Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE7156

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-06-2002
Datum publicatie
09-09-2002
Zaaknummer
00-01250
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1348
FutD 2002-1778
V-N 2002/54.16

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste enkelvoudige belastingkamer

nummer 00/01250

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P]

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996

nummer : [01.H67]

mondelinge behandeling : op 11 juni 2002 te Arnhem

waarbij verschenen : Belanghebbendes gemachtigde [alsmede de Inspecteur]

gronden:

De ontvankelijkheid van het beroep

1. Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslagen voor de jaren 1992 tot en met 1996 welke niet op één aanslagbiljet zijn verenigd, bij één geschrift bezwaar gemaakt. Belanghebbende is niet uitgenodigd evenbedoeld bezwaarschrift te splitsen. Op dat bezwaarschrift is door de Inspecteur bij één uitspraak beslist.

2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur bij het indertijd bevoegde Hof 's-Gravenhage beroep ingesteld. Bij beschikking van 30 augustus 1999 heeft de voorzitter van de vierde meervoudige belastingkamer van dat Hof geoordeeld dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven, nu de Inspecteur belanghebbende niet de gelegenheid heeft geboden het bezwaarschrift te splitsen, de uitspraak op die grond vernietigd en te verstaan gegeven dat de Inspecteur belanghebbende alsnog in de gelegenheid zal stellen het bezwaarschrift te splitsen, waarna de Inspecteur opnieuw uitspraak zal doen.

3. Nadat de Inspecteur belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld het bezwaarschrift te splitsen heeft de Inspecteur op 17 april 2000 uitspraak gedaan op het tegen de onderhavige navorderingsaanslag IB/PV 1996 gerichte bezwaarschrift.

4. Het tegen deze uitspraak gerichte beroepschrift van belanghebbende is op de laatste dag van de beroepstermijn van zes weken, te weten 29 mei 2000, bij het - inmiddels niet meer bevoegde - Hof 's-Gravenhage binnengekomen. Dit Hof heeft het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden naar het eveneens onbevoegde Hof 's-Hertogenbosch alwaar het op 28 juni 2000 is binnengekomen. Na doorzending is het tenslotte op 4 juli 2000 bij dit Hof binnengekomen.

5. Indien beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing op bezwaar, wordt ingevolge artikel 6:23 Awb daarvan bij de bekendmaking van de beslissing melding gemaakt. Hierbij wordt vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan beroep kan worden ingesteld.

Indien geen juiste toepassing aan artikel 6:23 Awb is gegeven, is ingevolge artikel 6:15, lid 3, onderdeel a, Awb het tijdstip van indiening bij het onbevoegde Hof bepalend voor het antwoord op de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend.

6. Ter zitting heeft de Inspecteur niet aannemelijk kunnen maken dat in dit geval op juiste wijze uitvoering is gegeven aan genoemd artikel 6:23 Awb. Een zodanige juiste uitvoering is te meer van belang in een geval als het onderhavige waarin na het instellen van het aanvankelijke beroep bij het Hof 's-Gravenhage, de bevoegdheid van dat Hof is overgegaan naar het Hof Arnhem.

Het Hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden belanghebbende het voordeel van de twijfel moet worden gegund en er vanuit moet worden gegaan dat juiste toepassing van artikel 6:23 Awb achterwege is gebleven. Alsdan is de datum van binnenkomst bij het Hof 's-Gravenhage bepalend voor het tijdstip van indiening van het beroepschrift en dient belanghebbende te worden ontvangen in zijn beroep.

De feiten

7. Belanghebbende is vanaf 21 mei 1992 werkzaam als zetschipper op het motorschip "[a]". Dit motorschip is eigendom van de B.V. Rederij [A te Q] (de Rederij).

8. Belanghebbende en de Rederij zijn indertijd het volgende mondeling overeengekomen:

- Belanghebbende ontvangt 35% van de netto-opbrengsten van de reizen;

- Deze netto-opbrengsten bestaan uit de vrachtopbrengsten verminderd met de door belanghebbende en de Rederij betaalde onkosten;

- De Rederij betaalt de directe kosten, zoals gasolie, vetten, verzekering van het schip en de lading en het groot onderhoud van het schip;

- Belanghebbende betaalt de laad- en loskosten, havengeld, fooien en dergelijke. Deze onkosten worden door de Rederij na berekening van de genoemde opbrengst aan belanghebbende vergoed;

- Indien een cliënt niet aan zijn betalingsverplichting voldoet, krijgt belanghebbende niets door de Rederij uitbetaald. In dat geval draagt belanghebbende 35% van de gezamenlijke, door de Rederij en belanghebbende voor die cliënt gemaakte kosten;

- Belanghebbende treedt zelfstandig of via bemiddelingsbureaus in contact met de cliënten en kan zelfstandig prijsafspraken met hen maken.

