Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE4993

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-07-2002
Datum publicatie
09-07-2002
Zaaknummer
01/1050
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
IER 2002, 48
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 juli 2002

eerste civiele kamer

rolnummer 2001/1050

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. A.F. van Dam,

tegen:

de gemeente Zwolle,

zetelende te Zwolle,

geïntimeerde,

procureur: mr. J.C.N.B. Kaal.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg wordt verwezen naar de door de rechtbank te Zwolle tussen partijen in versneld regime gewezen vonnissen van 26 september 2001 en 21 november 2001. Een fotokopie van die vonnissen is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 7 december 2001 heeft appellant (hierna te noemen: [appellant]) hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis van 21 november 2001 met dagvaarding van geïntimeerde (hierna te noemen: de gemeente) voor dit hof. In dit exploot heeft [appellant] vier grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis en aangekondigd te zullen concluderen dat het hof dit vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, primair de gemeente zal verbieden over te gaan tot sloop van het Wavin-gebouw te Zwolle, zulks op straffe van verbeurte van een boete van f 5.000.000,=, subsidiair te verklaren voor recht dat [appellant] – als maker van het Wavin-gebouw – op grond van de Auteurswet met betrekking tot het Wavin-gebouw zich kan verzetten tegen de sloop van het Wavin-gebouw en voorzover de sloop niet kan worden teruggenomen de gemeente zal veroordelen tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en voorts de gemeente zal veroordelen in de kosten van beide instanties.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] geconcludeerd overeenkomstig het gestelde in voormeld exploot.

2.3 De gemeente heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd, producties overgelegd en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, zo nodig onder verbetering of aanvulling der gronden, zulks met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties (lees: het hoger beroep).

2.4 Ter terechtzitting van het hof van 8 april 2002 hebben partijen de zaak doen bepleiten, waarbij namens [appellant] het woord is gevoerd door mr. P. Tuinman, advocaat te Leeuwarden, en namens de gemeente door mr. O.J. Ingwersen, advocaat te Apeldoorn, overeenkomstig door hen overgelegde pleitnota's.

2.5 Vervolgens zijn de procesdossiers overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

a) [appellant] heeft als architect omstreeks 1967 een kantoorgebouw ontworpen voor N.V. Wavin te Zwolle. Het gebouw (hierna te noemen: het Wavin-gebouw) ligt aan het water in een openbare groenstrook in de wijk Holtenbroek te Zwolle. Het Wavin-gebouw neemt door zijn ontwerp en ligging een markante plaats in.

b) Het Wavin-gebouw is, nadat N.V. Wavin het kantoorgebouw had verkocht aan het Deltioncollege, vervolgens gebruikt als schoolgebouw. Daarna heeft de gemeente het Wavin-gebouw gekocht van het Deltioncollege.

c) In januari 1999 heeft, op verzoek van de gemeente naar aanleiding van haar stedenbouwkundige visie om de wijk Holtenbroek te verbeteren, het Architectenbureau Verheijen/Verkooren/De Haan de stedenbouwkundige hoofdlijnen opgesteld voor het project “Herstructurering Voorzieningen Holten-broek”. Dit plan omvat een vernieuwd winkelcentrum, een multifunctioneel wijkcentrum en een zorgcomplex op de Wavin-locatie. Volgens dit rapport zou het terrein van en rond het Wavin-gebouw, in verband met de nabijheid van het beoogde nieuwe winkelcentrum en wijkcentrum, de nieuwe bestemming krijgen van een zorgcomplex met ouderenappartementen. Daarbij werd gedacht aan sloop van het Wavin-gebouw.

d) In februari 1999 heeft, eveneens op verzoek van de gemeente, Het Oversticht een advies uitgebracht over de monumentale waarden van het Wavin-gebouw. In dit advies is gesteld dat het Wavin-gebouw een zorgvuldig op een modulair systeem ontworpen kantoorgebouw uit 1967 is en representatief is voor de late jaren-1960 en voor het oeuvre van architect [appellant] alsmede dat dit kantoorgebouw in de na-oorlogse bouwkunst van Zwolle tot de beste voorbeelden behoort.

