Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE5907

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
02-09-2002
Zaaknummer
00-02235
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1330
FutD 2002-1748
V-N 2002/52.5

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

zesde enkelvoudige belastingkamer

nummer 00/02235

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren [P] (hierna: de Inspecteur)

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 en boetebeschikking

nummer : [01.H77]

mondelinge behandeling : op 5 juni 2002 te Arnhem

waarbij verschenen : belanghebbende, alsmede [de Inspecteur]

gronden:

1. Belanghebbende heeft, onder meer, in de jaren 1997 en 1998 van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (hierna: VROM) subsidie ontvangen voor de eigen woning. Belanghebbende heeft deze subsidie voorgaande jaren in haar belastingaangifte aangegeven, echter in het jaar 1997 en 1998 heeft zij verzuimd de ontvangen bedragen van ƒ 5.500 respectievelijk ƒ 2.736 volledig aan te geven. In het jaar 1997 heeft belanghebbende de subsidie voor een bedrag van ƒ 165 aangegeven. Voor het jaar 1998 heeft zij niets aangegeven.

2. Naar aanleiding van informatie van VROM over de subsidie eigen woning in het jaar 1998 en nader onderzoek door de Inspecteur over het ontvangen van een dergelijke subsidie in het jaar 1997 is aan belanghebbende een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 opgelegd. De in de navorderingsaanslag begrepen belasting is met 100% verhoogd. Bij beschikking is de verhoging van 100% tot 50% kwijtgescholden.

3. Belanghebbende betoogt dat de Inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn met de omstandigheid dat zij over de jaren 1997 en 1998 subsidie eigen woning heeft ontvangen, zodat hem de grond ontbreekt een navorderingsaanslag op te leggen.

4. Belanghebbende neemt voorts de stelling in dat de onjuiste opgave van de subsidie eigen woning berust op een vergissing, bestaande uit het gebruiken van een onjuist bankafschrift. Op de vraag van het Hof hoe het mogelijk is dat een bedrag van ƒ 5.500 aan subsidie onopgemerkt kon blijven, heeft belanghebbende ter zitting nader verklaard dat zij zich niet bewust was dat zij een dergelijke subsidie, die overigens direct op de hypotheekrekening werd geboekt, ontving. De omstandigheid dat zij naar haar gevoel de subsidie niet ontving, alsmede de omstandigheid dat haar ex-partner de verzorging van de aangiften en overige administratieve aangelegenheden in voorgaande jaren geheel voor zijn rekening nam en zij zelf onvoldoende in de materie was ingewerkt toen zij aangifte deed, hebben er toe geleid dat zij in het onderhavige jaar ten onrechte de subsidie eigen woning voor een onjuist bedrag in de aangifte heeft opgenomen.

5. Met de omstandigheden genoemd onder punt 4 heeft belanghebbende naar 's Hofs oordeel voldoende aannemelijk gemaakt dat haar ter zake van het voor een onjuist bedrag aangeven van de ontvangen subsidie geen opzet of grove schuld kan worden verweten.

6. Hetgeen de Inspecteur daartegenover naar voren heeft gebracht, geeft het Hof geen aanleiding te concluderen dat een verhoging of een boete welke opzet dan wel grove schuld bij belanghebbende vereist, kan worden opgelegd. De navorderingsaanslag dient derhalve te worden verminderd.

7. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat zij, in het geval de boete zou vervallen, haar verzet tegen het opleggen van de onderwerpelijke navorderingsaanslag wegens ontbreken van een grond daarvoor, laat varen. Belanghebbendes grief in dezen behoeft derhalve geen behandeling. Het Hof zal in zoverre derhalve dienovereenkomstig beslissen.

slotsom:

Het beroep is gegrond.

proceskosten:

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht het Hof termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt de reis- en verblijfkosten vast op € 12.

beslissing:

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- handhaaft de navorderingsaanslag op een belastbaar inkomen van € 20.132,87 (oftewel ƒ 44.367);

- vermindert de in de belasting begrepen verhoging tot nihil;

- gelast de Inspecteur het griffierecht van € 27,23 (oftewel ƒ 60) aan belanghebbende te vergoeden;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 12, te vergoeden door de Staat der Nederlanden.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2002 door mr. J. Lamens, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I. Linssen als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(I. Linssen) (J. Lamens)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 10 juli 2002

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.