Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE5553

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
19-07-2002
Datum publicatie
19-07-2002
Zaaknummer
parketnr. 21-001389-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-001389-01

Uitspraak dd.: 19 juli 2002

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 5 juni 2001 in de strafzaak tegen

VERDACHTE,

geboren te X,

wonende te Y,

thans verblijvende in Z.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 27 juni 2002 en 5 juli 2002 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage IIa en voor de inhoud van de wijziging van de telastelegging bijlage IIb)

Indien in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat telastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 telastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

(zie voor de inhoud van de bewezenverklaring bijlage III)

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

medeplegen van moord.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

medeplegen van poging tot moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Psychische overmacht

De raadsman heeft op gronden als in de pleitnota verwoord betoogd dat er sprake is geweest van psychische overmacht.

Het hof verwerpt dit verweer. Aannemelijk is dat er voor verdachte en zijn vader tengevolge van het zogenaamde bosincident op 7 augustus 1999 een dreigende situatie is ontstaan. Vast staat dat er na dit incident op 8 augustus 1999 nog overleg is gevoerd tussen de vader van verdachte en het latere slachtoffer A. Verdachte was daarvan op de hoogte. Reeds op grond daarvan staat vast dat er weliswaar een bedreiging heeft plaatsgevonden, maar dat overleg over het betalen van een som geld nog mogelijk was. Op 7 augustus 1999 was de afspraak gemaakt tussen verdachte en zijn vader en A om in de avond van 9 augustus 1999 bijeen te komen in restaurant De Lucht. In de avond van 9 augustus 1999 zijn verdachte en zijn vader voorzien van vuurwapens naar restaurant De Lucht gegaan. Zij hebben toen onmiddellijk de confrontatie gezocht met de in het restaurant aanwezige A en B door met vuurwapens op hen te schieten. Niet aannemelijk is geworden dat op dat moment sprake was van een acuut gevaar voor het lijf en leven van verdachte, zijn vader en degenen die hen na staan. Verdachte en zijn vader hebben geen andere wegen beproefd dan schietend de confrontatie aan te gaan en ze hebben zelfs niet of nauwelijks overwogen of er andere wegen openstonden. Bij die andere wegen valt onder meer te denken aan het zoeken van contact met de politie of tijdelijk elders al dan niet vergezeld van degenen die hen na staan onderdak zoeken op een geheim adres. Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk geworden dat er voor verdachte sprake was van een onmiddellijke drang waaraan hij in redelijkheid geen weerstand kon of behoefde te bieden.

Voor zover de raadsman tevens heeft willen betogen dat de verdachte onder een psychische druk van zijn vader stond, overweegt het hof het volgende. Weliswaar is aannemelijk dat verdachte tot zijn vader in een min of meer afhankelijke verhouding heeft verkeerd, maar niet aannemelijk is geworden dat er van de kant van de vader daadwerkelijk druk is uitgeoefend om hem te vergezellen naar restaurant De Lucht in de avond van 9 augustus 1999. Ook hier is geen sprake van een onmiddellijke drang waaraan hij in redelijkheid geen weerstand kon of behoefde te bieden.

Ook overigens zijn geen omstandigheden gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte opheffen of uitsluiten.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting het volgende in het bijzonder in aanmerking genomen.

P. A.J. de Groot, psycholoog en T.A. Wouters, psychiater, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum, hebben op 7 februari 2001 rapport uitgebracht.

Dit rapport houdt onder meer het volgende in:

Ten tijde van het plegen van de telastegelegde feiten heeft verdachte weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan kunnen inzien, doch is in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat geweest zijn wil in vrijheid –overeenkomstig een dergelijk besef- te bepalen.

Ten tijde van het plegen van de hem telastegelegde feiten was verdachte lijdende aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, dat deze feiten –indien bewezen- hem slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Het hof neemt de hiervoor vermelde inhoud van het rapport en de daaraan verbonden conclusies over en maakt deze tot de zijne.

Verdachte en zijn vader zijn, nadat vader onderweg zijn wapen in een open veld had getest, zwaar bewapend en volgens plan een overvol restaurant (met 391 personen) binnengegaan, terwijl zij er vanuit konden gaan dat hun latere slachtoffers zich tussen de bezoekers van het restaurant bevonden. Toen zij binnenkwamen, zijn zij rechtstreeks naar het tafeltje toegelopen waar hun latere slachtoffers zich bevonden, heeft de vader van verdachte zijn wapen onder zijn jas vandaan gehaald en hebben verdachte en zijn vader, zonder directe aanleiding, het vuur geopend, de vader van verdachte zelfs met een automatisch vuurwapen. Niet alleen zijn daardoor de beide slachtoffers geraakt, maar bovendien is grote paniek en angst ontstaan voor de andere aanwezigen in het restaurant.

Het directe gevolg van de schietpartij is dat A is gedood en B zwaargewond is geraakt. Daar komt bij dat honderden andere mensen tijdens de schietpartij een groot risico hebben gelopen en een uitermate traumatische ervaring hebben ondergaan.