Het advies bevat onder meer de volgende aanbevelingen:

- het Wavin-gebouw verdient een plaats in een nieuwe invulling van het gebied; daarom zou onderzocht moeten worden hoe het gebouw in plaats van te amoveren kan passen binnen de voorgenomen herstructurering;

- indien behoud mogelijk is, verdient het pand de status van gemeentelijk monument, maar alleen dan wanneer de originele kleur en raamdetaillering teruggebracht worden;

- indien behoud niet mogelijk kan zijn, dient het gebouw nader in foto’s en detaillering gedocumenteerd en samen met de ontwerptekeningen gearchiveerd te worden;

- het ontwerp van het gebouw is auteursrechtelijk beschermd; voordat tot wijziging of sloop besloten kan worden, dient men daarom de architect hiervan op de hoogte te stellen.

e) Op 12 april 1999 heeft de gemeenteraad van Zwolle ingestemd met de stedenbouwkundige hoofdlijnen van het voorstel “Herstructurering voorzieningen Holtenbroek”. In de bijlage “Stedenbouwkundige toelichting deelgebieden herstructurering voorzieningen Holtenbroek” bij het door B&W aan de gemeenteraad aangeboden voorstel is de volgende toelichting gegeven ten aanzien van de Wavin-locatie: “Door het vrijkomen van het Wavin-gebouw in het kader van de te sluiten transactie tussen het Deltion en de gemeente dient een nieuwe bestemming voor deze locatie gevonden te worden. Gezien de nabijheid van het nieuwe winkelcentrum en wijkcentrum lijkt deze locatie zeer goed geschikt voor het realiseren van ouderenvoorzieningen. Gezien het markante Wavin-gebouw is onderzocht of met een grondige verbouwing het gebouw gehandhaafd kan worden. Gezien de aanwezigheid van asbest en zeer hoge verbouwingskosten is dit financieel helaas geen haalbare kaart. Bovendien levert een verbouwing voor ouderenhuisvesting te weinig eenheden op om een volwaardige voorziening te kunnen realiseren. Derhalve het voorstel, om mede op basis van overleg met de stichting Driezorg, om in relatie met Havezathe op deze plek circa 150 appartementen met een zorgvoorziening te realiseren. Tevens kan het gebied funcioneel goed verbonden worden met het nieuwe winkel- en wijkcentrum van Holtenbroek. Verwacht wordt dat deze ontwikkeling een goede ondersteuning zal betekenen voor het centrumgebied en een kwalitatieve impuls voor de gehele wijk kan opleveren. Conform het advies van Het Oversticht inzake het voormalig Wavin-gebouw d.d. februari 1999, zal het gebouw zorgvuldig gedocumenteerd moeten worden voor sloop kan plaatsvinden (...)”.

f) Op 13 juli 1999 heeft de gemeente het voornemen om het Wavin-gebouw te slopen besproken met [appellant]. De gemeente heeft van deze bespreking een gespreksverslag doen opmaken, d.d. 22 september 1999, waarin onder meer is vermeld:

“Dhr. [appellant] betreurt de sloop van het Wavin-gebouw ten zeerste en vraagt zich af of er toch geen mogelijkheden zijn om het gebouw geheel of eventueel gedeeltelijk te behouden. (…) Na enige discussie onderschrijft dhr. [appellant] de conclusie dat het Wavin-gebouw niet geschikt is voor de beoogde nieuwe bestemming met bijbehorend Programma van Eisen. Er zou een functie gevonden moeten worden die past bij de ouderenhuisvesting, die het beoogde c.q. het te realiseren programma voor ouderenhuisvesting niet in de weg staat en een en ander moet ook nog financieel haalbaar zijn. Aangegeven wordt dat dit zeer onwaarschijnlijk lijkt, maar wanneer dit zich voordoet bekeken kan worden bij de herontwikkeling van dit gebied. (…) Dhr. [appellant] vraagt vervolgens wanneer deze herontwikkeling verder ter hand wordt genomen. Aangegeven wordt dat met Driezorg gesproken wordt over de locatie en het programma en dat de verwachting is dat pas eind dit jaar c.q. begin volgend jaar verdere ontwikkelingen te melden zijn. Afgesproken wordt dat dhr. [appellant] hierover te zijner tijd zal worden geïnformeerd.”

g) [appellant] heeft zich bij brief van zijn advocaat, d.d. 22 oktober 1999, verzet tegen de plannen van de gemeente om het Wavin-gebouw te slopen. Dit is in de brief aldus verwoord:

