Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE5560

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-06-2002
Datum publicatie
22-07-2002
Zaaknummer
01-01631
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-1505
V-N 2002/36.2.18

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

derde enkelvoudige belastingkamer

nummer 01/01631

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren [P]

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999

nummer : [01.H96]

mondelinge behandeling : met schriftelijke toestemming van partijen niet gehouden

gronden:

1. Artikel 64 eerste lid van de Wet Inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) luidt, voor zover hier van belang:

Een aanslag wordt niet vastgesteld en verrekening van voorheffingen blijft achterwege, tenzij:

a. de verschuldigde belasting de gezamenlijke voorheffingen met meer dan f 420 te boven gaat;

2. Onder de 'verschuldigde belasting' dient te worden verstaan, zoals de Hoge Raad heeft vastgesteld in zijn uitspraak van 24 september 1997 nr 32 251 (BNB 1997/358c) het in artikel 53a eerste lid van de Wet omschreven begrip. Alwaar de verschuldigde belasting wordt bepaald aan de hand van de in dit artikel opgenomen tabel. Voorts dient dit begrip 'belasting' in dit verband, overeenkomstig de uitspraak van Hof Amsterdam van 25 augustus 2000 nr 00 00013 (FED 2000/569) te worden gelezen als 'belasting en premie voor de volksverzekeringen gezamenlijk'.

3. De invorderingsvrijstelling van artikel 65 van de Wet ziet niet op een (nadere) vaststelling van deze belasting maar op een (gedeeltelijke) vrijstelling hiervan. Zodat deze vrijstelling eerst aan de orde komt na het al dan niet op basis van artikel 64 van de wet opleggen van een aanslag.

5. In casu bedraagt de door belanghebbende verschuldigde belasting en premie voor de volksverzekeringen na verrekening van de voorheffingen ƒ 921,- hetgeen meer is dan het in artikel 64 van de Wet genoemde bedrag van ƒ 420,- zodat de Inspecteur terecht een aanslag heeft opgelegd. Vervolgens past de Inspecteur, naar het Hof voorkomt op correcte wijze, de invorderingsvrijstelling toe waarna een nog te betalen bedrag ad ƒ 282,- (exclusief heffingsrente) resteert.

6. De stelling van belanghebbende dat uit het aanslagbiljet zonneklaar blijkt dat de invorderingsvrijstelling de in artikel 64 van de Wet genoemde verschuldigde belasting beïnvloedt waarna een nihil-aanslag zou moeten volgen, kan het Hof niet volgen. Niet alleen ontbreekt op het aanslagbiljet de term 'verschuldigde belasting' maar tevens zou -de gedachtegang van belanghebbende volgend- nihl-aanslag hebben moeten volgen terwijl de aanslag uitkomt op bovengenoemd nog te betalen bedrag van ƒ 282,-.

7. Weliswaar kan aan belanghebbende worden toegegeven dat de cijferopstelling op het aanslagbiljet wat verwarrend kan overkomen. Maar belanghebbende maakt niet aannemelijk dat zij uit deze cijferopstelling in redelijkheid het vertrouwen kon ontlenen dat de invorderingsvrijstelling de verschuldigde belasting beïnvloedt.

8. Tenslotte stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de invorderingsvrijstelling is strijd is met het gelijkheidsbeginsel, nu naar zij stelt gelijke gevallen (belastingplichtigen met een even hoog belastbaar inkomen) bewust verschillend worden behandeld (op basis van het criterium: al dan niet aan inhouding van loonbelasting onderworpen inkomsten).

9. Nu genoemde behandeling direct voortvloeit uit artikel 65 van de Wet begrijpt het Hof de stelling van belanghebbende aldus, dat zij zich beroept op een schending van het gelijkheidsbeginsel als een algemeen beginsel van behoorlijke wetgeving.

Nu er evenwel sprake is van ongelijke gevallen -inkomsten welke al dan niet aan inhouding van loonbelasting zijn onderworpen- en gesteld noch gebleken is dat de wetgeving tot een overduidelijke onevenredigheid leidt, leidt genoemde wetsbepaling niet tot een door artikel 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) verboden ongelijke behandeling.

slotsom:

Het beroep is ongegrond.

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

beslissing:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2002 door mr.drs. A.M.J.G. van Amsterdam, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G.J. van Well als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(M.C.G.J. van Well) (A.M.J.G. van Amsterdam)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 17 juni 2002

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.