Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE4938

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-05-2002
Datum publicatie
08-07-2002
Zaaknummer
00-00882
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AF7525
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2005:AF7525
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2002/784
FutD 2002-1400
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 00/882

U i t s p r a a k

op het beroep van [X BV te Z] (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd bureau Belastingen van de gemeente Zwolle (hierna: de verweerder) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de na te melden aanslag in de rioolrechten.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een, met een andere aanslag op één biljet verenigde, aanslag in de rioolrechten opgelegd. Deze bedraagt ƒ 59 607,21.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de verweerder bij uitspraak van 22 maart 2000 belanghebbende in haar bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en ambtshalve de aanslag gehandhaafd.

1.3. Bij brief van 3 april 2000 heeft de verweerder belanghebbende medegedeeld, haar bezwaarschrift bij de voormelde uitspraak abusievelijk niet-ontvankelijk te hebben verklaard.

2. Geding voor het hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 3 mei 2000.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het verweerschrift en de daarin genoemde bijlagen.

2.3. Bij het onderzoek ter zitting op 8 februari 2002 te Arnhem zijn gehoord [belanghebbendes gemachtigde], alsmede [de verweerder].

2.4. De notities van de pleidooien die de voormelde gemachtigden ter zitting hebben gehouden worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

3. Conclusies van partijen

3.1. Belanghebbende verzoekt in beroep de aanslag te vernietigen.

3.2. De verweerder concludeert, naar het hof verstaat en na wijziging van zijn standpunt ter zitting, tot vernietiging van zijn uitspraak en handhaving van de aanslag.

4. De vaststaande feiten

4.1. De bedrijfsruimte plaatselijk bekend [a-straat 1] werd in het jaar 1999 gebruikt door belanghebbende.

4.2. Het aantal grotere bedrijven, waartoe belanghebbende zichzelf ook rekent, dat in Zwolle 200 m³ of meer aan afvalstoffen op de gemeentelijke riolering loost, beloopt (ongeveer) 750.

4.3. Het aantal aangesloten woningen beloopt 46 600.

4.4. Bij raadsbesluit van 14 december 1998 is vastgesteld de Verordening op de heffing en de invordering van rioolrechten 1999 (hierna: de Verordening), waarvan de artikelen 1, eerste lid, 4, eerste en tweede lid, en 5, eerste en tweede lid, voor zover hier van belang, luiden als volgt:

Artikel 1

Belastbaar feit en belastingplicht

1. Onder de naam "rioolrechten" worden geheven:

een eigenarenbelasting van degene die het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een onroerende zaak of van een woon- of bedrijfsvaartuig met een vaste ligplaats, die direkt of indirekt is aangesloten op de gemeentelijke riolering;

b. een gebruikersbelasting van de degene die, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, het gebruik heeft van een onroerende zaak of bedrijfsvaartuig met een vaste ligplaats, van waaruit afvalwater direkt of indirekt op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd en welke niet dient tot bewoning.

Artikel 2

Belastingobject

Onder een onroerende zaak dan wel de onroerende zaak wordt verstaan:

a. een gebouwd eigendom;

b. (enz.)

(...)

Artikel 4

Maatstaf van heffing

1. Het recht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, wordt geheven per onroerende zaak, woon- of bedrijfsvaartuig.

2. Het recht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, wordt geheven per onroerende zaak of bedrijfsvaartuig, naar het aantal kubieke meters afvalwater dat vanuit de onroerende zaak of het bedrijfsvaartuig wordt afgevoerd.

(...)

Artikel 5

Tarieven

1. Het recht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, bedraagt per onroerende zaak, woon- of bedrijfsvaartuig, per jaar ¦ 149,04

2. Het recht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, bedraagt per jaar, per 100 m³;

a. voor elke hoeveelheid afgevoerd water van de 200 m³ t/m 500 m³ ƒ 97,35

b. voor elke hoeveelheid afgevoerd water van de 501 m³ t/m 1.000 m³ ƒ 65,00

c. voor elke hoeveelheid afgevoerd water van de 1.001 m³ t/m 10.000 m³ ƒ 50,00

(enz.)

4.5. Op het aanslagbiljet is als heffingsmaatstaf '256.985,00' vermeld.

5. Het geschil en de standpunten van partijen

5.1. Partijen houdt verdeeld, of de Verordening verbindende kracht mist, wat belanghebbende bepleit doch de verweerder ontkent.

5.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken. Daaraan is ter zitting, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd - zakelijk weergegeven -:

5.2.1. namens belanghebbende:

5.2.1.1. Dit beroep is enigszins vergelijkbaar met een cassatieprocedure die de gemeente Eindhoven betreft en waarin onlangs is gepleit doch nog geen arrest is gewezen.

