Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE5558

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
05-06-2002
Datum publicatie
22-07-2002
Zaaknummer
00-01109
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1260
FutD 2002-1511
V-N 2002/36.2.13

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Achtste enkelvoudige belastingkamer

nummer 00/01109

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren [P] (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende de aan haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 met aanslagnummer [01.H86] een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 27.453.

1.2 Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad op 7 mei 2002 ter zitting van het Hof te Arnhem. Daar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende alsmede [de Inspecteur]. Belanghebbende heeft, zonder bezwaar van de Inspecteur, ter zitting een kopie van een samenlevingsovereenkomst overgelegd aan het Hof en de Inspecteur.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 Belanghebbende voerde in het jaar 1998 een gezamenlijke huishouding met [A] en hun drie kinderen. Sinds 1 februari 1996 zijn belanghebbende en [A] ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning aan de [a-straat 1 te Z]. Aan de gezamenlijke huishouding is per 20 januari 1999 een eind gekomen.

2.2 Ter financiering van de woning zijn belanghebbende en [A] een hypothecaire lening aangegaan. Beiden zijn voor de betaling van de rente en de aflossing hoofdelijk aansprakelijk. De rente over het bedrag van deze lening bedroeg voor het jaar 1998 ƒ 21.300.

2.3 Belanghebbende genoot in het onderhavige jaar een bedrag van ƒ 26.401 aan zuivere inkomsten uit arbeid. De inkomsten van [A] over 1998 waren aanzienlijk hoger. [A] heeft de verschuldigde rente over het bedrag van de hypothecaire lening betaald. Belanghebbende nam een deel van de uitgaven ten behoeve van de gewone gang van de huishouding voor haar rekening alsmede incidentele uitgaven voor het onderhoud van de woning. Belanghebbende en [A] beschikten niet over een gezamenlijke rekening.

2.4 Belanghebbende heeft in haar aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998 een bedrag van ƒ 10.650 aan hypotheekrente in aftrek gebracht.

2.5 De Inspecteur heeft de aftrek van hypotheekrente niet geaccepteerd.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende het bedrag aan hypotheekrente terecht in aftrek heeft gebracht.

3.2 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op een aftrek ter grootte van de helft van de betaalde hypotheekrente. Zij stelt dat de rente door stilzwijgende verrekening met [A] voor de helft op haar heeft gedrukt. De Inspecteur is van mening dat belanghebbende niets heeft betaald en derhalve geen recht heeft op enige aftrek van hypotheekrente.

3.3 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Daaraan is ter zitting nog het volgende toegevoegd:

3.3.1 Door belanghebbende

Belanghebbende verwijst, ter ondersteuning van haar standpunt, naar de uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 september 1983, gepubliceerd in BNB 1985/74.

Op grond van het samenlevingscontract wordt mijn huishoudelijke arbeid ook op geld gewaardeerd. Aldus word ik geacht voor de helft bij te dragen in de kosten.

Mijn inkomen en dat van [A] zijn in 1998 volledig besteed aan de gezamenlijke kosten van de huishouding, waaronder de kosten van de woning. Verrekening heeft tussen ons met gesloten beurzen plaatsgevonden.

Wij hebben nooit afgesproken dat we niet zouden verrekenen en evenmin dat [A] altijd de volledige aftrek van hypotheekrente zou claimen.

3.3.2 Namens de Inspecteur

Er was geen gezamenlijke rekening. [A] heeft de rente volledig betaald. De rente heeft op hem gedrukt. Ik kan niet beoordelen wat er is verrekend tussen belanghebbende en [A]. Als dat al het geval is geweest, is aftrek naar evenredigheid mogelijk.

3.4 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 16.787. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Belanghebbende heeft ter zitting de door haar en [A] op 24 februari 1989 gesloten samenlevingsovereenkomst (hierna: de overeenkomst) overgelegd. In artikel 1, onderdeel a, van de overeenkomst is opgenomen dat, tenzij anders wordt overeengekomen, de uitgaven ten behoeve van de gewone gang van de huishouding worden gedragen naar evenredigheid van ieders netto- inkomsten uit arbeid.

4.2 Voorts is in artikel 6, onderdelen a, b en c van de overeenkomst het volgende opgenomen (voor het geval van koop van een eigen woning):

6a. Ondergetekenden stellen vast dat de woning door hen gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft, is gekocht en dat zij aan de financiering daarvan ieder voor de helft hebben bijgedragen.