9. Met ingang van 1 januari 1994 verricht belanghebbende zijn werkzaamheden als zetschipper samen met [zijn zoon] in een vennootschap onder firma. De genoemde netto-opbrengsten worden als volgt verdeeld: Belanghebbende 75% en zijn zoon 25%.

10. Belanghebbende is niet gerechtigd in de stille reserves van genoemd schip. Hij draagt geen risico met betrekking tot de instandhouding daarvan. De administratie met betrekking tot de exploitatie van het schip geschiedt volledig door de rederij. Deze verstuurt ook de facturen naar de cliënten.

11. Belanghebbende die zich op het standpunt stelt dat hij voor de heffing van inkomstenbelasting als ondernemer is aan te merken heeft in zijn aangifte voor het onderhavige jaar de zelfstandigenaftrek geclaimd. Bij de aanslagregeling voor het onderhavige jaar is deze aftrek aan belanghebbende verleend.

12. Naar aanleiding van een op 14 januari 1998 aangevangen boekenonderzoek bij belanghebbende heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat belanghebbende niet is aan te merken als ondernemer en derhalve ten onrechte de zelfstandigenaftrek heeft genoten. Vervolgens heeft de Inspecteur belanghebbende de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van f 73.402.

13. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag gehandhaafd.

14. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende is aan te merken als ondernemer in de zin van art. 6 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB), zodat hij uit dien hoofde aanspraak heeft op zelfstandigenaftrek, hetgeen belanghebbende verdedigt, of is de door belanghebbende genoten opbrengst aan te merken als inkomsten bedoeld in art. 22, lid 1, onderdeel b, Wet IB '64, hetgeen de Inspecteur verdedigt.

15. Met betrekking tot deze vraag is komen vast te staan dat belanghebbende en zijn zoon zonder last of ruggespraak reizen aannamen en zelfstandig prijsafspraken met cliënten maakten. Het Hof leidt hieruit af dat belanghebbende zijn werkzaamheden zelfstandig uitoefende en dat zulks voor derden kenbaar was.

16. Belanghebbende en zijn zoon hadden tezamen recht op 35% van de netto-opbrengst van een vracht. Nu belanghebbende niet een vast bedrag per vracht doch een percentage van de opbrengst verminderd met de kosten (zowel gemaakt door de reder als door hemzelf en zijn zoon) toekwam, en hij en zijn zoon het volledige risico droegen van het stilliggen van het schip (alsdan immers in het geheel geen opbrengst) is het Hof van oordeel dat belanghebbende een commercieel risico liep.

17. Belanghebbendes gemachtigde heeft ter zitting door de Inspecteur onweersproken aangevoerd dat in het geval een debiteur zijn betalingsverplichtingen niet nakwam belanghebbende en zijn zoon desalniettemin voor 35% moesten bijdragen zowel in de door de hen zelf gedragen kosten als in de kosten die de reder terzake van de oninbare post had gemaakt. Dit houdt in dat belanghebbende ook enig debiteurenrisico liep. Daaraan doet niet af dat het debiteurenrisico zich in het onderhavige jaar niet daadwerkelijk heeft voorgedaan.

18. Op grond van het vorenoverwogene onder 15, 16 en 17 komt het Hof tot de conclusie dat belanghebbende voor de heffing van de inkomstenbelasting over het onderhavige jaar als ondernemer is aan te merken. Daaraan doet niet af dat belanghebbende niet is gerechtigd in de stille reserves van het schip dat hij samen met zijn zoon exploiteerde.

19. Uit het vorenstaande volgt dat belanghebbende in het onderhavige jaar recht heeft op de zelfstandigenaftrek. Belanghebbendes belastbaar inkomen moet alsdan worden verminderd met f 9.340 tot f 64.062 (€ 29.070,07).

slotsom:

Het beroep is gegrond.

proceskosten:

In deze zaak is voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, gelet op de kostenveroordeling in de samenhangende zaak met het nummer 00/01246, geen plaats meer.

beslissing:

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- vermindert de onderhavige belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 29.070,07, en overigens met inachtneming van de elementen die bij het vaststellen daarvan in aanmerking zijn genomen;

- gelast de Inspecteur het griffierecht van € 27,23 aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2002 door mr. M.C.M. de Kroon, lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(J.L.M. Egberts) (M.C.M. de Kroon)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 4 juli 2002

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.