“U heeft cliënt aangegeven dat er vergevorderde plannen bestaan om in het kader van het plan “herstructurering voorzieningen Holtenbroek” het betreffende gebouw te slopen. Tegen deze plannen zal cliënt zich met hand en tand verzetten. De rechten van cliënt dienen gerespecteerd te worden, waarbij cliënt uitdrukkelijk wijst op het bepaalde in artikel 25 van de Auteurswet alsmede op het arrest van 17 maart 1999 van het Hof te Leeuwarden (Bonnema/SBB). (…) Ik moge u verzoeken mij binnen 10 dagen na dagtekening schriftelijk te bevestigen dat de Gemeente niet tot sloop van het gebouw en het kunstwerk zal overgaan. Bij gebreke hiervan dan wel negatief bericht is cliënt genoodzaakt U in rechte te betrekken om zo zijn rechten veilig te stellen.”

h) De gemeente heeft hierop het volgende geantwoord bij brief van 2 november 1999:

“De Wavin-locatie en het Wavin-gebouw zijn gelegen in de wijk Holtenbroek. Deze wijk zal een noodzakelijke en grondige herstructurering, in de meest brede zin van het woord en onder meer op het vlak van voorzieningen, ondergaan. De raad heeft in zijn vergadering van 12 april 1999 besloten om op basis van een stedenbouwkundig (reken)model en in samenwerking met een ontwikkelaar, de ontwikkeling van het gebied nader uit te werken en de verschillende projecten te realiseren.

Het gebied is in verschillende deelgebieden opgesplitst. Eén van deze gebieden betreft de Wavin-locatie. Gezien de nabijheid van het nieuwe winkelcentrum en wijkcentrum is deze locatie zeer geschikt voor het realiseren van ouderenhuisvesting. In verband hiermee is bezien of met een grondige verbouwing het gebouw kan worden gehandhaafd. Gelet op de aanwezigheid van asbest en de zeer hoge verbouwingskosten, is het financieel gezien niet reëel gebleken om het gebouw voor de gedachte nieuwe functie te verbouwen. Te meer daar een verbouwing ten behoeven van ouderenhuisvesting te weinig eenheden voor een volwaardige zorgvoorziening zal opleveren. De raad heeft dan ook in zijn vergadering van 12 april 1999 besloten om het Wavin-gebouw niet te handhaven.

Mede naar aanleiding van dit besluit hebben wij uw cliënt uitgenodigd voor overleg. Op 13 juli 1999 heeft uw cliënt overleg gevoerd met de portefeuillehouder volkshuisvesting, mw. [naam portefeuillehouder volkshuisvesting]. Tijdens dit overleg heeft de genoemde wethouder het raadsbesluit toegelicht. Na een uitvoerige gedachtewisseling heeft uw cliënt de conclusie onderschreven dat het Wavin-gebouw niet geschikt is voor de beoogde nieuwe functie, te weten volwaardige ouderenhuisvesting en een volwaardige zorgvoorziening voor ouderen.

Tijdens het genoemde overleg is besproken dat een nieuwe functie voor het gebouw moet worden gevonden, die èn past bij ouderenhuisvesting èn het beoogde c.q. te realiseren programma voor ouderenhuisvesting niet in de weg staat èn financieel haalbaar is. Van de zijde van de gemeente is aangegeven dat onder de genoemde voorwaarden, een functie voor het Wavin-gebouw zeer onwaarschijnlijk is. Bij de verdere stedenbouwkundige uitwerking van de onderhavige locatie, zal hier zo mogelijk aandacht aan worden besteed. Met uw cliënt is afgesproken dat hij eind dit jaar dan wel begin volgend jaar zal worden geïnformeerd over de verdere ontwikkeling van de onderhavige locatie. Tevens kan uw cliënt dan om een reactie worden gevraagd.

Wellicht ten overvloede en onder verwijzing naar het vorenstaande, delen wij u ten slotte mede dat voor de onderhavige locatie nog geen sprake is van vergevorderde plannen.”

i) De advocaat van [appellant] heeft hierop gereageerd bij brief van 15 december 1999. In deze brief is aangegeven dat naar de mening van [appellant] het Wavin-gebouw kan worden aangepast aan de plannen van de gemeente en dat het wenselijk is om [appellant] daarbij te betrekken. Tevens is gesteld dat [appellant] niet instemt met het verslag van zijn gesprek met de gemeente van 13 juli 1999. De brief luidt aldus:

“Het moge dan volgens de structuurschets van februari 1999 zo zijn, “dat de locatie zeer geschikt lijkt” voor het realiseren van ouderenhuisvesting, maar deze zal in feite ruimtelijk en stedenbouwkundig het open ontmoetingspunt van de groene assen teniet doen. (…) De aanwezigheid van asbest is evenmin een factor. Het gaat om geschroefde toepassingen van Fasal gevel- en Glasal plafondplaten, resp. dikke door-en-door witte cementplaten en dunne alzijdig geëmailleerde gelakte platen.

