Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE5904

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-07-2002
Datum publicatie
02-09-2002
Zaaknummer
00-01279
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/17.3.1
FutD 2002-1749
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Eerste meervoudige belastingkamer

nummer 00/01279

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. In afwijking van de aangifte heeft de Inspecteur een aanslag opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 133.072,-.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad op 14 juni 2002. Daarbij is verschenen en gehoord de Inspecteur, de gemachtigde heeft zich kort voor de zitting per fax afgemeld.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende was samen met haar overleden echtgenoot tot 1994 zelfstandig stationsrestaurateur te [Q]. Deze onderneming -in de vorm van een vennootschap onder firma- werd gedreven op basis van een franchise overeenkomst met [A] BV, een dochteronderneming van de Nederlandse Spoorwegen.

2.2. Na aanvankelijk verzet van de vennoten en na moeizame onder-handelingen is de franchise overeenkomst (naar het Hof uit de bij het beroepschrift overgelegde salarisstrookjes afleidt, op 1 januari 1994) met [A] BV omgezet in een dienstbetrekking van [A] BV met belanghebbende en haar echtgenoot.

2.3. Op 25 november 1996 is belanghebbendes echtgenoot, tijdens de uitoefening van zijn dienstbetrekking, overleden.

2.4. Op 24 december 1996 kent de directie van [A] BV aan belanghebbende een uitkering toe. In een brief van de directie aan belanghebbende (opgenomen als bijlage bij het beroepschrift) wordt dit, voor zover hier van belang, als volgt verwoord:

"Zoals wij in ons gesprek van heden, 24 december 1996 jou kenbaar hebben gemaakt, zijn we van mening dat [Y-X] "(wijlen belanghebbendes echtgenoot)" een belangrijke rol en bijdrage heeft gehad in de ontwikkeling van de [A-]organisatie.

[Y-X] heeft zowel in zijn rol voorafgaand aan de tijd dat hij filiaalmanager was en ook tijdens het dienstverband met [A] BV een grote betrokkenheid en inzet getoond.

Ten teken van onze dank hiervoor, hebben we besloten een bedrag ter grootte van ƒ 75.000,00 vrij te maken".

2.5. Belanghebbende heeft in haar aangifte de uitkering ad ƒ 66.117,- (zijnde de genoemde ƒ 75.000,- verminderd met een niet in geding zijnde onbelaste overlijdensuitkering ad ƒ 8.883,-) wel vermeld maar vervolgens aangemerkt als een onbelaste uitkering en derhalve niet opgenomen in het aangegeven belastbaar inkomen.

2.6. De Inspecteur is op dit punt van de aangifte afgeweken en heeft het aangegeven belastbaar inkomen verhoogd met ƒ 37.332,- zijnde de boven-genoemde ƒ 66.117,- verminderd met drie door de Inspecteur als onbelaste overlijdensuitkering aangemerkte maandsalarissen ad ƒ 28.785,-.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de door belanghebbende genoten uitkering (na vermindering van een vrijgestelde overlijdensuitkering) tot het belastbaar inkomen behoort, zoals de Inspecteur bepleit en belanghebbende bestrijdt.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3. De Inspecteur heeft daar ter zitting, zakelijk weergegeven, aan toegevoegd dat de uitkering naar zijn opvatting belast is als inkomsten uit arbeid, dan wel (deels) als nagekomen bedrijfsbaten.

3.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot één naar een belastbaar inkomen van ƒ 95.740,- overeenkomstig de aangifte.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Uit de bij 2.4. genoemde brief blijkt de intentie van [A] BV om tot de uitkering van 75.000 over te gaan. Uit de gekozen bewoordingen: "…zijn rol voorafgaand aan de tijd dat hij filiaalmanager was en ook tijdens het dienstverband" en: "…Ten teken van onze dank hiervoor" leidt het Hof af dat de eenmalige uitkering aan belanghebbende is toegekend zowel op grond van de verrichtingen van wijlen belanghebbendes echtgenoot voorafgaand aan de dienstbetrekking als op grond van zijn verrichtingen tijdens de dienstbetrekking.

4.2. De uitkering vindt daarmee zijn oorzaak in en staat in relatie tot (voor een gedeelte) de dienstbetrekking van wijlen belanghebbendes echtgenoot en (voor het restant) tot de daarvóór uitgeoefende onderneming van belanghebbende en wijlen haar echtgenoot.

4.3. De uitkering maakt dan ook, naar het oordeel van het Hof, onderdeel uit van belanghebbendes belastbaar inkomen respectievelijk als inkomsten uit arbeid dan wel als winst uit onderneming in de vorm van nagekomen ondernemingsbaten. De verdeling van de totale uitkering over beide componenten, zo die al te maken is, is verder voor het bepalen van de hoogte van het belastbaar inkomen niet van belang nu beide componenten -in welke onderlinge verhouding ook- onderdeel uitmaken van dat belastbaar inkomen.

4.4. De stelling van belanghebbende dat de uitkering in wezen een vergoeding is voor geleden immateriële schade als gevolg van de moeizame onderhandelingen tussen [A] BV enerzijds en belanghebbende en collega-stationsrestaurateurs anderzijds, en de voorts daaruit voortgevloeide grote psychische en emotionele druk als gevolg van de onstane onmin tussen wijlen belanghebbendes echtgenoot en zijn collega-stationsrestaurateurs, is door belanghebbende niet of onvoldoende aannemelijk gemaakt.

4.5. Het gelijk is derhalve aan de Inspecteur, het beroep wordt afgewezen.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan te Arnhem op 9 juli 2002 door mr. N.E. Haas, voorzitter, mr. drs. A.M. van Amsterdam en mr. J.A. Wolt, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Delnooz-Engels als griffier.

(J.H.M. Delnooz-Engels) (N.E. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 9 juli 2002

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroep-schrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt, is een griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.