Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2002:AE4122

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-05-2002
Datum publicatie
18-06-2002
Zaaknummer
00/00714
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AO3305
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2005:AO3305
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-1266
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

vierde enkelvoudige belastingkamer

nummer 00/00714

U i t s p r a a k

op het beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem voor het jaar 1998 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. De aanslag, genummerd [01.H86] en gedagtekend 29 oktober 1999, is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 126.963,-.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak van 5 april 2000 de aanslag gehandhaafd.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 10 april 2000.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het verweerschrift en de daarin genoemde bijlagen.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 6 november 2001 te Arnhem zijn gehoord [belanghebbendes gemachtigde, alsmede de Inspecteur].

2.4. De notities van het pleidooi dat de gemachtigde van belanghebbende bij de mondelinge behandeling heeft gehouden worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

2.5. Het Hof heeft mondeling uitspraak gedaan op 20 november 2001. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt, waarvan afschriften op 23 november 2001 aangetekend aan partijen zijn verzonden.

2.6. Op 13 december 2001 is het schriftelijke verzoek van de Inspecteur ingekomen om vervanging van de mondelinge uitspraak door een schriftelijke. Het verschuldigde recht van € 142,94 is tijdig gestort.

3. Conclusies van partijen

3.1. Belanghebbende verzoekt (nader) vermindering van het belastbaar inkomen tot ƒ 125.910,-.

3.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. De vaststaande feiten

4.1. Belanghebbende is op 22 juli 1947 geboren te Amsterdam.

4.2. Belanghebbende was van 15 oktober 1990 tot 13 april 193 werkzaam in loondienst als statutair directeur van [A-1] B.V., een 100%-dochteronderneming van [A-2] SA. De activiteiten van [A-1] B.V. bestonden uit de handel in akkerbouwproducten.

4.3. In maart 1993 werd door de interne accountant van [A-2] SA ontdekt dat belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt aan frauduleuze handelingen in de bedrijfsvoering van [A-1] B.V.

4.4. Op 14 april 1993 werd door de directeur van [A-2] SA van de fraude aangifte gedaan bij de Gemeentepolitie [Q]. Belanghebbende is vervolgens op staande voet ontslag aangezegd.

4.5. De afdeling "Bureau Financiële Ondersteuning" van de politie (hierna te noemen BFO) heeft naar aanleiding van de aangifte een onderzoek ingesteld. Op verzoek van [A-1] B.V. werd er ook door [accountants 1], afdeling forensic accountancy, een onderzoek ingesteld naar de gepleegde malversaties.

4.6. Uit zowel de rapportage van het BFO als die van [accountants 1] blijkt dat er bij [A-1] B.V. in de periode van oktober 1990 tot april 1993 sprake is geweest van een omvangrijk zwart geld circuit. De omvang hiervan moet over voormelde periode minimaal ca. ƒ 800.000,- hebben bedragen. Belanghebbende initieerde de frauduleuze activiteiten. Daarnaast waren nog vier werknemers bij de fraude betrokken.

4.7. Volgens het deskundigenrapport van [accountants 2] d.d. 24 november 1997 dat is uitgebracht op verzoek van de arrondissementsrechtbank Almelo bedraagt de minimale onttrekking van belanghebbende ƒ 737.382,-.

4.8. Als gevolg van de door belanghebbende gepleegde onttrekkingen is in de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1992 zijn belastbaar inkomen verhoogd met ƒ 750.000,-.

4.9. Tegen deze aanslag IB/PVV 1992 is door belanghebbende bezwaar aangetekend.

4.10. Op 4 februari 1998 wees de arrondissementsrecht Almelo vonnis in de zaak van [A-1] B.V. en belanghebbende. Belanghebbende werd veroordeeld tot betaling van ƒ 737.382,- te vermeerderen met wettelijke rente (zie 4.7.) vanaf 23 april 1993. Vervolgens werd belanghebbende veroordeeld in betaling van de proceskosten.

4.11. Op 7 mei 1998 kwam belanghebbende met [A-1] B.V. overeen ter finale kwijting ƒ 500.000,- te betalen.

4.12. Bovenvermelde ƒ 500.000,- werd door belanghebbende als volgt gefinancierd:

- verhoging hypotheek op eigen woning aan de [a-straat 1 te Z] ƒ 430.578,51

- afkoop van lijfrentepolissen ƒ 72.980,66

- kosten t.g.v. hypotheekverhoging ƒ 3.559,17 -/-

Totaal ƒ 500.000,--.

4.13. Op 14 juli 1999 is het bezwaarschrift met betrekking tot de aangifte IB/PVV 1992 bij compromis afgewikkeld. Hiertoe is een vaststellingsovereenkomst opgesteld. Het bijgetelde bedrag ad ƒ 750.000,- bij het inkomen van belanghebbende over 1992 werd verminderd tot op ƒ 68.000,-. Hierbij is achtereenvolgens rekening gehouden met:

- de betaling aan [A-1] B.V. van ƒ 500.000,- in mei 1998;

- de door belanghebbende gemaakte advocaatkosten van ca. ƒ 99.000,-;

- betaling van belastingschulden en crediteuren van enkele besloten vennoot-schappen van belanghebbende;

- het niet accepteren van enig door belanghebbende opgelopen verlies uit aanmerkelijk belang.

5. Het geschil en de standpunten van partijen

5.1. Partijen houdt verdeeld, of een rentebetaling van ƒ 4.161,- op de onder 4.12 bedoelde schuld van ƒ 430.578,51 dient te worden gekwalificeerd als persoonlijke-verplichtingenrente (rente consumptief krediet) dan wel als aftrekbare-kostenrente (standpunt van belanghebbende).

5.2. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

5.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd - zakelijk weergegeven -

5.3.1. namens belanghebbende:

5.3.1.1. Hij deelt de subsidiaire conclusie in het verweerschrift van de Inspecteur dat het belastbaar inkomen volgens het standpunt van belanghebbende dient te worden berekend op ƒ 125.910,-.

5.3.1.2. Hij handhaaft de eerder ingenomen stelling dat de regresvordering een bron van inkomen is.

5.3.1.3. Hij verzoekt de Inspecteur in de proceskosten te veroordelen.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Tussen partijen staat vast dat belanghebbende de hypothecaire lening op zijn eigen woning heeft moeten verhogen teneinde frauduleus aan zijn werkgever onttrokken gelden te kunnen restitueren. De frauduleus onttrokken gelden en de restitutie zijn door de Inspecteur als inkomsten respectievelijk negatieve inkomsten uit arbeid aangemerkt.

6.2. Het standpunt van belanghebbende dat de financieringsrente die betrekking heeft op de hypotheekverhoging in dit geval, gezien het directe verband tussen de hypotheekverhoging en de restitutie, tot de aftrekbare kosten van de (voormalige) dienstbetrekking behoort, is juist. Naar het oordeel van het Hof bestaat er geen grond financieringsrente van negatieve inkomsten voor de toepassing van artikel 35 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 anders te behandelen dan financieringskosten van aftrekbare kosten.

7. Slotsom:

Het beroep van belanghebbende is gegrond.

8. Proceskosten:

Belanghebbendes proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op (2 × ƒ 710,- × 1) = ƒ 1.420,-.

9. Beslissing:

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 125.910,-;

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van ƒ 60,- te vergoeden;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van ƒ 1.420,- te vergoeden door de Staat der Nederlanden.

Aldus gedaan te Arnhem op 3 mei 2002 door mr. Matthijssen, raadsheer, lid van de vierde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. mr. Nuboer als griffier.

(M.M. Nuboer) (T.J. Matthijssen)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 3 mei 2002

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.