Dat het financieel gezien niet reëel zou zijn om het gebouw voor een nieuwe functie te verbouwen wordt zonder meer door cliënt ter discussie gesteld. In dat geval is het wenselijk om cliënt hierbij te betrekken alvorens daarover conclusies te trekken.

Waar het om gaat is, dat de Raad ten onrechte op 12 april 1999 besloten heeft om het Wavin-gebouw niet te handhaven. Deze beslissing zal herzien moeten worden, althans u dient aan te geven dat aan het betreffende besluit geen uitvoering gegeven zal worden. (…)

Een verslag van de bespreking van 13/7 is mijn cliënt nooit tevoren ter goedkeuring voorgelegd, maar daaruit blijkt wel aangehaald te worden in Raadsvergaderingen van okt/nov jl.: Het - op zijn verzoek – alsnog ontvangen stuk geeft samenhang en onderwerpen niet weer. Kortom: of mijn cliënt tijdens de gedachtewisseling met mw. [naam portefeuillehouder volkshuisvesting] al dan niet de conclusie onderschreven heeft dat het Wavin-gebouw niet geschikt zou zijn voor de beoogde nieuwe functie, is niet relevant. Het is, zoals gezegd, heel goed mogelijk voor het betreffende gebouw een andere functie te zoeken in het programma van eisen voor de renovatie van de wijk Holtenbroek, bijv. het nieuwe wijkcentrum, de bibliotheek o.i.d., en afgezien daarvan heeft cliënt nadrukkelijk aangegeven, dat hij zich tegen de sloop van het gebouw zal verzetten.”

j) De gemeente heeft hierop gereageerd bij brief van 24 december 1999: “Wij hebben overeenkomstig onze toezegging in onze brief van 2 november 1999 de heer [appellant] telefonisch uitgenodigd voor een informatief gesprek over de verdere ontwikkelingen van de betreffende locatie. De heer [appellant] heeft helaas telefonisch laten weten niet op deze uitnodiging te willen ingaan.

Wij kunnen u voorts meedelen dat wij vooralsnog hebben besloten het raadsbesluit van 12 april jl. uit te voeren. Dat betekent dat we akkoord zijn met de uitwerking van een wooncomplex op de locatie, waarbij het Wavin-gebouw zal moeten verdwijnen. Over dit besluit zullen wij in januari 2000 zo spoedig mogelijk een juridisch externe second opinion laten verrichten. Aan de hand hiervan zullen wij dan definitief een besluit nemen.

Wij zullen u en de heer [appellant] na het bovengenoemde besluit zo spoedig mogelijk ons standpunt doen toekomen.”

k) Eind 1999 schrijft het Centraal Bureau Stad & Welzijn van de gemeente Zwolle aan B & W een brief over de stand van zaken met betrekking tot de ontwikkeling van het nieuwe wijkcentrum in Holtenbroek. In die brief wordt stelling genomen tegen de gedachte om het wijkcentrum onder te brengen in het Wavin-gebouw teneinde dit gebouw te kunnen behouden; gesteld wordt dat het Wavin-gebouw aanzienlijk uitgebreid zou moeten worden en dat de langgerekte hoofdvorm van het Wavin-gebouw niet functioneel is voor het wijkcentrum (daarbij wordt verwezen naar de langgerekte, lastig beheersbare vorm van het wijkcentrum De Pol in Zwolle Zuid, welke vorm destijds is opgedrongen en waarvoor men niet voelt); ook de locatie wordt ongeschikt geacht, omdat het wijkcentrum in of tegen het winkelcentrum aan moet komen te liggen.

l) De gemeente heeft vervolgens de Rijksbouwmeester prof. ir. [naam Rijksbouwmeester] verzocht om zijn mening te geven over de voorgenomen sloop van het Wavin-gebouw. Deze schrijft in zijn brief van 31 januari 2000:

“Het Wavin-gebouw is een waardevol gebouw op een bijzondere plaats. Het gebouw van architect [appellant] is een exponent van de 60er jaren architectuur, waarin een ruimtelijke dynamiek binnen het functionalisme is nagestreefd. Het gebouw is in die zin zeker waardevol en zou indien mogelijk een nieuwe bestemming moeten kunnen krijgen. De vraag is echter of die nieuwe bestemming mogelijk is. Het gebouw is naar mijn mening niet van zo’n groot cultuur-historische waarde dat behoud hoe dan ook moet worden nagestreefd. Daarvoor is het gebouw niet alleen te jong, maar het is een niet voldoende uitgesproken voorbeeld van de toenmalige architectuur opvattingen. Behoud zou goed zijn mits het redelijkerwijs ook mogelijk is de functie te behouden. Aan dat laatste twijfel ik, gelet op uw voornemen ter plaatse een bijzondere woonzorg functie te stichten. Zowel naar omvang als naar karakter en structuur is het niet mogelijk het Wavin-gebouw in overeenstemming te brengen met de genoemde nieuwe functie.

Ik kom daarom tot de conclusie dat sloop van het Wavin-gebouw serieus door u overwogen kan worden en dat er geen doorslaggevende argumenten aan te dragen zijn die zich daartegen zouden verzetten. Wel beveel ik een nadere uitgebreide documentatie van het gebouw aan, gelet op het belang van het gebouw voor de geschiedenis en vakontwikkeling. Ik ondersteun sterk de aanbevelingen van het Oversticht op dit punt.”

m) Op 10 februari 2000 heeft de gemeentelijke “Projectgroep Herstructurering Voorzieningen Holtenbroek” de definitieve versie vastgesteld van haar rapport “Herstructurering Voorzieningen Holtenbroek/Mogelijkheden integratie Wavin-gebouw in Ouderenvoorziening”. Het rapport bevat, na te hebben overwogen dat voor moderne ouderenvoorzieningen integratie van zorgvoorziening en woongebouw gewenst is en dat voor een economisch verantwoorde voorziening op dit gebied een grootte van circa 2.000 m2 noodzakelijk is en na te hebben onderzocht of het Wavin-gebouw zou kunnen worden ingepast in de plannen van de gemeente, de volgende conclusie:

“Met een integratie van het Wavin-gebouw in een ouderenvoorziening verliest het gebouw zijn kracht die het juist ontleent aan de huidige stedenbouwkundige context. Aangezien verbouw tot woonfuncties gezien de structuur, maatvoering en constructie niet aan de orde is kan bij integratie alleen uitgegaan worden van zorgfuncties. Eventueel daartoe in aanmerking komende functies behelzen een totaal oppervlak van 811 m2. De overige ruimtebehoefte van 1.166 van de zorgvoorzieningen zal geïntegreerd met de woningen in de nieuwbouw opgelost dienen te worden. Vanuit de functionaliteit van de zorgvoorziening betekent dit dat er 978 m2 van het Wavin-gebouw niet functioneel te maken is. Dit is 50% van de totale ruimtebehoefte van de zorgvoorziening. Dat dit dientengevolge eveneens grote financiële gevolgen heeft behoeft geen betoog. Het niet functioneel zijn van een groot deel van het gebouw leidt tot een bedrag van ca. 4 mln aan niet rendabele kosten. Indien daarbij betrokken wordt dat het ministerie slechts tot 65% van de nieuwbouw-kosten renovatie en verbouw accepteert leidt dit ook vanuit de financiële kant tot de conclusie dat integratie van het Wavin-gebouw geen reële optie is.”

n) De gemeente bericht per brief van 1 maart 2000 aan [appellant] dat zij defintief heeft besloten om het Wavin-gebouw te slopen. Dit besluit is als volgt toegelicht, waarbij de argumenten grotendeels zijn ontleend aan voormeld rapport “Herstructurering Voorzieningen Holtenbroek/Mogelijkheden integratie Wavin-gebouw in Ouderenvoorziening”:

“De Wavin-locatie is op stedenbouwkundige en functionele argumenten aangewezen als locatie voor het realiseren van ouderenwoningen. De situatie in het hart van de wijk, dichtbij de andere voorzieningen zoals winkelcentrum, openbaar vervoer en multifunctionele wijkvoorziening, zijn hierbij van groot belang. Bovendien biedt de Wavin-locatie als enige de mogelijkheid om in directe relatie met de centrumvoorzieningen voldoende kritische massa te genereren om een zelfstandig en volwaardig steunpunt voor ouderenzorg in de wijk te realiseren.

