Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE4998

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-06-2002
Datum publicatie
22-07-2002
Zaaknummer
00/604
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AO3852
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2004:AO3852
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2002, 137

Uitspraak

18 juni 2002

tweede civiele kamer

rolnummer 2000/604

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Internationaal transport- en expeditiebedrijf [naam appellante],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

procureur: mr. J.C.N.B. Kaal,

tegen:

1. de naamloze vennootschap N.V. Interpolis schade,

gevestigd te Tilburg,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam geïntimeerde sub 2]

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. de vennootschap naar vreemd recht [naam geïntimeerde sub 3],

gevestigd te [vestigingsplaats], Italië,

geïntimeerden,

procureur voor geïntimeerden nrs. 1 en 2: mr. J.M. Bosnak,

geïntimeerde nr. 3 is niet verschenen.

1 De procedure in eerste aanleg

De arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft op 25 november 1999 een vonnis gewezen tussen appellante (verder te noemen: [appellante]) als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en geïntimeerden (geïntimeerden nrs. 1 en 2 verder te noemen: Interpolis en [geïntimeerde sub 2]) als gedaagden in conventie, eisers in reconventie. Van het vonnis is afschrift aan dit arrest gehecht. Naar dit vonnis wordt verwezen voor de procesgang in eerste aanleg, de in die instantie genomen beslissing en de gronden daarvoor.

2 De procedure in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 25 februari 2000 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 25 november 1999 met dagvaarding van geïntimeerden voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] tegen het vonnis drie grieven aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden en heeft zij drie producties in het geding gebracht, met conclusie dat het hof dat vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog bij arrest de vordering van [appellante] zal toewijzen zoals gevorderd en Interpolis en [geïntimeerde sub 2] niet-ontvankelijk zal verklaren in hun reconventionele vordering, althans deze vordering zal afwijzen, met veroordeling van Interpolis en [geïntimeerde sub 2] in de kosten van het geding in conventie en in reconventie in beide instanties.

2.3 Interpolis en [geïntimeerde sub 2] hebben bij memorie van antwoord verweer gevoerd, bewijs aangeboden, elf producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [appellante] in haar beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans dit als ongegrond af zal wijzen en het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Geïntimeerde nr. 3 is in hoger beroep niet verschenen.

2.5 [appellante] heeft een akte genomen, waarin zij onder meer bewijs heeft aangeboden. Interpolis en [geïntimeerde sub 2] hebben bij antwoordakte gereageerd.

2.6 Hierna hebben partijen de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in haar vonnis onder 1.1 - 1.4 een vaststelling van feiten gegeven waartegen geen grieven zijn gericht of bezwaren zijn geuit. Gelet hierop zal ook het hof van die feiten uitgaan.

4 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 Het gaat in deze procedure, summier weergegeven, om het volgende. [geïntimeerde sub 2] heeft aan [appellante] opdracht gegeven een lading textiel naar geïntimeerde nr. 3 in Italië te vervoeren. De chauffeur van [appellante], [naam chauffeur], is 's nachts op een parkeerplaats langs de A1/E35, tussen Florence en Bologna, ter hoogte van Orte -waar hij de nacht doorbracht- overvallen en met zijn vrachtauto naar elders vervoerd, alwaar hij van de lading textiel is beroofd. Interpolis, bij wie de lading tegen onder meer diefstal was verzekerd, heeft aan [geïntimeerde sub 2] de factuurwaarde van die lading uitbetaald. Partijen verschillen van mening over de vraag of sprake is van omstandigheden die [appellante] niet heeft kunnen vermijden en waarvan hij de gevolgen niet heeft kunnen verhinderen in de zin van artikel 17 lid 2 CMR. Voorts is in geschil de vraag of de vordering van Interpolis en/of [geïntimeerde sub 2] tot betaling van schadevergoeding is verjaard in verband met het bepaalde in art. 32 lid 1 CMR. Voor zowel de verjaringstermijn als voor de vraag of [geïntimeerde sub 2] een beroep toekomt op de limitering van de schadevergoeding als bedoeld in art. 23 lid 3 CMR is van belang of sprake is geweest van opzet of van naar Nederlands recht met opzet gelijk te stellen schuld van [naam chauffeur] (art. 32 lid 1, tweede zin respectievelijk art. 29 CMR).

