Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE4953

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-06-2002
Datum publicatie
08-07-2002
Zaaknummer
00-01874
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1091
V-N 2002/36.2.22

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

derde enkelvoudige belastingkamer

nummer 00/01874

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

Belanghebbende : [X] B.V.

Te : [Z]

Verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P]

Aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

Betreft : loonbelasting/premie volksverzekeringen

Nummer : [01.A.01.7500]

Mondelinge behandeling : op 23 mei 2002 te Arnhem

Waarbij verschenen : namens belanghebbendes gemachtigde [alsmede de Inspecteur]

gronden:

1. Belanghebbende heeft in 1997 een (premie)spaarloonregeling getroffen voor haar directeur, tevens enig aandeelhouder. Na een (op dit aspect toegespitst) ingesteld boekenonderzoek heeft de Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen 1997 opgelegd. Op grond van artikel 23 Uitvoeringsregeling Werknemersspaarregelingen en Winstdelingsregelingen, bevestigd door de uitspraak van de Hoge Raad van 15 december 1999 (BNB 2000/211), is de (premie)spaarloonregeling niet van toepassing in de situatie van één werknemer (i.c. de directeur / enig aandeelhouder).

2. Uit efficiency overwegingen is de correctie aangebracht in de loonbelasting en niet in de inkomstenbelasting, omdat aldus de correctie tot één belasting beperkt kon blijven.

3. Partijen zijn het er over eens dat de correctie in beginsel juist is, maar dat de Inspecteur deze naheffing slechts kan opleggen als de correctie ook in de inkomstenbelasting bij de directeur toegepast had kunnen worden. Als in casu middels navordering een correctie in de inkomstenbelasting onmogelijk is vanwege het ontbreken van een nieuw feit, dient evenzeer de correctie in de loonbelasting (wegens strijd met de Algemene beginselen van behoorlijk bestuur) achterwege te blijven.

4. Overwegende dat:

- de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting van de directeur / enig aandeelhouder van belanghebbende in beginsel kon afgaan op de aangifte welke een goed verzorgde indruk maakte;

- de aanslagregelaar, zoals de Inspecteur niet of onvoldoende weersproken heeft gesteld, niet over alle gegevens van de aangifte loonbelasting van belanghebbende kon of mocht beschikken;

- de bij de aanslagregeling beschikbare informatie over door belanghebbende afgedragen loonbelasting daarvoor in beginsel voldoende was en er in dat kader geen noodzaak of aanleiding was om bij voorbeeld de verzamelloonstaat van belanghebbende op te vragen;

- de directeur/enig aandeelhouder van belanghebbende deze zaak niet expliciet en nadrukkelijk in zijn aangifte inkomstenbelasting aan de orde heeft gesteld, zodat er geen sprake is van een gewekt en te respecteren vertrouwen;

is er naar het oordeel van het Hof geen sprake van het ontbreken van een 'nieuw feit' dat navordering voor de inkomstenbelasting in de weg zou staan zodat het de Inspecteur vrij stond om de correctie in de sfeer van de loonbelasting aan te brengen, en derhalve terecht de naheffingsaanslag loonbelasting bij belanghebbende heeft opgelegd.

slotsom:

Het beroep is niet gegrond.

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

beslissing:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2002 door mr. drs. Van Amsterdam, raadsheer, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Delnooz-Engels als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(J.H.M. Delnooz-Engels) (A.M.J.G. van Amsterdam)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 8 juni 2002

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.