Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE4397

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-05-2002
Datum publicatie
24-06-2002
Zaaknummer
01/01993
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-1313
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

zesde enkelvoudige belastingkamer

nummer 01/01993

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren [P]

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

betreft : aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999

nummer : [01.H96]

mondelinge behandeling : op 24 april 2002 te Arnhem

waarbij verschenen : belanghebbende en [de Inspecteur]

gronden:

1. Belanghebbende heeft als uitgaven voor ziekte onder de buitengewone lasten in zijn aangifte inkomstenbelasting 1999 een bedrag van ƒ 9.066 in aftrek gebracht.

2. Bij het vaststellen van de definitieve aanslag heeft de Inspecteur de bedoelde aftrek niet geaccepteerd en heeft de aldus vastgestelde aanslag inkomstenbelasting, ook na het door belanghebbende daartegen ingediende bezwaar, gehandhaafd. Tegen deze uitspraak is belanghebbende in beroep gekomen bij dit Hof.

3. Belanghebbende stelt, gelijk de Inspecteur betwist, dat de uitgaven voor ziekte, in casu bestaande uit de kosten van aanleg van speciale plafonds en parket in zijn woning, kwalificeren voor aftrek nu immers sprake is van hulpmiddelen in de zin van artikel 46, derde lid, onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet).

Belanghebbende voert ter verdere onderbouwing van deze stelling aan dat hij samen met zijn zoon en dochter lijdt aan huisstofmijtallergie, met als gevolg ernstige huidirritaties (eczeem) en irritatie van de luchtwegen (ademhalingsproblemen). Nu bedoelde plafonds en parket beter stofvrij zijn te houden waardoor allergische reacties beduidend beperkt worden, is, aldus belanghebbende, sprake van een hulpmiddel om een lichaamsfunctie enigszins normaal te kunnen laten functioneren.

Verder merkt belanghebbende op dat voor de Wet voorzieningen gehandicapten de aanpassingen in de woning waarvan in casu sprake is wel als hulpmiddel worden erkend en stelt dat aldus tegenspraak van wetgeving ontstaat die in strijd is met de Algemene wet bestuursrecht.

4. De Inspecteur voert tegen het standpunt van belanghebbende aan dat als hulpmiddel in de zin van artikel 46, derde lid, onderdeel a, van de Wet wordt aangemerkt een middel dat de zieke of invalide in staat stelt normale lichaamsfuncties te vervullen dan wel op medisch voorschrift wordt aangeschaft en uitsluitend bestemd is voor gebruik van de zieke of invalide zelf en niet bestemd is voor gebruik door één of meerdere ander niet zieke of valide personen dan wel een hulpmiddel dat ook na bevestiging aan de woning een zelfstandige zaak blijft en niet een onderdeel van de woning zelf wordt. Tenslotte betoogt de Inspecteur nog dat slechts die aanpassingen van de woning als hulpmiddel in aanmerking komen waarvan de uitgaven door iemand die niet invalide is, doch wat inkomen, vermogen en gezin betreft in dezelfde omstandigheden verkeert, niet tot het bedrag als door belanghebbende besteed, zouden zijn gedaan.

Nu de uitgaven die belanghebbende heeft gedaan aan geen van deze criteria voldoet, is geen sprake van een hulpmiddel in de zin van de Wet.

5. Artikel 46, derde lid, van de Wet geeft een opsomming van die uitgaven, waaronder hulpmiddelen, die worden aangemerkt als buitengewone lasten ter zake van ziekte, invaliditeit en bevalling. Nu de door belanghebbende gedane uitgaven noch op grond van de wettekst noch op grond van de in de rechtspraak ontwikkelde criteria, zijn aan te merken als andere uitgaven in de zin van dit artikel, geeft het standpunt van de Inspecteur geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en heeft hij dan ook terecht met deze uitgaven als buitengewone lasten geen rekening gehouden.

6. Nu voorts belanghebbendes stelling dat het begrip hulpmiddel niet in alle wetgeving op gelijke wijze wordt geïnterpreteerd voor dit geschil betekenis mist en het Hof ook overigens belanghebbende in zijn stelling dat zulks in strijd zou zijn met de Algemene wet bestuursrecht niet kan volgen, komt het Hof, gelet op het verhandelde in de stukken en hetgeen ter zitting door partijen is aangevoerd tot het oordeel dat de uitspraak in stand dient te blijven.

slotsom:

Het beroep is niet gegrond.

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

beslissing:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2002 door mr. Lamens, raadsheer, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Delnooz-Engels als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(J.H.M. Delnooz-Engels) (J. Lamens)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 21 mei 2002

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.