4.2 Het hof ziet aanleiding de in de slotzin van de vorige overweging weergegeven vraag als eerste te behandelen. Uit de arresten van de HR van 5 januari 2001, NJ 2001, 391 en 392 en van 22 februari 2002, RvdW 2002, 47, vloeit voort dat naar Nederlands recht onder met opzet gelijk te stellen schuld dient te worden verstaan een handeling die of een nalaten dat dient te worden aangemerkt als roekeloos en met de wetenschap dat de schade er waarschijnlijk uit zal voortvloeien. Van dit laatste is volgens genoemde arresten sprake indien degene die zich aldus gedraagt het aan de gedraging verbonden gevaar kent en zich ervan bewust is dat de kans dat het gevaar zich zal verwezenlijken aanzienlijk groter is dan de kans dat dit niet zal gebeuren, maar zich door dit een en ander niet van dat gedrag laat weerhouden.

4.3 Naar de in de vorige overweging weergegeven maatstaf gemeten komt het hof tot het oordeel dat van opzet of van met aan opzet gelijk te stellen schuld van (de chauffeur van) [appellante] geen sprake is geweest. Dat van daadwerkelijke opzet sprake is geweest is door Interpolis en [geïntimeerde sub 2] niet gesteld. Wat betreft de vraag of sprake is geweest van met opzet gelijk te stellen schuld overweegt het hof het volgende. Als vaststaand kan wel worden aangenomen dat de chauffeur [naam chauffeur] zich ervan bewust was, dat in Italië in algemene zin een verhoogde kans op berovingen als de onderhavige bestond. [appellante] heeft echter gesteld, dat de parkeerplaats van Orte bij haar werknemer [naam chauffeur] bekend was en dat deze parkeerplaats in het algemeen bekend stond als veilig; [appellante] heeft daarbij nog gesteld dat, voor zover [naam chauffeur] wist, tot de bewuste nacht geen diefstallen en/of overvallen op dat terrein hadden plaatsgevonden, dat hij in Bologna bij een chauffeur en telefonisch bij een collega die regelmatig vervoer naar Italië verrichtte heeft geïnformeerd naar de parkeerlocatie te Orte en dat [naam chauffeur] van beide zijden te horen heeft gekregen dat deze plek de meest veilige plaats was om de combinatie te stallen (toelichting grief I). Aldus heeft [appellante] gemotiveerd gesteld dat haar werknemer geen reden had om bij het parkeren te Orte de kans op schade als de onderhavige aanzienlijk groter te achten dan de kans dat deze achterwege zou blijven. Interpolis en [geïntimeerde sub 2] hebben onvoldoende feiten dan wel onvoldoende onderbouwde feiten gesteld die in een andere richting wijzen. Weliswaar hebben zij bij gebrek aan wetenschap betwist dat de parkeerplaats bij Orte bekend stond als veilig (memorie van antwoord, nr. 15), maar van hen kon worden gevergd dat zij hun betwisting met feitelijke gegevens omtrent eerder gebleken onveiligheid, die vanuit hun standpunt bezien voorhanden zouden moeten zijn, zouden onderbouwen. De enkele vermelding dat (door het voorval in geschil) anders is gebleken dan [appellante] stelt, volstaat in dit verband niet.

4.4 Hetgeen over en weer omtrent de situatie ter plekke is gesteld geeft geen aanleiding tot een ander oordeel. [appellante] heeft gesteld dat het terrein door lichtmasten verlicht was, hetgeen wordt bevestigd door het rapport van de expert Crawford-THG (productie bij conclusie van dupliek/repliek, blz. 6). De lichtmasten zijn ook op de overgelegde foto's te zien. Interpolis en [geïntimeerde sub 2] betwisten dat het terrein verlicht was, maar aan die betwisting wordt voorbijgegaan nu deze slechts op een veronderstelling is gegrond. Uit genoemd rapport volgt bovendien dat [naam chauffeur] zijn vrachtwagen in het zicht van het restaurant had geparkeerd, dat veel vrachtwagens op het terrein konden worden geparkeerd, dat het terrein direct aan de snelweg was gelegen en dat sprake was van een druk verkeer ter plekke. Ook indien in de bewuste nacht op het terrein niet 100 vrachtauto's geparkeerd stonden (zoals [appellante] stelt), maar "zeker 40" (zoals Interpolis en [geïntimeerde sub 2] onder verwijzing naar het rapport van de expert stellen), dan nog lijkt eerder sprake van een locatie die op het eerste oog als redelijk veilig kon worden beschouwd dan van een locatie die riskant moest ogen. Daaraan doet niet af dat het terrein niet was bewaakt, vrij toegankelijk was en mogelijkerwijze niet was omheind.