5.2.1.2. Daarin heeft op 19 december 2001 de advocaat-generaal mr Ilsink geconcludeerd dat de genothebbende niet mag worden belast naar de hoeveelheid afgevoerd afvalwater.

5.2.1.3. Zij wenst schriftelijk te mogen reageren op de berekening in de bijlage bij de pleitnotities van de verweerder.

5.2.1.4. In de daar bedoelde uitspraak over het rioolrecht van de gemeente Rijssen is niet de volle problematiek beoordeeld die thans aan de orde is.

5.2.1.5. Doordat lozingen tot 200 m³ geheel vrijgesteld zijn en daarboven huishoudelijke lozingen uit doelmatigheidsoverwegingen buiten de gebruikersheffing blijven, bestaat er een discrepantie tussen die heffing en de kostentoerekening.

5.2.2. en namens de verweerder:

5.2.2.1. Het aantal gebruikers van niet-woningen van waaruit minder dan 200 m³ wordt afgevoerd, bedraagt 1.425.

5.2.2.2. De Hoge Raad heeft in het arrest van 21 juni 2000, nr. 34.633 (BNB 2000/273* en Belastingblad 2000, blz. 372), goedgevonden dat de gemeente rioolrecht voor huishoudens alleen van de genothebbenden heft.

5.2.2.3. In de uitspraak van 28 december 2001, nr. 97/22023, heeft het hof Arnhem geoordeeld dat er evenredigheid was tussen beide groepen belastingplichtigen en de kosten redelijk waren toegerekend. In Zwolle is volgens de gemeenterekening over 1999 in feite 91% van het rioolaansluitrecht opgebracht door degenen die volgens de begroting ruim 88,5% daarvan zouden opbrengen. Dit geeft aan dat er redelijk geraamd is.

6. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het bezwaar

De aanslag is gedagtekend 29 oktober 1999. Het bezwaarschrift is door de verweerder ontvangen op 10 december 1999. Belanghebbende is ontvankelijk in haar bezwaar. De verweerder concludeert terecht dat zijn uitspraak, waarbij belanghebbende in haar bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, niet in stand kan blijven.

7. Beoordeling van het geschil

7.1. De Verordening voorziet in een rioolaansluitrecht betreffende alle onroerende zaken als in de Verordening gedefinieerd alsmede woon- en bedrijfsvaartuigen met vaste ligplaats en voorts in een rioolafvoerrecht van gebruikers van bedrijfsvaartuigen met vaste ligplaats en niet tot bewoning dienende onroerende zaken (hierna: bedrijfsobjecten). De tariefopbouw is voorts zodanig dat afvoer uit een bedrijfsobject tot 200 m³ niet belast is.

7.2. De verweerder voert aan en belanghebbende weerspreekt niet dat op de gemeentelijke riolering van Zwolle 2 175 bedrijven zijn aangesloten. Van het totaal aantal aangesloten woningen en bedrijven van (46 600 + 2 175 =) 48 775 zijn in de gebruikersbelasting alleen de 750 bedrijfsobjecten betrokken van waaruit meer dan 200 m³ op de riolering wordt afgevoerd. Deze maken minder dan 1,54% uit van het totaal aantal op de gemeentelijke riolering aangesloten woningen en bedrijfsobjecten. De verweerder stelt voorts dat uit de voormelde 750 bedrijfsobjecten in het onderhavige jaar 1 640 000 m³ is afgevoerd ofwel 13,8% van de totale afvoer in dat jaar van - naar de verweerder onweersproken stelt - 11 877 000 m³.

7.3. De verweerder voert niets aan waaruit zou kunnen volgen dat de lozing van afvalstoffen op de riolering door één van de categorieën gebruikers verhoudingsgewijs meer kosten oproept dan lozing door de andere categorieën. De in het verweerschrift opgenomen opmerking dat 'de kosten verbonden aan het dagelijks beheer van het rioolstelsel voor 1999 gesteld kunnen worden op ƒ 0,246 per m³ aan het rioolstelsel toegevoerd afvalwater' en in onderling verband en samenhang beschouwd met een daarna door de verweerder naar rato van de afvoer berekende kostentoedeling, wijst op het tegendeel.

