Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE5289

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-06-2002
Datum publicatie
15-07-2002
Zaaknummer
01-01570
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1079
V-N 2002/36.2.12

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste enkelvoudige belastingkamer

nummer 01/01570

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren [P]

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998

nummer : [01.H86]

mondelinge behandeling : met schriftelijke toestemming van partijen niet gehouden

gronden:

1. Belanghebbende, geboren op 1 juli 1944 en gehuwd met [Y], woont te [Z]. Hij heeft in zijn aangifte IB/PV 1998 onder andere een bedrag van f 3.097 als kosten van een werkruimte voor vermogensbeheer als aftrekpost opgevoerd.

2. De Inspecteur heef deze aftrek bij de aanslagregeling geweigerd. Bij uitspraak op bezwaar heeft hij de aanslag gehandhaafd.

3. In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur de genoemde aftrek terecht heeft geweigerd.

4. Belanghebbende bezit een effectenportefeuille (24 fondsen) waarvan de waarde op 1 januari 1998 f 534.288 en op 1 januari 1999 f 808.853 bedroeg. Hij genoot in het onderhavige jaar f 3.115 aan dividend waarop Nederlandse dividendbelasting is ingehouden en f 1.600 aan buitenlandse dividenden waarop f 374 aan aftrekbare kosten in mindering zijn gebracht. De genoten rente uit obligaties bedroeg f 10.806.

Het banktegoed van belanghebbende bedroeg op 1 januari 1998 f 196.539 en op 1 januari 1999 f 18.088. Hij genoot in het onderhavige jaar f 4.109 aan rente.

5. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat zijn woning bestaat uit een woonkamer, keuken met bijkeuken, een garage, vier slaapkamers waarvan er drie worden gebruikt door zijn twee kinderen en een door hem en zijn echtgenote en één kamer die door hem is bestemd voor het beheer van zijn aandelenportefeuille. In laatstgenoemde kamer staat een boekenkast, een kast met papier en ordners alsmede een bureau met computer en telefoon.

6. De onderhavige beheerwerkzaamheden die belanghebbende dagelijks in de werkkamer verrichtte, bestonden uit selectie, opdrachten tot aan- en verkoop van aandelen en obligaties, het beheer van lijfrenten die in aandelen en obligaties zijn belegd en het uitvoeren van administraties. Gemiddeld was hij daar circa een à anderhalf uur per dag mee bezig.

7. In het arrest van 22 maart 2000 (BNB 2000/180) heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat uit de algemene regel van artikel 35 van de Wet voortvloeit dat indien een belastingplichtige in redelijkheid heeft kunnen besluiten een werkkamer in zijn woning uitsluitend of nagenoeg uitsluitend te gebruiken voor vermogensbeheer, zodat deze aan het persoonlijke leven van die belastingplichtige en zijn gezin is onttrokken, de aan het gebruik van de kamer verbonden kosten als kosten die drukken op vermogensinkomsten tot de aftrekbare kosten behoren (r.o. 3.4.).

8. Uit de aard en omvang van de door belanghebbende in zijn werkkamer verrichte werkzaamheden en de omvang en samenstelling van zijn beleggingen - in zijn geval vrijwel geheel bestaande uit een effectenportefeuille - maakt het Hof op dat belanghebbende de meeste tijd in zijn werkkamer heeft besteed aan studie/onderzoek naar de mogelijkheid met het vermogen zelf, koerswinsten te behalen (waaronder het vermijden van koersverliezen) en slechts weinig tijd in zijn werkkamer heeft doorgebracht ten behoeve van de (relatief lage) inkomsten uit effecten.

Immers die inkomsten vloeien als het ware automatisch uit de bron voort en zullen doorgaans alleen te hoeven worden bijgehouden/geadministreerd. Het tegendeel heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende de werkkamer derhalve niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gebruikt ter verwerving van inkomsten uit vermogen. De Inspecteur heeft derhalve terecht geen aftrek toegestaan.

9. Aan het vorenoverwogene doet niet af, de door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat de inspecteur belanghebbendes aangifte inkomstenbelasting over het jaar 1999 waarin een vergelijkbare post aan aftrek werd opgevoerd, heeft gevolgd.

Voorts is van andere omstandigheden in vorige jaren welke op een bewuste standpuntbepaling van de Inspecteur zouden wijzen waaraan belanghebbende een in rechte te honoreren vertrouwen zou kunnen ontlenen, niet gebleken. Belanghebbendes beroep op het vertouwensbeginsel faalt derhalve.

slotsom:

Het beroep is ongegrond.

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

beslissing:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2002 door mr. M.C.M. de Kroon, lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(J.L.M. Egberts) (M.C.M. de Kroon)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 10 juni 2002

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.