4.5 De omstandigheid dat op de vrachtbrief vermeld stond dat bij overnachting in Italië verplicht op een bewaakte parkeerplaats diende te worden overnacht maakt het voorgaande niet anders. Weliswaar wordt met deze instructie benadrukt dat de situatie in Italië gevaarlijk was, maar het veronachtzamen van die instructie brengt nog niet mee dat [naam chauffeur], in de omstandigheden van dit geval zoals hierboven omschreven, ervan uit moet zijn gegaan dat op déze onbewaakte plek de kans van een overval aanzienlijk groter zou zijn dan de kans dat zo'n overval achterwege zou blijven. Daar komt nog bij, dat [appellante] heeft gesteld dat [naam chauffeur] bij een stop in Noord-Italië heeft geïnformeerd naar plaatsen waar hij bewaakt kon parkeren en overnachten, dat hij in ieder geval moest doorrijden tot Orte om de lading tijdig op de plaats van bestemming te kunnen afleveren en dat het enige bewaakte alternatief een terrein in Rome was, welk terrein als onveilig bekend stond en waarvan hij derhalve bewust heeft afgezien. Ook hier hebben Interpolis en [geïntimeerde sub 2] een gemotiveerde betwisting -zij hadden andere bewaakte terreinen kunnen noemen of hadden positievere gegevens over het terrein te Rome kunnen verschaffen- achterwege gelaten.

4.6 Het hof merkt bij een en ander op dat op Interpolis en [geïntimeerde sub 2] ter zake van de met opzet gelijk te stellen schuld van (de werknemer van) [appellante] de stelplicht en bewijslast rust. Nu Interpolis en [geïntimeerde sub 2] geen voldoende concrete feiten hebben gesteld die, indien bewezen, kunnen leiden tot het oordeel dat [naam chauffeur] een met opzet gelijk te stellen schuld in de onder 4.2 bedoelde zin kan worden verweten, is er geen plaats voor een bewijsopdracht op dit punt. Het bewijsaanbod van Interpolis en [geïntimeerde sub 2] wordt dan ook in zoverre gepasseerd.

4.7 Het hof is er bij het voorgaande van uitgegaan dat in art. 32 lid 1 CMR -evenals in art. 29 lid 2 CMR- opzet van [naam chauffeur] met die van [appellante] dient te worden gelijkgesteld. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is dan in het onderhavige geval op de vordering van Interpolis en/of [geïntimeerde sub 2] een verjaringstermijn van één jaar van toepassing. De laatste namens Interpolis en/of [geïntimeerde sub 2] aan (de schadeverzekeraar van) [appellante] gezonden brief waarop Interpolis en [geïntimeerde sub 2] zich hebben beroepen -daargelaten hoe deze dient te worden opgevat- is gedagtekend 15 oktober 1997 en het hof gaat ervan uit dat deze op zijn laatst enkele dagen later door [appellante] is ontvangen. De vordering in reconventie van 29 oktober 1998 is dan in ieder geval meer dan een jaar na ontvangst van die brief ingesteld.

