Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE5906

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
02-09-2002
Zaaknummer
00-02267
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1319
FutD 2002-1740

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

zesde enkelvoudige belastingkamer

nummer 00/02267

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren [P]

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997

nummer : [01.H76]

mondelinge behandeling : op 5 juni 2002 te Arnhem

waarbij verschenen : belanghebbende, alsmede [de Inspecteur]

gronden:

1. Belanghebbende en zijn ex-echtgenote wonen gescheiden en voeden als co-ouders hun twee minderjarige kinderen op. Hun twee zoons zijn geboren op respectievelijk 29 juni 1989 en 31 oktober 1990. De kinderen behoren zowel tot het huishouden van belanghebbende als tot het huishouden van zijn ex-echtgenote.

2. Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997 een bedrag van ƒ 5.400 in aftrek gebracht wegens kosten van levensonderhoud voor zijn kinderen. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur de uitgaven ter zake van levensonderhoud niet in aftrek aanvaard. Tevens is een bedrag van ƒ 206 aan genoten periodieke overheidsbijdrage bijgeteld. Het belastbare inkomen van belanghebbende is aldus vastgesteld op ƒ 56.057.

3. In geschil is de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek van buitengewone lasten wegens kosten van levensonderhoud voor zijn beide zoons.

4. Op grond van de tekst en de strekking van artikel 46, eerste lid, aanhef, onderdeel a, aanhef en sub 1°, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) in samenhang met het bepaalde in artikel 10, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 (hierna: de Uitvoeringsregeling), moet worden aangenomen dat recht op aftrek van buitengewone lasten bestaat indien en voor zover de belastingplichtige geen recht op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: de AKW) heeft, dan wel dit recht ingevolge de regelen ter voorkoming van samenloop van kinderbijslag in de AKW of het Samenloopbesluit Kinderbijslag niet geldend kan maken, mits de kinderen in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden.

5. Artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a van de AKW bepaalt dat recht op kinderbijslag bestaat voor een eigen kind, een aangehuwd kind en een pleegkind dat jonger is dan 16 jaar en tot het huishouden behoort. Zowel belanghebbende als zijn ex-echtgenote hebben aldus in beginsel voor beide kinderen recht op kinderbijslag ingevolge de AKW.

6. Artikel 5a van het Samenloopbesluit kinderbijslag bepaalt dat indien twee personen op basis van een overeenkomst een kind overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden, zonder met elkaar een gemeenschappelijke huishouding te voeren, tenzij in de overeenkomst anders is overeengekomen, de kinderbijslag waarop één van deze personen voor dit kind recht heeft, gelijk verdeeld wordt betaald aan deze personen terwijl de kinderbijslag waarop de andere persoon recht heeft, niet wordt uitbetaald.

7. Uit de tekst van artikel 5a van het Samenloopbesluit volgt dat een afwijking van de gelijk verdeelde betaling van de kinderbijslag in het echtscheidingsconvenant dient te zijn overeengekomen. Van een dergelijke afwijking is in onderhavig geval geen sprake. Belanghebbende heeft ter zitting medegedeeld dat hij en zijn ex-echtgenote mondeling zijn overeengekomen dat de kinderbijslag in het geheel zal worden genoten door zijn ex-echtgenote. Zijn ex-echtgenote heeft deze overeenkomst aan de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB) kenbaar gemaakt, waarvan belanghebbende achteraf op de hoogte is gebracht. Belanghebbende heeft met dagtekening 17 maart 2000 een brief ontvangen van de SVB met de mededeling dat hij met ingang van het vierde kwartaal van 1995 geen recht heeft op kinderbijslag voor beide zoons.

8. Het Hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden het ervoor moet worden gehouden dat belanghebbende zijn recht op kinderbijslag niet geldend kan maken. Nu niet in geschil is dat belanghebbende zijn zoons gedurende het onderhavige jaar in belangrijke mate heeft onderhouden, heeft belanghebbende voor dit jaar ten aanzien van de beide zoons ter zake van deze onderhoudskosten recht op aftrek wegens buitengewone lasten. Het bedrag van de aftrek bedraagt ingevolge het bepaalde in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling ƒ 5.400 conform het door belanghebbende aangegeven bedrag. De aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen van belanghebbende voor het jaar 1997 dient aldus te worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 50.657.

9. De stelling van belanghebbende dat de heffingrente op een lager bedrag berekend dient te worden, omdat geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat door problemen met de computerverwerking van zijn aangifte 1996 ook latere aanslagen zijn vertraagd, vindt geen steun in het recht.

slotsom:

Het beroep is gegrond.

proceskosten:

Belanghebbendes proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op € 15 voor reis- en verblijfkosten.

beslissing:

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- vermindert de onderhavige belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 22.987 (ƒ 50.657), en overigens met inachtneming van de elementen die bij het vaststellen daarvan in aanmerking zijn genomen;

- gelast de Inspecteur het griffierecht van € 27,23 (ƒ 60) aan belanghebbende te vergoeden;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 15, te vergoeden door de Staat der Nederlanden.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2002 door mr. J. Lamens, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mw. mr. J.M. Sitsen als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(J.M. Sitsen) (J. Lamens)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 10 juli 2002

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.