7.4. Nu zoals hiervoor is overwogen, bijzondere omstandigheden in de sfeer van kosten-toerekening niet aanwezig zijn, past het niet bij de aard van rioolafvoerrecht om 98,46% van de gebruikers van het riool die samen een hoeveelheid afvalwater afvoeren in de orde van grootte van 86% van de totale afgevoerde hoeveelheid, buiten de heffing te laten. Een dergelijke onevenredigheid is strijdig met het in artikel 1 van de Grondwet tot uitdrukking gebrachte algemene rechtsbeginsel dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld (Hoge Raad 20 september 1995, nr. 30 567, BNB 1995/315*).

7.5. Ook op grond van hetgeen hierna wordt overwogen kan de aanslag niet in stand blijven.

7.6. Indien een gemeente, zoals Zwolle in 1999, rioolrechten heft zowel van genothebbenden krachtens eigendom, bezit of beperkt recht als van gebruikers, heeft zij een zekere vrijheid bij de beantwoording van de vraag welk deel van de rioleringskosten zij wil dekken door middel van elk van beide heffingen. Een strikt onderscheid in die zin dat alleen investeringskosten mogen worden gedekt door de eigenaarsheffing en alleen exploitatiekosten door de gebruikersheffing, is daarbij niet geboden. Daar voor beide heffingen aparte opbrengstgrenzen gelden (Hoge Raad 15 juli 1996, nr. 30 845, BNB 1996/331), moet de gemeente op controleerbare wijze vastleggen welke uitgaven zij in welke mate door elk van beide heffingen beoogt te dekken (Hoge Raad 31 maart 1999, nr. 33 427, BNB 1999/221*, en 12 oktober 2001, nr. 36 011, BNB 2001/404*). Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 279 van de voormalige gemeentewet, waarvan de inhoud voor zover hier van belang is overgenomen in artikel 229b van de Gemeentewet, moet bij het bepalen van de kosten van een voorziening of dienst in beginsel zo nauwkeurig mogelijk worden geraamd en moet vervolgens het tarief van de heffing zodanig worden vastgesteld dat geen winst wordt gemaakt (Hoge Raad 3 november 1999, nr. 34 616, BNB 1999/448*).

7.7. Uit die jurisprudentie leidt het hof af, dat de bedoelde vastlegging kenbaar behoort te zijn uit de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de besluitvorming in de gemeenteraad. Bij het verweerschrift is een kennelijk van het college van burgemeester en wethouders afkomstig voorstel aan de raad overgelegd. Daarin zijn voor het jaar 1999 de lasten begroot op netto ¦ 8 372 900 en is het streven uitgedrukt naar een dekking van 100%, op te brengen - afgezien van een hier verder niet ter zake doende onttrekking aan een egalisatiereserve van ƒ 527 600 ofwel 6,84% - voor ƒ 6 945 300 (ofwel 82,95%) door 46 600 woningen en voor ƒ 900 000 (ofwel 10,75%) door 750 bedrijven.

7.8. Uit dat voorstel, het enige kenbare stuk van de zo-even bedoelde besluitvorming, en de aangehaalde artikelen 1, eerste lid, en 5 van de Verordening volgt, dat de gemeente Zwolle heeft beoogd door middel van de rioolrechten uiteindelijk al haar rioleringskosten, ongeacht de aard daarvan, door te berekenen aan de genothebbenden van alle aangesloten onroerende zaken (door middel van de eigenarenheffing) en aan de gebruikers van bepaalde onroerende zaken (door middel van de gebruikersheffing ten laste van grote lozers). In de bedoelde besluitvorming valt echter geen uitsplitsing te vinden als hiervoor onder 7.6 bedoeld. De gemeente heeft derhalve niet controleerbaar vastgelegd welke kosten zij ten laste brengt van de eigenaren onderscheidenlijk gebruikers. De geraamde opbrengsten van de beide heffingen kunnen bijgevolg niet worden getoetst aan de limieten die artikel 229b voormeld stelt. Dit leidt er, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2001, nr. 36 011, BNB 2001/404*, toe dat aan de Verordening verbindende kracht moet worden ontzegd.

8. Slotsom

Het beroep is gegrond.

9. Proceskosten

De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op 2 × € 322 x 2 = € 1 288.

10. Beslissing

Het gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de verweerder;

- verklaart belanghebbende ontvankelijk in haar bezwaar;

- vernietigt de aanslag;

- gelast de gemeente Zwolle aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht van ƒ 450 ofwel € 204,20 te vergoeden;

- veroordeelt de verweerder in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 1 288, te vergoeden door de gemeente Zwolle.

Aldus gedaan te Arnhem op 17 mei 2002 door mr. N.E. Haas, voorzitter, mr. drs. F.J.P.M. Haas en mr. Wolt, in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier.

(W.J.N.M. Snoijink) (N.E. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 17 mei 2002

Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het college van burgemeester en wethouders binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt, is een griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.