4.8 Interpolis en [geïntimeerde sub 2] hebben erop gewezen dat, ingevolge de bijzondere regeling van art. 32 lid 2 CMR, hun brieven van 14 mei, 20 mei en 20 juni 1997 de verjaring hebben geschorst en dat die schorsing slechts kon worden beëindigd door een schriftelijke afwijzing van hun vordering door [appellante], gepaard gaande met terugzending van de bij hun brieven gevoegde stukken. Interpolis en [geïntimeerde sub 2] wijzen erop dat weliswaar namens [appellante] aansprakelijkheid is afgewezen, maar dat daarbij de bij de brief van 20 juni 1997 gevoegde stukken niet zijn teruggezonden. Uit die brief van 20 juni 1997 blijkt echter duidelijk dat sprake is geweest van aan [appellante] toegezonden fotokopieën. De kennelijke bedoeling van de terugzendingsverplichting van art. 32 lid 2 CMR is, dat degene die de vordering pretendeert weer dient te kunnen beschikken over de stukken die hij ter onderbouwing van zijn vordering aan zijn wederpartij heeft gezonden. Het zou in zo'n geval onaanvaardbaar zijn, indien de wederpartij het indienen van de vordering zou kunnen vertragen -en daarmee het verstrijken van een korte verjaringstermijn als de onderhavige zou kunnen bevorderen- door de stukken achter te houden. Het ligt dan voor de hand dat de schorsing van de verjaringstermijn eerst eindigt wanneer die stukken weer aan de rechthebbende ter hand zijn gesteld. Gelet op deze achtergrond kan echter van zo'n terugzendplicht in redelijkheid slechts sprake zijn indien en voor zover de originele stukken aan de wederpartij zijn toegezonden. Het hof overweegt hierbij dat het CMR-verdrag dateert van 1956, in een tijd dat het beschikken over kopieerapparatuur aanzienlijk minder gangbaar was dan thans, terwijl het verdrag bovendien voor toepassing in meerdere landen bestemd was. Dit maakt het ook alleszins aannemelijk dat men bij het opstellen van het voorschrift het oog heeft gehad op originele stukken. Een en ander in aanmerking nemend is het hof van oordeel, dat de schorsing van de verjaring in ieder geval is geëindigd toen de brief van 26 juni 1997 houdende definitieve afwijzing van de vordering namens [appellante] op 30 juni 1997 door de vertegenwoordiger van Interpolis en [geïntimeerde sub 2] is ontvangen (zie productie 7 bij memorie van antwoord). De daarop volgende correspondentie over een minnelijke afdoening brengt niet mee dat de verjaring opnieuw is geschorst in de zin van art. 32 lid 2 CMR, nu daaruit niet blijkt van een wijziging in de eerder ingenomen principiële standpunten. Voor zover die correspondentie heeft geleid tot stuiting van de verjaring (in verband met art. 32 lid 3 CMR te beoordelen naar Nederlands recht), is de verjaringstermijn op zijn laatst aangevangen enkele dagen na na de laatste brief van Interpolis en [geïntimeerde sub 2] 15 oktober 1997 (zie de vorige rechtsoverweging van dit arrest).

4.9 Interpolis en [geïntimeerde sub 2] hebben gesteld dat volgens art. 3:316 BW de verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door het instellen van een eis en dat niet (slechts) de eis in reconventie, maar (ook) de inleidende dagvaarding als eis in de zin van dit wetsartikel dient te worden beschouwd. Het hof verwerpt deze stelling. Art. 3:316 BW bepaalt, dat de verjaring van een rechts vordering wordt gestuit door "het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde (…)" (cursivering hof). Hieruit blijkt reeds, dat de wetgever het oog heeft gehad op een eis van de zijde van de gerechtigde, zijnde in dit geval Interpolis en/of [geïntimeerde sub 2]. Ook de parlementaire geschiedenis van deze wetsbepaling (Parl. gesch. Boek 3, blz. 932 e.v.) gaat hiervan uit. In het onderhavige geval is het temeer vanzelfsprekend om ervan uit te gaan dat de inleidende dagvaarding geen stuitende werking heeft gehad, nu [appellante] zich daarin uitdrukkelijk op het standpunt heeft gesteld dat -en ook een verklaring voor recht heeft gevorderd dat- zij niet aansprakelijk is, waarmee zij andermaal nadrukkelijk jegens Interpolis en [geïntimeerde sub 2] kenbaar maakte dat zij het door hen gepretendeerde recht tegensprak.

