Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE4937

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-05-2002
Datum publicatie
08-07-2002
Zaaknummer
99-00504
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Zevende enkelvoudige belastingkamer

nr. 99/00504

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

ambtenaar : de heffingsambtenaar van de gemeente Gramsbergen

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar tegen aanslag

belasting : gemeentelijke belastingen

aanslagnummer : [01]

jaar : 1998

mondelinge behandeling : op 7 mei 2002 te Arnhem

waarbij verschenen : [de ambtenaar] van de gemeente Hardenberg (in welke gemeente de gemeente Gramsbergen inmiddels is opgegaan)

waarbij niet verschenen : belanghebbende, met schriftelijke kennisgeving aan het hof

gronden:

1. Belanghebbende is mede-eigenaar van de onroerende zaken [a-straat nrs. 1, 2, 3 en 4 te Z]. Het betreft recreatiebungalows gelegen op het recreatiepark [B].

2. Met betrekking tot de recreatiebungalows zijn belanghebbende en zijn mede-eigenaren enerzijds en het Recreatiecentrum [B] B.V. anderzijds een beheer- en huurbemiddelingsovereenkomst aangegaan. Op grond van die overeenkomst verhuurt het recreatiecentrum de bungalows voor de eigenaren (het hof verstaat: voor rekening en risico van de eigenaren) waarvoor het recreatiecentrum een provisie (een percentage van de huurprijs) ontvangt.

3. Ingevolge artikel 220b, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Gemeentewet (tekst voor 1998; hierna: de Wet) en het daarmee overeenstemmende artikel 1, tweede lid, onderdeel c, van de Verordening onroerende-zaakbelastingen 1998, wordt het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degenen die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld.

4. Indien - zoals zich in dezen voordoet - de eigenaren van onroerende zaken met betrekking tot die zaken een huurbemiddelingsovereenkomst aangaan op grond waarvan de wederpartij bij die overeenkomst de zaken voor rekening en risico van de eigenaren volgtijdig (en naar het hof gelet op de aard van de zaken - recreatiebungalows - aanneemt: aan personen die de zaken gedurende betrekkelijk korte tijd verblijf houden) verhuurt, moeten de eigenaren zelf worden aangemerkt als degenen die de zaken ter beschikking hebben gesteld in de zin van de onder 3. gemelde bepalingen.

5. Belanghebbende is voor de heffing van de onroerendezaakbelastingen dan ook terecht aangemerkt als gebruiker van de bungalows. Hieraan doet niet af dat - naar het hof begrijpt - de bungalows voortdurend voor verhuur ter beschikking stonden en verblijf door belanghebbende zelf daarom niet mogelijk was.

6. In de situatie zoals die is weergegeven onder 4. moeten de eigenaren van de bungalows eveneens worden aangemerkt als gebruiker van de zaken in de zin van artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Verordening rioolrechten Gramsbergen 1998.

7. Gelet op de artikelen 216 en 217 van de Wet is alleen de gemeenteraad bevoegd tot de regeling van de belastingplicht, het voorwerp van de belasting en het tarief. Artikel 219, tweede lid, van de Wet laat de gemeente vrij in de keuze van de heffingsmaatstaf met dien verstande dat deze niet afhankelijk mag zijn van inkomen, winst of vermogen.

8. De maatstaf van heffing van de rioolrechten is niet afhankelijk van inkomen, winst of vermogen.

9. De omstandigheid dat de vastgestelde regeling van het tarief (artikel 5 van de Verordening rioolrechten Gramsbergen 1998) ertoe kan leiden - en er in het geval van belanghebbende kennelijk ook toe leidt - dat voor vier afzonderlijke eigendommen in totaal meer rioolrechten verschuldigd zijn dan voor één eigendom van waaruit eenzelfde hoeveelheid afvalwater wordt geloosd als uit de vier afzonderlijke eigendommen in totaal, rechtvaardigt - mede gelet op de hoogte van de daarmee gemoeide bedragen - niet het oordeel dat in dezen sprake is van een willekeurige en onredelijke belastingheffing. Ook overigens kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat de tariefstelling voert tot een willekeurige en onredelijke heffing op grond waarvan de belastingrechter zou moeten ingrijpen. Daaraan doet niet af dat - naar belanghebbende aanvoert - redenen van uitvoerbaarheid en hanteerbaarheid zich niet verzetten tegen een door hem voorgestane wijze van heffing. De regeling van het tarief is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel nu belastingplichtigen zoals belanghebbende die meerdere eigendommen gebruiken niet in dezelfde positie verkeren als belastingplichtigen die slechts één eigendom gebruiken.

10. Het is niet de taak van de belastingrechter aan te geven in welke situatie, en in het bijzonder bij welke tariefstelling, wél sprake zou zijn van een willekeurige en onredelijke belastingheffing.

11. Ingevolge artikel 229d, eerste lid, van de Wet stond het de gemeente vrij de lastenverlichting van f. 100 (de "Zalmsnip") te realiseren door vermindering van alleen de reinigingsrechten. Dat belanghebbende hiervan niet profiteerde omdat hem geen aanslag in die rechten is opgelegd, doet hieraan niet af.

proceskosten:

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het hof geen termen aanwezig.

beslissing:

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de ambtenaar.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2002 te Arnhem door mr. drs. F.J.P.M. Haas, raadsheer, lid van de zevende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van Vanherck als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van voormelde kamer,

(E.J.E.M. Vanherck) (F.J.P.M. Haas)

Afschriften aangetekend per post verzonden op: 17 mei 2002

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.