Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE4941

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-05-2002
Datum publicatie
08-07-2002
Zaaknummer
00-01756
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2002/932
FutD 2002-1426
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 00/1756

U i t s p r a a k

op het beroep van STICHTING [X] te [Z] tegen de uitspraak van de het college van burgemeester en wethouders van Maasbree (hierna: het college) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de na te melden aanslagen in de onroerendezaakbelastingen en het rioolrecht.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1995, met andere op één biljet verenigde, aanslagen opgelegd in de onroerendezaakbelastingen wegens het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht betreffende 81 vakantiebungalows, alle plaatselijk bekend Napoleonsbaan Noord 4 en op de specificatie van het aanslagbiljet aangeduid met de perceelsnummers [1 tot en met 81] tot een gezamenlijk bedrag van ƒ 5 779 alsmede een aanslag in het rioolrecht van ƒ 8 586 voor die bungalows.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft het college bij uitspraak van 23 februari 1996 de aanslagen gehandhaafd.

1.3. In beroep heeft het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (hierna: het Hof) bij uitspraak van 10 maart 1998 nummer 96/00947, de bedoelde aanslagen alsmede in zoverre de uitspraak van het college vernietigd.

1.4. Op het beroep in cassatie van het college heeft de Hoge Raad bij arrest van 20 september 2000, nr. 34 371 (BNB 2000/382*), de uitspraak van het Hof in zoverre en behoudens de beslissing over het griffierecht vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van het arrest.

1.5. Bij brief van de griffier van 3 oktober 2000 is beide partijen de gelegenheid ge-boden een schriftelijke conclusie na verwijzing in te dienen. Daarvan is door het college gebruik gemaakt.

1.6. Bij de mondelinge behandeling op 22 maart 2002 te Arnhem zijn gehoord de rechtsopvolgster onder algemene titel van belanghebbende, [A] B.V., bij monde van [haar directeur] alsmede [de verweerder].

1.7. Het onder 5.2.2.2 te melden fotoblad, dat zonder bezwaar van belanghebbende is overgelegd, wordt tot de stukken gerekend.

2. Conclusies van partijen

2.1. Belanghebbende verzoekt in beroep de aanslag te vernietigen.

2.2. De verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. De vaststaande feiten

2.3. Belanghebbende exploiteerde in 1995 een recreatieoord en sportpark, waartoe onder meer een camping behoorde.

2.4. Op deze camping staan 81 vakantiebungalows. De percelen waarop deze bungalows zijn gebouwd waren destijds eigendom van belanghebbende.

2.5. Belanghebbende verhuurde deze percelen aan derden. Krachtens de huurovereenkomst zijn de huurders verplicht op het perceel een weekendhuisje te bouwen en dit in geval van ontruiming van het gehuurde af te breken en op te ruimen. De huurders mogen de bungalows zonder tussenkomst van belanghebbende verhuren en verkopen; de opbrengsten daarvan komen de huurders toe.

4. Het geschil en de standpunten van partijen

4.1. Na verwijzing is nog slechts in geschil, of de bungalows duurzaam met de grond zijn verenigd, wat belanghebbende ontkent doch de verweerder stelt.

4.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken. Daaraan is mondeling toegevoegd - zakelijk weergegeven -:

5.2.1. namens belanghebbende:

5.2.1.1. Zij vraagt zich af wie nu eigenlijk de eigenaar is van de bungalows.

5.2.1.2. Zij kan moeilijk begrijpen dat zij belast wordt voor iets waarvan zij geen eigenares is.

5.2.1.3. Zij voorziet moeilijkheden met de 'eigenaren' van de bungalows als zij aan hen de zakelijke lasten moet doorbelasten.

5.2.1.4. Zij kent de bungalows op het onder 5.2.2.2 te melden fotoblad, tegen overlegging waarvan zij geen bezwaar heeft.

5.2.2. en namens het college:

5.2.2.1. Belanghebbende heeft de doorlopende zeggenschap over de bungalows. In ieder geval berust bij haar de jaarlijkse controle van de wateraansluitingen.

5.2.2.2. Hij legt een blad over met vijftien foto's van in hout opgetrokken bungalows, waarvan nummer 78 in de reeds overgelegde fotoreportage ontbrak.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Met het gestelde in zijn conclusie na verwijzing en de tot de stukken behorende foto's van de bungalows maakt het college voldoende aannemelijk, dat zowel de gemetselde als de in hout opgetrokken vakantiebungalows duurzaam met de grond zijn verenigd, zo al niet rechtstreeks dan toch door middel van de stenen funderingen waaraan zij in technische zin hecht verbonden zijn. Belanghebbende, op wie in dezen in redelijkheid de stelplicht rust, voert over geen van de bungalows enig feitelijk gegeven aan waaruit zou volgen dat zodanige verbinding afwezig is. Die bungalows zijn derhalve alle onroerend in de zin van artikel 3:3 van het Burgerlijk Wetboek.

6.2. In zijn conclusie na verwijzing voert het college aan en belanghebbende weerspreekt niet, dat elk van de 81 bungalows is aangesloten op de riolering.

6.3. Niet is gesteld of gebleken dat voor het hebben van een of meer van de 81 bungalows een recht van opstal is gevestigd op - en afhankelijk van de huur van - het desbetreffende perceel.

6.4. Volgens artikel 2, tweede lid, van de 'Verordening Rioolrecht 1993' en artikel 1, derde lid, van de 'Verordening Onroerende zaakbelastingen 1993' van de gemeente Maasbree wordt als genothebbende in de voormelde zin aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig bij het kadaster bekend staat, tenzij blijkt dat op dat tijdstip een ander de genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht was. Van dit laatste is niets gesteld of gebleken. Evenmin is gesteld of gebleken dat aan belanghebbende de uitoefening van haar eigendomsrecht wederrechtelijk en anders dan voorbijgaand is ontnomen in de zin van de arresten van de Hoge Raad van 10 maart 1982, nr. 20 860 (BNB 1982/115*), en van 4 juni 1986, nr. 23 764 (BNB 1986/240).

6.5. Belanghebbende is derhalve terecht aangemerkt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de 81 percelen met hetgeen daarvan krachtens artikel 3:3 deel uitmaakt en dus als belastingplichtige voor zowel de voormelde onroerendezaakbelasting als het rioolrecht.

7. Slotsom

Voor zover het beroep na verwijzing ter beoordeling van dit hof staat, is het ongegrond.

8. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het hof geen termen aanwezig.

9. Beslissing

Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van het college voor zover daarbij de onder 1.1 genoemde aanslagen zijn gehandhaafd.

Aldus gedaan te Arnhem op. 17 mei 2002 door mr N.E. Haas, voorzitter, mr Wolt en mr Punt, in tegenwoordigheid van mr Snoijink als griffier.

(W.J.N.M. Snoijink) (N.E. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het college van burgemeester en wethouders binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt, is een griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.