4.10 Het hof verwerpt ook het betoog van Interpolis en [geïntimeerde sub 2] dat het beroep van [appellante] op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Interpolis en [geïntimeerde sub 2] stellen daartoe kennelijk dat [appellante] door het late tijdstip van indienen van de conclusie van eis bewust het tijdig indienen van een eis in reconventie zou hebben gefrustreerd (memorie van antwoord, nr. 30). [appellante] heeft dit gemotiveerd betwist. Zelfs indien van bewuste vertraging aan haar zijde sprake zou zijn, hadden Interpolis en [geïntimeerde sub 2] alle gelegenheid tijdig een zelfstandige procedure tegen [appellante] aan te vangen, nog daargelaten dat zij ook andere mogelijkheden hadden om de verjaring te stuiten (zoals beslaglegging of een schriftelijke aanmaning in de zin van art. 3:317 BW) en dat zij processueel hadden kunnen optreden teneinde het indienen van de conclusie van eis door [appellante] te bespoedigen. Dat zij een en ander achterwege hebben gelaten komt voor hun risico. Het hof wijst er andermaal op, dat [appellante] in haar dagvaarding het standpunt van Interpolis en [geïntimeerde sub 2] nadrukkelijk heeft tegengesproken, zodat het voor laatstgenoemden zonder meer kenbaar was welk standpunt zij innam. In ieder geval acht het hof in dit geval geen omstandigheden van dusdanig uitzonderlijke aard aanwezig, dat in verband hiermee het beroep van [appellante] op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De stelling van Interpolis en [geïntimeerde sub 2] dat [appellante] "geen in rechte te respecteren belang" bij haar beroep op verjaring zou hebben is niet begrijpelijk en in ieder geval niet juist, nu uit de inleidende dagvaarding volgt dat [appellante] belang had bij een uitspraak dat zij niet aansprakelijk was. Een uitspraak waarin haar beroep op verjaring wordt gehonoreerd, beantwoordt alleszins aan dit belang.

4.11 Uit het voorgaande volgt dat de grieven II en III gegrond zijn en dat grief I, die betrekking heeft op de vraag of [appellante] zich kan beroepen op omstandigheden als bedoeld in art. 17 lid 2 (slot) CMR, geen bespreking behoeft. Het bewijsaanbod van Interpolis en [geïntimeerde sub 2] is hierboven onder 4.6 reeds gedeeltelijk gepasseerd. Voor het overige hebben Interpolis en [geïntimeerde sub 2] geen feiten gesteld die, indien bewezen, voor de beslissing van belang zijn. Hun bewijsaanbod wordt dus ook voor het overige gepasseerd.

4.12 Een en ander leidt tot de slotsom dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. De vordering in conventie zal alsnog worden toegewezen en Interpolis en [geïntimeerde sub 2] zullen alsnog in hun vordering in reconventie niet-ontvankelijk worden verklaard. Interpolis en [geïntimeerde sub 2] (en [geïntimeerde sub 3] in de procedure in conventie in eerste aanleg) zullen worden veroordeeld in de kosten van de procedure in beide instanties.

5 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep, in conventie en in reconventie,

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank te Arnhem van 25 november 1999, waarvan beroep, zowel in conventie als in reconventie en, opnieuw rechtdoende:

in conventie:

verklaart voor recht, dat [appellante] noch jegens Interpolis, noch jegens [geïntimeerde sub 2], noch jegens [geïntimeerde sub 3] (meer) aansprakelijk is voor de schade als gevolg van diefstal van (haar vrachtwagencombinatie met daarin) de voor [geïntimeerde sub 3] bestemde zending textiel tijdens transport van Voorthuizen naar Napels op 14 mei 1997;

veroordeelt Interpolis, [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] in de kosten van de procedure in eerste aanleg, aan de zijde van [appellante] begroot op EUR 167,90 wegens griffierecht, EUR 183,30 wegens explootkosten en EUR 1.542,85 wegens salaris;

in reconventie:

verklaart Interpolis en [geïntimeerde sub 2] niet-ontvankelijk in hun vordering;

veroordeelt Interpolis en [geïntimeerde sub 2] in de kosten van de procedure in eerste aanleg, aan de zijde van [appellante] begroot op EUR 771,43 wegens salaris;

veroordeelt Interpolis en [geïntimeerde sub 2] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op EUR 215,55 wegens griffierecht, EUR 117,23 wegens explootkosten en EUR 2.110,08 wegens salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. Heisterkamp, Tjittes en Olthof en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2002.