Tenslotte overweegt het hof nog dat de indruk bestaat dat verdachte en zijn vader in het kader van het onderzoek geen volledige openheid van zaken hebben gegeven omtrent hetgeen de aanleiding is geweest voor een hervatting van het contact tussen verdachte en A. In het bijzonder acht het hof de lezing van verdachte omtrent de eerste ontmoeting tussen hem en A waarbij een afspraak voor de vader van verdachte is gemaakt weinig aannemelijk.

Dit brengt mee dat de versie van de gebeurtenissen van verdachte en zijn zoon waarin zij zich in zekere mate als slachtoffers van afpersing presenteren met behoedzaamheid wordt beschouwd.

In de hierboven vermelde feiten en omstandigheden ziet het hof aanleiding tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Het hof heeft bij het bepalen van die duur er rekening mee gehouden dat het initiatief tot de schietpartij op 9 augustus 1999 in belangrijke mate genomen is door de vader van verdachte.

Het na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, met betrekking tot hetwelk het telastegelegde en bewezenverklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De vordering van de benadeelde partij erven A

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van f. 22.500,-- (thans € 10.210.05) ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd tot een totaalbedrag van f. 20.520,54 (thans € 9.311,82).

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot het thans gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering toewijsbaar is.

Namens verdachte is tegen de vordering van de erven A aangevoerd dat deze vordering te ingewikkeld is, er sprake is van medeschuld en van een reconventionele vordering ter zake van het zogenaamde bosincident.

Het verweer dat de vordering te ingewikkeld is, wordt gepasseerd, omdat de vordering betrekking heeft op –in hoger beroep- deugdelijk gespecificeerde en gedocumenteerde kosten van ambulancevervoer en lijkbezorging, alsmede van notariskosten. Van medeschuld of beter eigen schuld aan de kant van A is volgens vaste jurisprudentie geen sprake omdat de onderhavige schade door verdachte en zijn mededader opzettelijk is veroorzaakt (Asser-Hartkamp 4-1 nr. 452). Het enkele noemen van een reconventionele vordering ter zake van een incident op een andere plaats en tijd maakt de vordering van de erven A niet ingewikkeld.

De vordering van de benadeelde partij B

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van f. 63.664,-- (thans € 28.889,46) ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het volle bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot een bedrag van € 18.452,52.

Dit bedrag is als volgt gespecificeerd:

4 maanden inkomstenderving € 5.338,27

kleding 181,51

haptonoom 1.588,23

smartengeld 9.075,60

kosten raadsman 2.268,90

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in zijn vordering niet worden ontvangen en kan hij zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Namens verdachte is tegen de vordering van B aangevoerd dat deze vordering te ingewikkeld is, er sprake is van medeschuld en van een reconventionele vordering ter zake van het zogenaamde bosincident.

Het verweer dat de vordering te ingewikkeld is, wordt deels gepasseerd, nu de vordering voor een deel bestaat uit deugdelijk gespecificeerde en gedocumenteerde kosten. Van medeschuld of beter eigen schuld aan de kant van B is volgens vaste jurisprudentie geen sprake omdat de onderhavige schade door verdachte en zijn mededader opzettelijk is veroorzaakt (Asser-Hartkamp 4-1 nr. 452). Het enkele noemen van een reconventionele vordering ter zake van een incident op een andere plaats en tijd maakt de vordering van B niet ingewikkeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36b, 36c, 36f, 45, 47, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 telastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: revolver Smith & Wesson .38.

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij erven A, te betalen een bedrag van € 9.311,82 (negenduizenddriehonderdelf euro en tweeëntachtig cent) met dien verstande dat indien en voorzover zijn mededader betaalt verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Verwijst verdachte in de op de vordering gevallen kosten en bepaalt deze, voorzover tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij gevallen, op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de staat, ten behoeve van de erven A een bedrag te betalen van € 4.655,91 (vierduizendzeshonderdvijfenvijftig euro en eenennegentig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis met dien verstande dat indien en voorzover zijn mededader meer dan € 4.655,91 betaalt verdachte inzoverre van deze verplichting is bevrijd.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat inzoverre komt te vervallen.

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij B, te betalen een bedrag van € 16.186,62 (zestienduizendhonderdzesentachtig euro en twee en zestig cent) met dien verstande dat indien en voorzover zijn mededader betaalt verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Verwijst verdachte in de op de vordering gevallen kosten en bepaalt deze, voorzover tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij gevallen, op € 2.265,90.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de staat, ten behoeve van B een bedrag te betalen van € 8.093,31 (achtduizenddrieënnegentig euro en eenendertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis met dien verstande dat indien en voorzover zijn mededader meer dan € 8.093,31 betaalt verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Verklaart de benadeelde partij B in zijn vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij in zoverre zijn vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door

mr. Vegter, voorzitter,

mrs. Van Houten en Ruys, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. Van Hoorn, griffier,

en op 19 juli 2002 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

zie ook LJN: AE7815