Zoals u bekend, hebben wij over de mogelijkheden en noodzaak van het slopen van het gebouw in relatie tot de waarde van het gebouw en onze positie in verband met het auteursrecht op het gebouw bij een tweetal externe deskundigen een advies ingewonnen. Tevens is nader onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van integratie van het gebouw in de nieuwe functie.

Wij hebben geconcludeerd dat integratie van het Wavin-gebouw zowel naar karakter, omvang en structuur niet in overeenstemming te brengen is met de doelstellingen van de nieuwe functie van een bijzondere woonvoorziening voor ouderen. Bij de integratie van het gebouw in de nieuwe woonvoorziening zal er met loopbruggen en dergelijke verbinding moeten worden gemaakt met de overige gebouwen. Het Wavin-gebouw zal geheel worden ingebouwd door de nieuwe gebouwen en verliest hierdoor zijn karakteristieke functie in relatie tot de bijzondere plaats.

Het gebouw kan bij integratie ook niet geheel functioneel worden gebruikt. Uit berekeningen blijkt dat bij integratie van het gebouw 978 m2 niet functioneel kan worden gemaakt. Het niet kunnen gebruiken van een groot gedeelte van het gebouw, terwijl het wel moet worden verbouwd geeft uiteraard een groot bedrag aan onrendabele kosten. Een vergelijking van de kosten voor nieuwbouw en verbouw laat bovendien zien dat verbouw aanzienlijk duurder is. De instelling die de woonvoorziening gaat bouwen is verplicht zich te houden aan een richtlijn waarbij is bepaald dat als de verbouwkosten 65% van de nieuwbouwkosten bedragen, moet worden overgegaan tot nieuwbouw. Wordt deze richtlijn niet opgevolgd, dan krijgt de instelling een groot aantal kosten niet vergoed.

Met het bovenstaande hebben wij aangegeven dat bij het behoud van het gebouw het zijn karakteristieke functie verliest en dat op functionele en financiële gronden het behoud van het gebouw in redelijkheid niet mogelijk is.

Wij menen dat er geen doorslaggevende argumenten zijn aan te dragen die zich tegen de sloop van het gebouw verzetten en hebben definitief besloten het Wavin-gebouw te slopen ten behoeve van de realisering van de bijzondere woonvoorziening. Het moment van de sloop hangt samen met de plannen en de realisering van de nieuwe functie. Wij zullen u van de voortgang van de plannen op de hoogte houden.

Overeenkomstig het advies van Oversticht zullen wij ten behoeve van het gemeentearchief een uitvoerige documentatie van het gebouw in zijn omgeving maken. Wij hebben tevens besloten er naar te streven het bijzondere van de Wavin-locatie in het nieuwe gebouw wederom tot zijn recht te laten komen.

Wij bieden u hierbij aan ons besluit in een gesprek mondeling nader toe te lichten. Tevens stellen wij u uiteraard in de gelegenheid om ook zelf een uitvoerige documentatie van het Wavin-gebouw te maken.”

4 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 De grieven lenen zich voor gezamenlijk behandeling. Zij zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat sloop van een werk niet valt onder het begrip ‘andere aantasting’ in artikel 25 lid 1 sub d Auteurswet 1912 (Aw) en tegen de op dat oordeel gebaseerde afwijzing van de vorderingen van [appellant].