6b. Alle kosten en lasten van die woning komen voor rekening van ondergetekenden, ieder voor de helft, terwijl zij ook ieder voor de helft delen in de voor - of nadelige gevolgen van de waardeverandering.

6c. De hypothecaire lening die zij zijn aangegaan komt in beginsel ten laste van ieder van hen voor de helft. Voor deze lening zijn ondergetekenden hoofdelijk aansprakelijk. Indien zij in onderling overleg, mede gelet op hun inkomenspositie en mede in verband met de hoofdelijke aansprakelijkheid de rente niet gelijkelijk betalen, zal degene die meer dan de helft heeft betaald geen verhaal kunnen nemen op de ander, tenzij onmiddellijk bij de betaling schriftelijk iets anders zou zijn overeengekomen.

Voormelde bepalingen stemmen overeen met de werkelijke eigendoms- en schuldverhoudingen in de akte tot levering van de onroerende zaak [a-straat 1 te Z] van 1 februari 1996 en de hypotheekakte van 18 april 1996.

4.3 Gelet op het voorgaande en hetgeen belanghebbende overigens naar voren heeft gebracht acht het Hof aannemelijk dat de uitgaven ten behoeve van de gezamenlijke huishouding, alsmede de verschuldigde rente op de hypothecaire lening, door belanghebbende en [A] gezamenlijk zijn gedragen doordat tussen belanghebbende en [A] steeds stilzwijgende verrekening van de door beiden betaalde kosten heeft plaatsgevonden. Dat de hypothecaire rente feitelijk door [A] is betaald doet hieraan naar het oordeel van het Hof niet af.

4.4 Artikel 35, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) bepaalt, voor zover hier van belang, dat aftrekbare kosten zijn de op de inkomsten drukkende kosten voor zover zij zijn gemaakt tot verwerving, inning en behoud van die inkomsten. Artikel 38, eerste lid, van de Wet bepaalt dat aftrekbare kosten in aanmerking worden genomen op het tijdstip dat zij betaald of verrekend zijn, door de belastingplichtige ter beschikking zijn gesteld of rentedragend zijn geworden.

4.5 De hypotheekrente heeft naar het oordeel van het Hof door stilzwijgende verrekening naar evenredigheid op het inkomen van belanghebbende en [A] gedrukt. In zoverre dient die rente derhalve ten aanzien van belanghebbende te worden aangemerkt als aftrekbare kosten in de zin van artikel 35 van de Wet.

4.6 Belanghebbende heeft nog gesteld dat zij recht heeft op aftrek van de helft van de hypotheekrente omdat haar huishoudelijke arbeid op geld waardeerbaar is en die waarde, op grond van de samenlevingsovereenkomst, in de stilzwijgende verrekening is betrokken. Het Hof kan belanghebbende echter in die stelling niet volgen nu van daadwerkelijke inkomsten uit die arbeid, die in het belastbare inkomen van belanghebbende zouden moeten worden begrepen, geen sprake is geweest, en derhalve, in zoverre, evenmin van op belanghebbende drukkende uitgaven.

4.7 Gelet op het voorgaande komt belanghebbende voor het jaar 1998 een aftrek van de hypotheekrente naar rato van haar inkomen toe. In de brief met dagtekening 10 februari 2000 van de Belastingdienst gericht aan A] is dit bedrag gesteld op ƒ 4.731. Dit bedrag is door belanghebbende niet bestreden.

4.8 Dat de Inspecteur [A] in het jaar 1998 voor het volledige bedrag van ƒ 21.300 aftrek heeft verleend doet aan het voorgaande niet af.

4.9 Het Hof berekent het belastbare inkomen van belanghebbende nader als volgt:

volgens aangifte ƒ 16.787

minder hypotheekrente ƒ 5.919

hogere drempel giftenaftrek - 59 - 5.978 ƒ 22.765

5. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van haar beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. In overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de reis- en verblijfkosten van belanghebbende door het Hof begroot op € 15.

6. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van € 10.330 (ƒ 22.765);

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 27,23 (ƒ 60);

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 15, en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus gedaan te Arnhem op 5 juni 2002 door mr. J.P.M. Kooijmans, lid van de achtste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mw. mr. J.M. Sitsen als griffier.

De griffier, Het lid van voormelde kamer,

(J.M. Sitsen) (J.P.M. Kooijmans)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 20 juni 2002

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.