zowel in extreme situaties, als hierboven aangegeven, als in normale situaties van mede-eigendom en mede-gerechtigdheid tot een redelijk resultaat."

4.5. Het hiervóór onder 4.4 geuite voornemen om de vrijstelling - ook voor situaties van niet evident oneigenlijk gebruik - in haar geheel af te schaffen, stuitte in het Parlement echter op zoveel verzet dat de Staatssecretaris besloot de vrijstelling te handhaven voor verdeling bij beëindiging van de samenleving van - zowel ongehuwd als gehuwd - samenwonenden. In dit verband wordt in de Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II, 1994-1995, 24 172, nr. 5, V-N 1995, blz. 3004, punt 23 opgemerkt:

"Voor handhaving van de vrijstelling bestaat naar mijn mening wel aanleiding in situaties waarin, bij beëindiging van een samenwoning, een door de samenwoners gezamenlijk en voor gelijke delen verkregen onroerend goed wordt toegedeeld aan een van de samenwonenden, een situatie die vergelijkbaar is met die waarin in algemene gemeenschap gehuwden zijn komen te verkeren bij echtscheiding. Ik heb daarom in mijn brief van 27 juni jl. toegezegd dat de vrijstelling voor die situatie zal worden gehandhaafd. Hiermee wordt namelijk voorkomen dat samenwoners die gezamenlijk en voor gelijke delen een onroerend goed hebben verkregen slechter af zijn dan in gemeenschap van goederen gehuwden, die immers bij echtscheiding een beroep kunnen doen op artikel 3, onderdeel b, Wet op belastingen van rechtsverkeer. Voor alle duidelijkheid merk ik op dat de term samenwoners in dit verband zowel ongehuwd als gehuwd samenwonenden omvat. Buiten algehele gemeenschap van goederen gehuwden kunnen dus ook een beroep op de vrijstelling doen, indien zij gezamenlijk en voor gelijke delen verkregen hebben."

4.6. Het Hof is van oordeel dat er - gelet op de uit de wetsgeschiedenis van artikel 15, lid 1, onderdeel g, WBR, blijkende bedoeling van de wetgever - in een situatie als de onderhavige, waarin van enig oneigenlijk gebruik van de vrijstelling geen sprake is, geen reden bestaat voor de beperkte uitleg van de bepaling zoals de Inspecteur voorstaat. Uit die wetsgeschiedenis blijkt immers dat de vrijstelling - ondanks de bestaande mogelijkheid van vermindering van de heffingsmaatstaf op de voet van de artikelen 7 en 12 WBR - bewust is gehandhaafd met de bedoeling om samenwoners, waaronder buiten gemeenschap van goederen gehuwden, die voldoen aan het onder 4.1. geformuleerde kwantitatieve criterium, bij echtscheiding in dezelfde positie te brengen als in gemeenschap van goederen gehuwden. Alsdan ligt het naar het oordeel van het Hof in de rede elkaar opvolgende gezamenlijke verkrijgingen door de deelgenoten van aandelen in het pand in dezelfde verhouding als waarin de uiteindelijke gerechtigdheid bestaat, te beschouwen als een gezamenlijke verkrijging van de uiteindelijke gerechtigdheid tot het pand. In het onderhavige geval hebben de deelgenoten eerst de onverdeelde helft van het pand elk voor 50 percent verkregen en vervolgens het restant eveneens elk voor 50 percent. Naar het oordeel van het Hof is er vanuit de wetsgeschiedenis en de strekking van de bepaling geen aanleiding deze situatie anders te behandelen dan de situatie waarin de gezamenlijke verkrijging van het gehele pand ineens plaatsvindt. Een en ander brengt mee dat de woorden "ontstaan door een gezamenlijke verkrijging" in artikel 15, lid 1, onderdeel g, WBR niet alleen zien op de situatie waarin de uiteindelijke gerechtigdheid in het gehele pand direct bij de gezamenlijke verkrijging is ontstaan.

4.7. Het beroep van belanghebbende is gegrond.

5. Proceskosten

Belanghebbendes proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten fiscale procedures te berekenen op 2,5 × € 322 × 1 (belang) = € 805.

6. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de bestreden uitspraak en de naheffingsaanslag;

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 27,23;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot voor een bedrag van € 805, te vergoeden door de Staat der Nederlanden.

Aldus gedaan te Arnhem op 25 juni 2002 door mr. Röben, vice-president, als voorzitter, mw. mr. De Kroon en prof. dr. Zwemmer, raadsheren, in tegenwoordigheid van mw. mr. Nuboer als griffier.

(M.M. Nuboer) (J.B.H. Röben)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 4 juli 2002

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.