4.2 Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de woorden ‘andere aantasting’ ook de vernietiging of sloop van een werk kunnen omvatten. Het Franse woord ‘atteinte’ in artikel 6bis, eerste lid van de Berner Conventie laat zich volgens Van Dale Groot woordenboek Frans-Nederlands vertalen als ‘aanslag’ (in de zin van aantasting, inbreuk, schending). Daarbij verdient opmerking dat in artikel 6bis, eerste lid van de Berner Conventie de woorden ‘toute autre atteinte’ als restcategorie staan naast ‘toute déformation, mutilation ou autre modification’, terwijl in artikel 25 lid 1 sub d Aw de woorden ‘andere aantasting’ de restcategorie vormen naast ‘elke misvorming of verminking’ en de woorden ‘elke andere wijziging’ onder het soepeler regime van artikel 25 lid 1 sub c Aw zijn gebracht. Naar het oordeel van het hof ligt het daarom niet voor de hand om aan het begrip ‘aantasting’ een beperktere betekenis toe te kennen dan aan het Franse woord ‘atteinte’ en kan uit de keuze van het woord ‘aantasting’ in artikel 25 Aw niet worden afgeleid dat de wetgever de vernietiging of sloop van een werk van de in dat artikel gegeven bescherming heeft willen uitsluiten. Integendeel, vernietiging of sloop kan naar het oordeel van het hof veeleer als de ultieme vorm van aantasting worden gezien, waartegen de auteur zich moet kunnen verzetten in het geval dat de vernietiging of sloop zonder goede reden geschiedt, omdat zijn reputatie kan worden aangetast als zijn schepping als een wegwerpartikel wordt behandeld.

4.3 Voor toewijzing van de vorderingen van [appellant] op grond van voormeld artikel 25 lid 1 sub d Aw is vereist dat die ‘andere aantasting’ nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van maker of aan zijn waarde in deze hoedanigheid. Dit vereiste wordt hierna kortheidshalve aangeduid als: reputatieschade.

4.4 Aan de orde is thans de vraag of [appellant] reputatieschade zal leiden door het besluit van de gemeente om het door [appellant] ontworpen Wavin-gebouw te slopen. Hierbij verwerpt het hof het verweer van de gemeente dat de zaak voor de beantwoording van deze vraag moet worden teruggewezen naar de rechtbank, nu deze zich nog niet over deze vraag heeft uitgelaten. Immers, er is sprake van een eindvonnis van de rechtbank en dan is voor terugwijzing geen plaats. De enige uitzondering op deze regel, een eindvonnis ter zake van onbevoegdverklaring, doet zich in de onderhavige zaak niet voor.

4.5 Van mogelijke reputatieschade van de auteur kan sprake zijn als het besluit tot sloop van het werk nodeloos of onzorgvuldig is genomen. Het enkele feit dat de voorgenomen sloop een belangrijk bouwwerk van een vooraanstaand architect betreft, leidt, anders dan [appellant] stelt, niet zonder meer tot de conclusie dat sprake is van reputatieschade. Dit hangt af van een afweging van alle in het geding zijnde belangen.

4.6 Enerzijds is er het belang van [appellant] bij het behoud van het door hem ontworpen Wavin-gebouw, dat hij beschouwt als een gebouw dat kenmerkend is voor zijn architectuur en waarmee hij zijn reputatie heeft weten op te bouwen.

Anderzijds is er het belang van de gemeente om het Wavin-gebouw te slopen in het kader van de herstructurering van de wijk Holtenbroek, nu de Wavin-locatie, gegeven het feit dat het Wavin-gebouw niet meer als kantoorgebouw of schoolgebouw wordt gebruikt, de bestemming heeft gekregen van een zorgcomplex voor ouderen met ouderenappartementen in combinatie met het in de nabijheid geplande nieuwe winkelcentrum en het multifunctionele wijkcentrum en nu volgens eigen onderzoek van de gemeente het Wavin-gebouw om functionele en financiële redenen niet is in te passen in haar plannen.

4.7 Het hof stelt voorop dat in een situatie als de onderhavige, waarin de sloop van een architectonisch belangrijk bouwwerk wordt overwogen, de zorgvuldigheid meebrengt, gelet op het in artikel 25 Aw neergelegde persoonlijkheidsrecht van de architect, dat de gemeente in een open overleg met de architect [appellant] onderzoekt of het bouwwerk kan worden ingepast in de plannen van de gemeente. Dit overleg dient plaats te vinden op een moment dat het resultaat van het overleg nog van invloed kan zijn op de besluitvorming van de gemeente.

4.8 Het hof kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het gesprek dat op 13 juli 1999 tussen de gemeente en [appellant] heeft plaatsgevonden meer het karakter heeft gehad van informatie van de gemeente aan [appellant] over haar plannen, waarbij de gemeente heeft geprobeerd om [appellant] te overtuigen van de noodzaak daarvan, dan van een open overleg waarbij aan [appellant] de gelegenheid is geboden om van zijn kant voorstellen te doen tot behoud van het Wavin-gebouw. In dit opzicht heeft de gemeente onvoldoende zorgvuldig gehandeld ten opzichte van [appellant]. Echter, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, betekent dit nog niet dat daardoor reputatieschade voor [appellant] zou kunnen ontstaan.

4.9 Immers, de gemeente heeft [appellant] uitgenodigd voor een vervolggesprek en dus [appellant] de gelegenheid geboden om zijn belangen te behartigen. [appellant] heeft besloten om van die uitnodiging geen gebruik te maken, waardoor hij de kans heeft laten voorbijgaan om (enigszins) gedocumenteerd met een of meer tegenvoorstellen te komen.

4.10 Voorts is van belang dat de gemeente zelf, mede naar aanleiding van de desbetreffende aanbeveling van Het Oversticht, heeft onderzocht of het Wavin-gebouw kon worden ingepast in haar plannen. Zij is tot de conclusie gekomen dat dit om functionele en financiële redenen geen reële optie was. De gemeente heeft [appellant] hierover geïnformeerd. Vanwege het verzet van [appellant] tegen de mogelijke sloop, heeft de gemeente haar voornemen tot sloop van het Wavin-gebouw ook extern laten toetsen bij de Rijksbouwmeester prof. ir. [naam Rijksbouwmeester]. Deze concludeerde dat er geen doorslaggevende argumenten waren die zich tegen sloop van het Wavin-gebouw zouden verzetten. Wel deed hij, evenals Het Oversticht, de aanbeveling om het gebouw, dat architectonisch zeker waardevol is, uitgebreid te documenteren en te archiveren. De gemeente heeft, nadat zij definitief had besloten het gebouw te slopen, [appellant] bericht dat zij het Wavin-gebouw uitgebreid zou documenteren en archiveren en dat zij [appellant] de gelegenheid bood om hetzelfde te doen.

4.11 In de onderhavige procedure heeft de gemeente bij conclusie van antwoord in eerste aanleg gemotiveerd aangegeven, onderbouwd door overlegging van het rapport “Herstructurering Voorzieningen Holtenbroek/Mogelijkheden integratie Wavin-gebouw in Ouderenvoorziening”, dat zij om functionele en financiële redenen geen reële mogelijkheden ziet om het Wavin-gebouw te integreren in haar plannen, zodat voor haar sloop de enige optie is. Hiertegenover heeft [appellant], ook in hoger beroep, volstaan met de algemene stelling dat het Wavin-gebouw heel goed aangepast kan worden voor wijkvoorzieningen die aansluiten bij het programma van eisen, zodat het Wavin-gebouw behouden kan blijven. Op het financiële aspect is [appellant] in het geheel niet ingegaan. Hierbij tekent het hof aan dat de verkorte procedure waarvoor [appellant] in eerste aanleg heeft gekozen, zich minder dan de gewone procedure leent voor een diepgaand debat, maar dat dient voor het risico van [appellant] te blijven die voor deze manier van procederen heeft gekozen.

4.12 Bij gebreke van een deugdelijke betwisting door [appellant] moet het in dit geding ervoor worden gehouden dat [appellant] geen alternatief kan bieden dat aan de functionele en financiële eisen van de gemeente voldoet. Onder die omstandigheden kan in redelijkheid niet van de gemeente worden verlangd dat zij haar sloopplannen laat varen. Nu moet worden aangenomen dat de gemeente goede redenen heeft voor sloop van het Wavin-gebouw, waarbij van belang is dat de gemeente overleg heeft gevoerd met [appellant] over haar plannen en heeft onderzocht of het Wavin-gebouw kon worden ingepast in haar plannen, staat de reputatie van [appellant] niet op het spel. Bij dit oordeel speelt mede een rol dat de gemeente zich nooit denigrerend heeft uitgelaten over het gebouw of ander werk van de architect [appellant] en dat de goede naam van [appellant] zal blijven voortleven in de diverse foto’s, beschrijvingen en documentatie van zijn werk.

4.13 Het voorgaande voert tot de slotsom dat de vorderingen van [appellant] niet kunnen worden toegewezen. Het bestreden vonnis zal met verbetering en aanvulling van de gronden worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

5 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt, met verbetering en aanvulling van de gronden, het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank te Zwolle van 21 november 2001;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente begroot op EUR 230,= aan verschotten en op EUR 2.314,28 voor salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. Houtman, Van den Heuvel en Brack, en uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 2 juli 2002.